woensdag, december 28, 2005

David Cameron, rising star?

Er lijkt iets aan de gang in Groot-Brittannië. New Labour lijkt voor het eerst terug terrein te verliezen aan de Conservatieven. Waar de populariteit van Blair al een paar jaar niet meer is wat het was, was dat niet zo erg voor hem. De conservatieven vormden immers niet echt een alternatief. Het programma van de vorige verkiezingen was ronduit racistisch. Een fossiel als partijleider Michael Howard (grijs, kalend, bril) leek totaal niet aan te spreken bij de veranderende samenleving bij de eilandbewoners. De kiezers liepen eerder naar de LibDems, die nota bene met een linkser programma dan Labour naar de kiezer gingen (niet dat dit zo moeilijk is, maar toch).
In de nasleep van zijn nederlaag besloot Howard wijselijk de eer aan zichzelf te houden. Zijn beslissing om vervolgens nieuwe verkiezingen uit te schrijven voor de partijleider, en bovendien om die te laten aanslepen tot de maand december, leek naar de mening van de meeste commentatoren een garantie op nog een paar jaar interne verdeeldheid. Maar kijk. Een goede zeven maand later heeft kandidaat David Cameron, bij de verkiezingen vrijwel onbekend buiten zijn eigen partij, zich weten op te werpen als de Tony Blair van de conservatieven. Een beetje vertellen over positieve oplossingen, vooruit kijken en vooral een andere uitstraling lijken de Conservatieven terug een alternatief te maken.
Op zich mag dat niet echt verbazend heten. Bij analyses van het politieke profiel van de Labourkiezer bij de laatste verkiezingen bleek zeer duidelijk dat die eerder centrum-rechts dan links denkt. Zo moeilijk kan het dus niet zijn voor een rechtse partij om uit die vijver te vissen. In dat opzicht mag het eerder verbazing wekken dat de Tory's er niet eerder in geslaagd zijn om de centrumkoers van Labour af te blokken.

De golf waarop Cameron zijn partij hoopt mee te krijgen naar een overwinning bij de verkiezingen van 2009, komt bijzonder slecht voor Gordon Brown. De minister van Financiën wordt meer en meer een pathetische figuur. Hoe langer je genoemd wordt als de gedoodverfde opvolger, hoe pijnlijker het wordt dat je het gewoon niet bent. Hoe ergerlijk de misrekeningen van Blair (door zijn adepten aanzien voor "politieke moed" en "de kracht van een overtuiging") ook mogen zijn, hij alleen houdt Labour recht. Met het vage gemompel van Brown win je geen verkiezingen.
Vooral omdat de man niet eens lijkt te weten wat hij nu eigenlijk is. Hij was een socialist, maar lijkt uit opportunisme voor "Tony Talk" te hebben gekozen. Een beetje deftige leider van de conservatieven vleegt hier zo de vloer mee aan. Labour komt overmijdelijk in hachelijke spreidstand tussen de echte linkervleugel van de partij (die door de verkiezingsnederlaag ironisch genoeg veel belangrijker is geworden in het House of Commons, getuige daarvan de wisselmeerderheden die de regering heeft tegengekregen dit najaar) en de pragmatische (lees: plat opportunistische) groep die de baas is. Figuren als John Prescott kunnen de twee vleugels in Labour niet samenhouden.
Blair kan het net nog wel, omdat hij een Stevaertiaans aura van geluk bij de verkiezingen meedraagt. Het trauma van de oppositiejaren onder Tatcher werkt nog om zijn critici te overtuigen. Maar met serieuze concurrentie van de Conservatieven zal ook dit tanen. En dan komt het moment waarop Tony "mijn enige programma ben ik zelf" langs de voordeur vertrekt. En zijn partij verscheurd achterlaat. Openlijke rebellie in het parlement, zelfs al komt ze na een "verkiezingsoverwinning" (toch niet vergeten dat Labour in stemmen een serieuze duik heeft genomen), is geen goed teken. De grote projecten (meer keuze in de gezondheidszorg, onderwijshervorming op basis van marktmodellen) komen niet meer geloofwaardig over en hebben eigenlijk de steun van de oppositie nodig om erdoor te komen. En dan is er natuurlijk nog Irak.
Blair is in de oorlog meegegaan onder het voorwendsel Bush van de ergste stommiteiten te kunnen afhouden, maar in de feiten is gebleken dat hij geen enkele invloed heeft op het eigengereide gedrag van de Amerikanen. Los van de ethische kwaliteiten van zijn beslissing, zet dit de keizer volledig zonder kleren. Je mag best wel foute beslissingen nemen als staatshoofd, maar het laatste dat je kan doen is jezelf volkomen belachelijk maken. Wie gelooft hem nog als hij spreekt over de dreiging die uitging van Saddam? Of over de democratische toekomst van Irak?

Teksten als die van Harold Pinter bij de aanvaarding van de Nobelprijs voor literatuur blijven de herinnering aan deze pijnlijke episode oprakelen (nu ja, het is nog niet voorbij, maar iedereen doet zijn uiterste best om het toch maar te vergeten of toch op zijn minst de ergste dingen dood te zwijgen) en schetsen de premier als een mislukte despoot à la Jan zonder Land of Karel I. Met dit verschil dat hij niet meer voor zichzelf rijdt, maar dansjes opvoert naar de wensen van zijn grote bondgenoot. En wie heeft medelijden met een tragisch figuur?

Geen opmerkingen: