donderdag, maart 02, 2006

Over regels voor groot en klein...

Mooi opiniestuk van Wouter Devroe (Concurrentierecht Univ. Maastricht) in DS vandaag.

SINDS het nieuws over de fusie tussen Gaz de France (GdF) en Suez bekend raakte, weten we dat het gevaar bestaat dat de quasi-monopolies op de Belgische energiemarkt nog iets minder quasi en nog iets meer monopolie worden. We weten ook dat de machtsposities nog iets sterker nationaal verankerd zullen raken, in Frankrijk welteverstaan. Het had ook Italië kunnen worden. Daarover heeft België - zeker al sinds de volledige overdracht van Electrabel aan Suez vorig jaar, maar eigenlijk al langer - niets meer te zeggen.

De fusie tussen GdF en Suez is een kind van deze tijd. Ook in andere recente dossiers duiken nationalistisch geïnspireerde reflexen tot verankering op als reactie tegen de onontkoombare globalisering van markten, desnoods tegen elke Europese geest in. Onwillekeurig denken we dan aan het overnamebod van Mittal op Arcelor of aan wat er op de Spaanse energiemarkt gebeurt.

Toch illustreert de nu aangekondigde fusie minstens evenzeer het fiasco van gangbare opvattingen over de 'terugtredende overheid'. De overheid, zo geloven we graag, heeft zich de afgelopen decennia via privatisering en liberalisering teruggetrokken als marktdeelnemer, om zich des te beter te kunnen concentreren op zijn taak als marktregulator. Dat klopt niet. Uit een dossier als GdF-Suez blijkt dat de overheid zich nog lang niet heeft teruggetrokken als marktdeelnemer. Maar anderzijds is die overheid er ook nog lang niet in geslaagd om zich als ernstige marktregulator te manifesteren. Meer nog: ondanks de grote wetgevende en financiële inspanningen om deugdelijk toezicht te organiseren, lijkt het wel alsof dat toezicht steeds minder vat heeft op grote ondernemingen.

Hoe dat komt? Eigenlijk is het eenvoudig. Terwijl de schaal van de marktspelers waarop toezicht moet worden uitgeoefend spectaculair is gegroeid, zijn de toezichthouders niet mee gegroeid. Integendeel: we hebben, met de allerbeste bedoelingen, ons toezicht op markten steeds verder versplinterd. Naast Europese toezichthouders kwamen er nationale, naast mededingingsautoriteiten kwamen er sectoriële toezichthouders, naast federale toezichthouders kwamen er ook nog Vlaamse, Waalse en Brusselse - allemaal met deels overlappende bevoegdheden en zonder veel coördinatie.

En daarin ligt, vanuit het oogpunt van markt- en mededingingsrecht, de échte uitdaging: de kloof tussen toezichthouders en markt moet gedicht. De vrees van andersglobalisten over de soms angstaanjagende macht van bedrijven is begrijpelijk. Alleen: niet de globalisering is verkeerd, maar wel het gebrek aan toezicht erop.

Na de diagnose de remedies. Voor een klaagzang over het gebrek aan Belgische verankering van Electrabel is het te laat. We moeten ons trouwens durven af te vragen of het streven naar nationale (in casu Franse) verankering niet veeleer het probleem dan de oplossing is in dit dossier. Bovendien leren onder meer de recente herstructureringen bij Inbev dat ook (deels) bij ons verankerde ondernemingen onverminderd prioriteit geven aan winstmaximalisatie.

Gelukkig bestaan er veel concretere actiemogelijkheden. Want in het dossier GdF-Suez hoeft België niet passief te blijven of zich te beperken tot ,,uitingen van bezorgdheid'' en ,,waarschuwingen'' die, laten we eerlijk zijn, niet altijd en overal evenveel indruk maken.

In de eerste plaats kan ons land, ook als de fusie GdF-Suez bij de Europese Commissie wordt aangemeld, proberen om een deel van het toezicht op die transactie naar hier te halen. Als België oordeelt dat de operatie hier ,,in significante mate gevolgen dreigt te hebben voor de mededinging'', mag het vragen dat de Commissie de zaak geheel of gedeeltelijk doorverwijst naar het nationale niveau. De Commissie kan ook zelf het initiatief nemen voor zo'n doorverwijzing en heeft dat al gedaan, nota bene in elektriciteitszaken rond Electrabel.

Minstens zo belangrijk is een andere mogelijkheid die de Europese regels over fusiecontrole bieden en die tot nu toe onbelicht is gebleven in het debat. Zelfs als het toezicht over de mededingingsaspecten van de geplande fusie bij de Europese Commissie zou blijven, kan België vragen om die fusie te toetsen aan andere dan vrije mededingingsbelangen. Ook daarvoor bestaan boeiende precedenten. In 1995 bracht het Franse Lyonnaise des Eaux, nu onderdeel van Suez, een bod uit op een Engels waterbedrijf. Ook toen kregen de Fransen het verwijt dat ze monopoliewinsten in eigen land misbruikten om elders, waar wel geliberaliseerd was, bedrijven op te kopen. Het Verenigd Koninkrijk vroeg en kreeg toen van de Europese Commissie toelating om het bod te toetsen aan zijn nationale toezichtregels in de watersector, die voornamelijk het consumentenbelang wilden vrijwaren. De operatie kreeg uiteindelijk slechts groen licht op voorwaarde van verstrengde prijscontrole en een verplichte beursnotering van de belangen van Lyonnaise in de Britse watersector.

Er bestaan dus meer mechanismen om een reële Belgische toezichtbevoegdheid te garanderen over deze operatie dan men in het algemeen denkt, zelfs al is de beslissingsmacht over de betrokken ondernemingen dan naar Frankrijk verhuisd. Toch kan en moet deze fusie ook aanleiding geven tot een gevoelig versterkte coördinatie van toezicht in België. Een land waar alleen al voor de nutssectoren zoveel verschillende ministers bevoegd zijn, verdient minstens een kaderregeling. Het hangende wetsontwerp voor een nieuwe mededingingswet biedt in dat opzicht kansen.

België heeft zich in het dossier Mittal-Arcelor tot nu toe positief weten te onderscheiden van landen als Frankrijk en Luxemburg, door een aanpak die geëngageerd is maar wars is van nationalistische reflexen. Ook het dossier GdF-Suez verdient een actieve benadering waarbij we niet zomaar wachten op wat anderen beslissen. Juridisch bestaan pistes om een Belgische stem in het toezicht te garanderen, voor en na een fusie. Aan de wil om er gebruik van te maken zal men de daadkracht van het beleid meten.

Benieuwd of de regering ten aanzien van Suez gebruikt wat ze kan. Het geeft de kans om te tonen dat de markt ook regels kent. En dat de vrijheden op de markt niet boven àlles gaan... Ook en zéker niet in Europa, dat helemaal niet neo-liberaal is. Concurrentiebeleid, bescherming van de volksgezondheid, consumenten -en waarom ook niet bescherming van de werkgelegenheid ?- mogen primeren op de markt. Na jaren van uitverkoop (waarvoor de nazaten van Albert Frère de Belgische Staat tot in de dertiende generatie dankbaar mogen zijn) misschien niet ongepast als "signaal"...