dinsdag, augustus 01, 2006

Recht & Oorlog; Viva Zapatero!

Kort nog even twee bijzonder interessante artikels. Het eerste is van de hand van een militair jurist, Dirk De Cock, en werd vandaag als opiniebijdrage in De Standaard gepubliceerd. Het tweede is een bijzonder lovend artikel over José Luis Rodriguez Zapatero, de Spaanse eerste minister. Verwonderlijk is, dat het uit The Economist, het lijfblad van de rechtgeaarde Angelsaksische liberal, komt. Ach wat, hoe meer lof voor mijn favoriete Europese politicus, hoe beter.

De Standaard Online

dinsdag 01 augustus 2006

Het bombardement op Qana, een oorlogsmisdaad?

MET het luchtbombardement van het Zuid-Libanese dorp Qana en de dood van minstens zestig onschuldige burgers, waaronder voornamelijk vrouwen en kinderen, hebben de vijandelijkheden tussen de Israëlische strijdkrachten en de terroristische Hezbollah-beweging een driest hoogtepunt bereikt. Het krediet waarmee de inval in Libanon gerechtvaardigd werd - het recht op zelfverdediging - lijkt er volledig door opgebruikt.

Terecht wordt nu de vraag gesteld naar de verantwoordelijkheid in een incident dat alle kenmerken vertoont van een oorlogsmisdaad. Want noch het recht op zelfverdediging, noch het beginsel van de militaire noodzaak of de verwijzing naar het gebruik van menselijke schilden kan als rechtvaardiging ingeroepen worden.

Het eerste argument waarmee Israël zijn militaire optreden(s) in Libanon rechtvaardigt, zijn de Hezbollah-raketaanvallen waarmee Israëlische dorpen bestookt werden. Hoewel het internationaal recht het recht op zelfverdediging erkent, moet de staat die wordt aangevallen bij het gebruik van gewapend geweld wel het internationaal humanitair recht eerbiedigen. Al in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog oordeelde het Internationaal Militair Tribunaal van Nuremberg dat het ,,ius ad bellum'' (het recht op de oorlog ) geen afbreuk doet aan de verplichtingen die tijdens het oorlogvoeren gelden (het ,,ius in bello'' of het recht in de oorlog), ook in het geval van een 'rechtvaardige oorlog'. Kortom: de burgerbevolking bombarderen of de burgers niet eerbiedigen kan nooit gerechtvaardigd worden door het recht op zelfverdediging.

Het tweede argument dat Israël aanhaalt is de ,,militaire noodzaak'' die het bombarderen van bepaalde doelen zou staven. Met dat beginsel proberen sommige staten hun optreden te rechtvaardigen. Vaak wordt dan ook verwezen naar de uiteindelijke doelstelling van het militaire optreden, in dit geval dat de Hezbollah-beschietingen doen ophouden. Het argument doet enigszins terugdenken aan het concept van de totale oorlog, waarbij het bombarderen van bepaalde doelen gerechtvaardigd zou zijn op grond van het nagestreefde einddoel: zo weinig mogelijk eigen slachtoffers en een snel einde van de oorlog. Toch is het verband tussen de uitgevoerde bombardementen en de snelle uitschakeling van de Hezbollah onbevredigend.

De bepalingen van het internationaal humanitair recht, zoals ze terug te vinden zijn in onder meer de Verdragen van Genève en de Aanvullende Protocollen daarop, zijn al een compromis tussen deze twee intrinsiek tegengestelde beginselen, namelijk het beschermingsbeginsel en het beginsel van de militaire noodzaak. Uitgezonderd in die gevallen waarin de bepalingen van het internationaal humanitair recht zelf voorzien in een mogelijke afwijking op grond van de militaire noodzaak, kan dit argument nooit ingeroepen worden. Ook het argument van de ,,militaire noodzaak'' faalt dus als rechtvaardigingsgrond.

Ten slotte wordt ook regelmatig verwezen naar het gebruik van de burgerbevolking als menselijk schild, wat het hoge dodental zou verklaren. Hoewel de bewust gebruikte tactiek van het menselijke schild op zich een ernstige schending van het internationaal humanitair recht inhoudt, moeten militaire overheden de grootste zorg dragen bij de keuze van de doelwitten en de aanval erop.

Uit de eerste vaststellingen blijkt dat uitgevoerde luchtaanvallen voornamelijk burgerslachtoffers eisen onder de vluchtelingen, wat vragen doet rijzen over het al dan niet daadwerkelijk gebruik ervan als menselijk schild door de Hezbollah. En na het bombardement van een VN-post, kan men zich terecht afvragen of er wel een militair doel aanwezig was en in welke mate een mogelijke uitschakeling ervan nog strookt met het proportionaliteitsbeginsel.

Het gebouw van de Hezbollah in Qana inroepen als reden om het dorp te bombarderen, vertoont een aantal overeenkomsten met de zaak-Martic, gevoerd voor het Joegoslaviëtribunaal. Martic werd beschuldigd van het bombardement van Zagreb op 2 en 3 mei 1995 met zogenaamde Orkan-raketten. Daarbij vielen zeven doden. De Kamer stelde toen vast dat er, volgens getuigenverklaringen, geen militaire doelen in de buurt waren waar de raketten insloegen. Het Tribunaal merkte vervolgens op dat er wel een gebouw van het ministerie van Binnenlandse Zaken getroffen zou zijn tijdens de aanval van 2 mei 1995.

Een Libanees dorp aanvallen om een raketinstallatie uit te schakelen doet dan ook niet alleen vragen rijzen over de aangewende middelen en de precisie ervan, maar ook over het werkelijke doel. En op basis daarvan zou je tot het besluit kunnen komen dat misschien wel burgers geviseerd werden.

Hoewel de exacte omstandigheden van de luchtaanval op Qana nog niet bekend zijn, doet dit incident torenhoge vragen rijzen bij de Israëlische middelen en methodes van oorlogvoering. Terecht veegde het Joegoslaviëtribunaal Martic de mantel uit over de bombardementen van Zagreb door te stellen dat niet-onderscheidende aanvallen verboden zijn en dat zelfs bij het bombarderen van legitieme militaire objectieven de keuze van de middelen en methodes van oorlogvoering niet onbeperkt zijn. Het arrest van het Joegoslaviëtribunaal heeft in dat opzicht niets aan belang ingeboet.


Chris De Cock (De auteur is militair jurist.)



Spain

Zappy happy on the beach
Jul 27th 2006 | MADRID
From The Economist print edition


Spain's much-maligned prime minister has reason for quiet satisfaction




SUMMER is not what it was in Madrid. Only a few years ago the Spanish capital ground to a halt every August, as offices, shops and bars closed for the entire month. This year, most of the city is planning to remain open. It is yet another sign that one of Europe's best-performing economies, with a decade of continuous growth under its belt, has ditched its old “siesta-and-fiesta” reputation.

One man who will be leaving Madrid is Spain's Socialist prime minister, José Luis Rodríguez Zapatero. The political year is over and, as he hits the beaches in the Canary island of Lanzarote, he may reflect on several triumphs. The economy is powering on—GDP is expected to grow by almost 3.5% this year. The ticklish Catalan question appears to have been answered, with a bit of fudging, through a new autonomy statute. The Basque terrorist group, ETA, is sticking to its permanent ceasefire declared in the spring. A slew of socially liberal legislation, from gay marriage to fast-track divorce, has gone through parliament. To crown it all, Mr Zapatero's Socialist Party (PSOE) has a comfortable, if not huge, lead in the opinion polls.

In short, halfway through his first term in office, Mr Zapatero looks to be a man in control—and one who is increasingly likely to be re-elected in 2008. The leader once jokingly known as “Bambi” may thus be around for a long time to come. Yet he cannot afford to rest on his laurels. His political future may seem promising, but Spain's long-running economic boom is not quite so healthy.

Inflation is close to 4%, almost 1.5 points above the average for the euro area. Spain boasts one of the world's biggest current-account deficits, heading for over 9% of GDP. Cheap credit, a construction boom and domestic consumption, not investment, have been the main motors of growth. House prices, says a recent Goldman Sachs report, may be overvalued by as much as 25-35%. With euro interest rates rising, the housing bubble could well burst, pulling the rug out from under a construction sector that accounts for 16% of GDP and 12% of employment.

“If we weren't in the euro zone, our inflation and external deficit would already have produced recession and devaluation,” says Miguel Arias Cañete, economics spokesman for the opposition People's Party (PP). Economists are divided. Several are just as gloomy as Mr Arias Cañete. “We are not on a good path,” says Rafael Pampillón, of Madrid's Instituto de Empresa business school. “It has to come to an end, because we cannot keep building homes at this rate.” When the building stops, he says, the cycle by which construction fuels consumption, and vice versa, could be inverted: “the virtuous cycle becomes a vicious one.”

The trouble with warnings about an overheated Spanish economy is that they are starting to sound stale. Predictions of collapse in the housing market are at least three years old. Some economists now think that prices will simply flatten out, as they have elsewhere. “A soft landing similar to that experienced in the United Kingdom and in the United States seems the most probable scenario,” argues José Carlos Díez, chief economist at Intermoney, a stockbroker. Mortgage-holders have plenty of wiggle-room, he says, to extend payment periods. Spain's banks are robust enough to handle a rise in defaulters. Inflation may eat away at competitiveness, but immigrants have kept wages down, boosted social-security receipts and provided new, eager consumers. Another 650,000 immigrants arrived last year.

All the same, Mr Zapatero has little room for manoeuvre. He cannot devalue a currency, the euro, that is shared with 11 other countries. He cannot look to a sharp rise in interest rates to curb inflation, because rates are set by the European Central Bank, which must take into account the larger, more sluggish, economies of Germany and France. A tighter rein on public spending is another possible response, but the budget is already in surplus. “We are very aware of the importance of budget policy,” says David Vegara Figueras, deputy finance minister. “It is important that we do not throw on more gasoline.”

Does Spain have much time? Mr Pampillón predicts that the housing bubble, if it bursts, will do so in 2008. “We expect the slowdown to be quite mild,” says Javier Pérez de Azpillaga, at Goldman Sachs, who says that GDP growth will remain over 2.5% in 2007. “That is not a disaster. In fact it is very good compared with the rest of euroland.” Spaniards may be fretting about high house prices but, apart from that, they show little concern about their consumption- and credit-driven economy.

In politics, meanwhile, the PP has made little effort to return to the centre ground from where it was able to govern Spain for eight years until 2004. Vitriolic opposition to such relatively popular moves as gay marriage or peace talks with ETA plays well to a hard-core conservative audience, but not to the centre. Mr Zapatero has been quick to spot the gap. Indeed, his latest move is a bold attempt to dress the PSOE in the clothes of liberalism.

“In its social and political side, the values of liberalism are better represented by the PSOE than the PP,” Mr Zapatero's chief economic adviser, Miguel Sebastián, declared in a recent speech. “In the economy the PSOE also better represents the principles of stimulating the private sector, less intervention and a reasonable-sized public sector.”

This is clever, if not entirely convincing. The PSOE can certainly claim to be social liberals. They have also tended to be more liberal economically than, say, their French counterparts. The government even has plans, not yet set in concrete, to cut corporate tax by five points, to 30%, over the next few years. The finance minister, Pedro Solbes, has a well-earned reputation for balancing his budget.

But the PSOE is no free-market party. The government's attempts to obstruct a takeover by Germany's E.ON of a Spanish electricity giant, Endesa, regardless of EU rules, are proof of that. A mild reform of employment law this year made firing workers cheaper, but it still costs a lot more than in other countries.

Yet Mr Sebastián's analysis is intriguing. Spain introduced the word “liberal” to world politics early in the 19th century. But it has no liberal party of its own. Some polls suggest that 18% of Spaniards would define themselves as liberals, rather than conservatives, socialists or any of Spain's other political brands. Whichever of the two big parties can win this floating vote in the centre tends to win an election.

Mr Sebastián is one of Mr Zapatero's closest advisers. Perhaps, as he rests this August, Mr Zapatero might conclude that further liberalisation could kill two birds with one stone—not only warding off an economic slowdown, but also ensuring that he gets a second term.



Copyright © 2006 The Economist Newspaper and The Economist Group. All rights reserved.

Geen opmerkingen: