zondag, december 30, 2007

The Social Europe Journal



Even iets nieuw voorstellen: "The Social Europe Journal", een blad dat zich voorstelt als het orgaan van Europees links. Het telt Dominique Strauss-Khan, Paul Nyrup Rasmussen en Elisabeth Guigou onder zijn "vrienden" en probeert de intellectuele discussie binnen een altijd moeilijk te verenigen spectrum van Europese sociaal-democratische partijen aan te vuren en te modereren. In het winternummer over de Europees-Transatlantische relaties staan een aantal interessante teksten.


Robert Reich (Public Policy, Berkeley, ex-minister Werk onder Clinton) heeft een essay geleend aan het gratis tijdschrift (gesuggereerde donatie € 5), op basis van zijn recente boek "Supercapitalism: The Transformation of Business, Democracy, and Everyday Life" (dat ook in Le Monde wat aandacht heeft gekregen). Kort samengevat:

1° Democratie en kapitalisme gaan niet samen, waar men altijd gedacht heeft dat dat het geval is; voorbeelden: Rusland, China...

2° Hoe komt dat? Omdat er een vermenging van sferen is ontstaan: economische lobbyisten treden op het terrein waar enkel burgerschap zou mogen beslissen over de collectieve allocatie van middelen; op die manier poogt men eerlijke concurrentieregels te omzeilen en via de wetgever competitieve voordelen op concurrenten te verkrijgen, wat dan weer de levensomstandigheden van de loontrekkenden aantast <=> terwijl democratie ertoe zou moeten leiden dat publieke goederen beschermd worden: politieke instellingen moeten de "volonté générale" vertegenwoordigen en het algemeen belang dienen; ze creëren het kader waarbinnen concurrentie kan optreden en de minimale voorzieningen die en waardig leven moeten garanderen aan wie deel uitmaakt van de politieke samenleving

3° Hoe moet je dit oplossen? Punt waarop het schoentje knelt: de enige die dit een halt kan toeroepen, is de burger, die helaas ook consument is (situatie waarbij het in zijn korte termijnbelang is om zijn eigen langetermijnbelangen aan te tasten, door voor goedkopere producten/meer renderende beleggingen te gaan, die worden gerealiseerd op het uitpersen van de meerwaarde door investeerders/producenten).
Het klinkt allemaal een beetje als de klassieke Marxistische uiteenzetting over objectieve en schijntegenstellingen: de consument blijft steken in een schema van individuele lotsverbetering (als ik bewuste keuzes maak, kan ik meer kopen, en leef ik gelukkiger), terwijl zijn belangen als "burger" (wat Marx de klassenbelangen zou noemen), die hem ertoe zouden moeten leiden een electorale ommekeer te bewerkstellingen en te kiezen voor niet-belobbyde politici (bij Marx: de ware natuur van de klassenstrijd inzien en collectief mobiliseren tegen de eigenaars van de productiemiddelen). Helaas besluit Reich met een "het is tijd om onze rol als burgers ernstig te nemen", en de eerste stap daarvoor is "mijn" analyse volgen...
Mijnheer Beich roemt het "burgerbewustzijn", en wil naar een vermenging tussen de mentale gesteldheden van de "consument" en de "loontrekkende". Hij geeft daarmee ook impliciet aan dat het apart beschermen van de consument misschien een verkeerd doelwit is voor sociaal-democratische partijen.

Ik zou liever bij het origineel blijven. Constitutioneel patriottisme (zie het stuk over de lezing van Günter Grass, even eerder op mijn blog) of bewustwording van de essentiële waarden die onze gemeenschap binden is de democratische component van Reichs redenering; de economische basisanalyse van Marx is de andere. Ongeacht de uitdrukkings- of verschijningsvormen (financiële dan wel industriële economie), is het probleem van toe-eigening van (reële of fictieve) meerwaarde nog altijd het grootste. De onrechtvaardigheid in ongelijkheid komt het sterkste tot uiting door de vaststelling dat "tribuere cuique suum" niet gerespecteerd wordt: dat iemand anders winst maakt op jouw inspanningen of je in een afhankelijkheidsrelatie plaatst ten aanzien van essentiële zaken. Misschien verduidelijkt de lectuur van Reichs boek wel een en ander (als je je moet limiteren tot een tijdschriftenessay, ben je hoe dan ook aan zekere kwantitatieve, en dus onvermijdelijk ook inhoudelijke, beperkingen gebonden).



Günter Verheugen (Europees commissaris voor Industrie) heeft met "New Era in Transatlantic Economic Cooperation" het meest overbodige stuk van de hele bundel gepleegd (of laten plegen). Het contrast met het voorgaande stuk en de volgende bijdragen is toch wel zeer groot. Even nietszeggend als een officieel communiqué tussen twee verschillende partners, die proberen om zoveel mogelijk de problemen te ontlopen, en daarom maar een schijnbaar neutraal discours over gemeenschappelijke waarden (concurrentie, free enterprise... leuk voor een socialist) brouwen. Citaten als 'I am optimistic that the TEC will boost market integration between the EU and the US and will contribute, in the longer term, to bringing the different regulatory philosophies on the two sides of the Atlantic closer’ of ‘We need to convince both our bureaucracies and our legislators that adapting the way we regulate our economies in order to take account of transatlantic impacts can be a plus rather than a minus’ passen goed bij de CEO van een multinational, maar toch niet bij een sociaal-democratisch politicus. Afstemming op elkaar, betekent ook afbouw van wederzijdse regulering vanuit Europa (sociale voorwaarden, GGM's...). Probeer dit maar eens te lijmen met het nieuwe SPD-programma, achteraan het tijdschrift!



Heinrich August Winkler (prof. em. von Humboldt, Berlijn) produceert een lang essay over wat in zijn opinie de Westerse waardengemeenschap uitmaakt. De tegenstelling tussen de Amerikaanse en Europese kernwaarden-opvatting vindt hij onjuist. De VS zijn in essentie een export van Europese waarden, met eigen mutaties (bijvoorbeeld het amalgaam dat men maakt tussen religie en persoonlijke vrijheid, zoals De Toqueville dat al opmerkte in de 19de eeuw). Tegelijk vindt hij ze nuttig om Europeanen te herinneren aan de "kerncluster", waar ook zij van afwijken. Hij verwijt Europa onder andere een te militante anti-religieuze inslag. In de 20ste eeuw is het waardenprogramma nog steeds niet gerealiseerd, en de verkeerde interpretaties ervan (zoals die van de Bush-regering, die de inval in Irak en de poging tot installatie van een federale staat wou legitimeren door te verwijzen naar de Duitse situatie na WOII) leiden tot een verwatering van de kernprincipes. Bovendien is de context gewijzigd: los van de oprechte bedoelingen bij de export van een Westers systeem in niet-Westerse landen, wordt men geconfronteerd met het einde van een culturele hegemonie en een meer gelijk opgaande competitie met andere modellen, wat dan weer de vraag naar verscherping van de eigen identiteit versterkt.



In "The Transatlantic Clash over Political Economy and Fulcrum Institutions" ziet Stephen Hill (directeur van de "Political Reform Program for the New America"-stichting) dan weer een fundamentele "clash" tussen de Amerikaanse en de Europese opvatting over "life, liberty, and the pursuit of hapiness", die hij... even sterk vindt als de tegenstelling tussen Europa en de "Arab-Islam". De voorgaande auteurs doen hun uiterste best om een Westerse waardengemeenschap te zien in plaats van een Europese, een transatlantische economische samenwerking op wel erg liberale basis uit te bouwen (Verheugen) of om een Amerikaanse én Europese "burgerschapsrevolutie" te prediken tegen het investeerders-consumentencomplex. Hill ziet het blijkbaar iets anders:
With American politics engulfed in recent years by a free-wheeling, free market, Texas-style economic fundamentalism that has led to increases in inequality and economic insecurity for many Americans, Europe has emerged more and more as what British author Will Hutton has called an international countervailing force – a mainstay of ‘social capitalism,’ that has tried to harness capitalism's extraordinary ability to create wealth so that it better supports families and workers, and creates a more broadly shared prosperity and economic security.
U heeft het vast al begrepen: Hill ziet weldegelijk een apart Europees model en pleit voor proportionele vertegenwoordiging (die volgens hem, na contrasteren van de Bundestag en het Amerikaanse congres) leidt tot betere vertegenwoordiging van minderheidsgroepen in het parlement en... tot debat ("Without a multiparty democracy where all significant points of view are represented, political debate in the US has become stunted and constrained along increasingly narrow lines in which the best interests of the American people are not well-represented"). Het Amerikaanse politieke systeem is verouderd, "rooted in its 18th century origins", met districten ("party fiefdoms") die voor eeuwig in de handen van een van de twee partijen blijven (waardoor men nooit consensus moet zoeken en conservatieve partijen veel meer macht krijgen dan ze proportioneel zouden moeten hebben), lage opkomst en "swing voters" die alles beslissen in presidentsverkiezingen.
"Het" Europese systeem is beter omdat burgers beter geïnformeerd zijn: "public
financing of campaigns, free media time for candidates, and a robust public broadcasting sector that acts as a counterweight to the profit-driven corporate media" moeten een objectief debat garanderen. Mijnheer Hill is blijkbaar nog nooit in Frankrijk of Italië geweest. Burgers lijken hem in Europa algemeen meer "civic literate", lezen meer kranten... zijn bijgevolg ook beter voorbereid om actief te participeren aan het politieke proces. "Het" Europese economische systeem lijkt hem ook veel beter om gedeelde rijkdom te produceren. De Duitse "Mittbestimmung" (waarbij de vakbonden van Volkswagen Wolfsburg hun collega's uit Vorst kunnen afschieten) moet dan maar het plaatje invullen.

Uit deze drie "fulcrum institutions" (proportionele vertegenwoordiging, neutrale media en medebeslissingsrecht voor werknemers) komt dan de superioriteit van het Europese systeem tevoorschijn, dat pluralisme en gedeelde rijkdom mogelijk maakt en dat zijn eigen land niet klaar is voor de uitdagingen van de 21ste eeuw. Bijzonder vriendelijk, maar helaas al even weinig kritisch voor zijn eigen stellingen als de andere auteurs.
Je kan natuurlijk nooit iets verkeerd doen door de algemene premissen te formuleren en daar hun logische consequenties uit af te leiden, maar in een aantal gevallen had de auteur er goed aan gedaan zijn onderzoek ietwat uit te diepen. Berlusconi, Pim Fortuyn en Sarkozy vormen de negatie van zijn Europese-hemelverhaal. Het is ook maar de vraag of het politieke debat bij ons levendiger is en in bredere lagen van de bevolking doordringt. Je krijgt de indruk dat de situatie in Amerika voor de linkerzijde zo deprimerend is dat ze Europa proberen idealiseren (zie ook Sicko van Michael Moore). Toch oppassen dat de kater achteraf niet te groot wordt.



Het stuk van Gavin Rae over de Poolse verkiezingen is interessanter, want gefundeerder. Hij is de enige die in de feiten treedt en loskomt van het drammerige "grote lijnen"-verhaal van de voorgaande bijdragen, wiens visie soms niet door de feiten ondersteund wordt (Hill - ook Reich maakt een feitelijke fout als hij aangeeft dat Sarkozy zijn hervormingsplannen zou hebben opgeborgen na de stakingen in november). Rae is blij dat hij eindelijk verlost is van de PiS (de extreem-rechtse partij van de Kacsynski's, die aan de macht kwam bij een verkiezing waar amper 40% van de Polen de moeite deed om te gaan stemmen), maar vreest dat de neoliberale politiek van Donald Tusk (die zou verder gaan op een golf van door Europese fondsen bedekte liberaliseringen) zo weer de oude demonen aan de macht kan brengen. Tusk en zijn partij behoren Europees tot de EVP en zijn evengoed ethisch conservatief als de PiS: de scheiding tussen Kerk en Staat behoort zeker niet tot de waarden die de nieuwe coalitie verdedigt.

De PiS waakt intussen nog steeds. De President is niet veranderd, de kleinere katholieke en extreem-rechtse concurrenten zijn uit het parlement verdwenen en de andere helft van de tweeling blijft de nieuwe overwinnaars verdenken van "geheime complotten en netwerken". Een beetje analoog aan de beschuldigingen van Amerikaanse interventie in de Oekraïense verkiezingen.
The elections became a plebiscite on whether the country wanted to continue along the course set out by PiS, and the answer given was a definitive no. Despite this rejection, the Polish elections once again reveal the country’s social divisions. While the turnout in the large cities exceeded 60%, in the villages it was just over 40%. The election results were split along regional
lines, with the poorer rural eastern areas won by PiS, although the turnout here was significantly lower. In general, while the young urbanites came out to vote against the government, the elderly and poor stayed at home. Political power has returned to the cities, with PO cultivating an image to appeal to the young urban milieu. The extreme social conservatism, authoritarianism and lack of a real social program meant that PiS was unable to sufficiently mobilise the voters in the industrial and rural areas that have been emptied of their young seeking better opportunities abroad.
Het stuk van Gerhard Stahl (secretaris-generaal van het comité van de regio's), "United in Diversity", is van dezelfde orde als dat van Günter Verheugen. The Social Journal kent niet echt een redactionele lijn (anders zouden er best wat stukken gesneuveld zijn), maar wordt dus ook nog eens gebruikt als afvalberg voor door "cabinetards" geproduceerde woordenbrij, die enkel nuttig is om mensen op te warmen voor een receptie. Hopelijk voor het blad staat er wat financiering tegenover.



Gelukkig is de laatste bijdrage de meest interessante: Detlev Elbers ("professor of politics" in Bremen) heeft het over het nieuwe programma van de SPD: "A Left-Wing Godesberg". Voor de derde keer na de tweede wereldoorlog (1959, 1989, 2007) heeft een van de belangrijkste Europese socialistische partijen een nieuw werkdocument aangenomen, dat hopelijk de bakens kan verzetten voor de andere partijen. De Franse PS is hopeloos verstard door interne twisten en afrekeningen, New Labour zit nog steeds op de eindeloze weg bergaf naar centrum-rechts, de Italiaanse "socialisten" bestaan eigenlijk niet, in Nederland en België is het evenmin schitterend. Elbers beperkt zich tot een synthese van de bijdragen, maar in annex zit het volledige nieuwe partijprogramma, aangenomen op de "Parteitag" in Hamburg.
De SPD hekelt de perverse gevolgen van globaal kapitalisme, erkent de continuïteit met de Franse revolutie en de Duitse pogingen om dat te herhalen in de 19de eeuw, de band tussen de idee van democratie in Duitsland en het programma van de eigen partij. "It fought for workers’ rights, developed the social welfare state, and together with the trade unions it enabled disdained proletarians to become self-confident state citizens with equal rights." Binnenlands is dat dan ook de lijn waarop men wil verdergaan: volledige tewerkstelling staat letterlijk vermeld als doelstelling (zij het dan wel gecombineerd met arbeidsmobiliteit over verschillende jobs).

Het Europese luik slaat nagels met koppen:
The European Social Union respects traditions of the nation state and at the same time creates binding European rules and standards member states must not fall below. We do not want to make social systems uniform but agree on a Social Stability Pact with other member states. For the agreement on a Social Stability Pact we are suggesting aims and targets for national social and educational expenditures orientated to economic performance capability. Where economic activity crosses borders workers’ rights must not come to a halt at them. Therefore we want to safeguard and enhance codetermination of the workforce in European corporations. In order to strengthen and enforce the autonomy of collective bargaining at European level we are favouring a European legal foundation for cross-border collective bargaining and collective labour agreements. To prevent the financial collapse of nation states due to competition about the lowest corporation taxes we want European-wide minimum rates and a uniform assessment basis.
Free access to supreme public services belongs to the European social model. Each member state cares for it in its own way but its principles should become binding for the European Union. For their future’s sake the members of the European Union must invest in education, research and innovation. These foci must also be mirrored in the European budget. We are pleading for lower assignments from the national budgets and in favour of long-term development of separate European sources of income.

Geen opmerkingen: