maandag, maart 03, 2008

Artikels Veer

De dit jaar in het Veer gepleegde teksten van uw dienaar (ook te raadplegen hier en hier) :

Erasmus in Parijs: leven als God in de DDR (veer nr. 1)

Beste Veer-lezer,

Misschien stelt u zich –bij de herlancering van de VGK-Erasmusrubriek- wel vragen bij de enigszins bizarre of provocerende titel van dit stukje. Is de auteur zo’n rotverwende en arrogante luxestudent, die zich niet tevreden kan stellen met de onvermijdelijke imperfecties van zijn nochtans uitgelezen externe studeerplek? Die de eerste plaats van onze al te weinig gefinancierde of bejubelde Alma Mater als “nummer 1 voor Erasmus in Vlaanderen” in het belachelijke wil trekken? De bescheidenheid verbiedt me u daar enig beslissend uitsluitsel over te verstrekken. Toch hoop ik u een zekere morele geruststelling te kunnen verschaffen door toch ook in de eerste plaats te beklemtonen dat Parijs ronduit geweldig is. Indien ik in het vervolg van deze tekst enkel administratieve octopussen en papiergorilla’s zou behandelen, mag dit geenszins de voordelen van de internationale ervaring in kwestie in de schaduw zetten of u tegenhouden om volgend jaar de Gentse torens te ontvluchten.





Maar toch mag het nog eens herhaald worden, dames en heren: Wie is de machtigste man van Frankrijk? Degene die achter het loket zit. Nog meer dan andere Erasmussers, gaan studenten geschiedenis gebukt onder het papieren juk van de vijfde republiek. Waar je ook komt, neem minimaal mee: een pasfoto, een identiteits- en studentenkaart, een “attestation de résidence” en een (Frans!) bank-identificatieformulier. Men vraagt er vlugger om dan je zou denken. Om te genieten van de diensten die de centrale (interuniversitaire) bibliotheek van de Sorbonne ter beschikking stelt, mag je bijvoorbeeld, na je administratieve inschrijving, nog eens extra aanschuiven (enkel in de voormiddag, tussen 10 en 12). Wie dacht dat onze Gentse Alma Mater, met haar zeer antiek aandoende roze aanvraagbulletins in de boekentoren, enigszins achterliep op de stand van de bibliothecaire techniek, is duidelijk nog niet in Parijs geweest. Elke bezoeker die de bibliotheek betreedt (dat doet u, door met de barcode van uw aparte bibliotheekkaart een ijzeren slagboom in beweging te zetten), krijgt een geel aanwezigheids- en aanvraagformulier in de handen gestopt. Wat u ook doet (ook al komt u gewoon wat werken in de vrij raadpleegbare collectie en laat u niets uithalen), u bent impérativement gehouden het formulier terug te brengen naar de receptie. Wee uw gebeente als u een boek geconsulteerd heeft, en het niet terug heeft laten afstempelen bij het verlaten van de zaal...





Vervolgens loopt u naar de elektronische cataloog, om dat ene, in Gent nergens te bespeuren en voor uw masterproef o zo belangrijke boek eindelijk uit de rekken te kunnen halen. Tot uw vreugde braakt het erg “early nineties” aandoende programma vrij vlug een plaatsnummer uit. Meegesleept in uw juist verworven élan van schijnbaar herwonnen intellectuele vrijheid, pent u het ijverig neer op het gele aanwezigheids- en aanvraagblad. Helaas. Door een administratieve reorganisatie, die het in de toekomst mogelijk zou moeten maken boeken rechtstreeks uit de cataloog aan te vragen, zonder formulieren in te vullen... zijn de communicatieloketten (moet u zich voorstellen als de Nols-loketten in Schaarbeek, of het doorgeefluik van de keuken in You Rang M’Lord) gesloten. Een nieuwe, gecentraliseerde dienst bevindt zich in de voormalige catalogi-leeszaal. Eens u die gevonden hebt (buitenlanders worden verondersteld regelmatig weerkerende, in het gebouw wegwijze bezoekers te zijn), krijgt u te horen... dat het algemene aanvraag- en aanwezigheidsformulier... niet kan gebruikt worden om boeken uit... de algemene collectie te halen. Voortaan is een apart (roze!), specifiek, aanvraagformulier vereist per werk. Met het vriendelijke verzoek om binnen een half uur terug te komen en in het vervolg duidelijker te schrijven. Behoudens de kans “que le livre présent a été la victime d’une inondation”, krijg je dan wel dat ene boek over de Spaanse Successie-oorlog tussen 1700 en 1705 waar je al een jaar of zes naar zoekt.





Maar goed, in de administratieve Parijse Orcus zijn we hier nog maar net over de Styx gezet. Het echte werk moet dan nog beginnen: het archief, waar historici thuis zijn. Waar de formaliteiten zich in België beperken tot de relatief eenvoudige aanschaf van een dag-, jaar-, of andere kaart, liggen de zaken iets moeilijker. De inschrijving kan voor de bureaucratisch ervaren Franse onderzoekers en hun buitenlandse collega’s slechts een eerste obstakel zijn op hun weg naar het contact met de originele bron. Naargelang het archief, kan dit trouwens on line gebeuren. Veel pittiger zijn de vereisten voor de eigenlijke consultatie van de documenten. Zo vraagt het Defensie-archief dat je stukken veertien dagen (!) op voorhand reserveert. Vervolgens wordt je plaats in de leeszaal (slechts 60 gelukkigen per dag) voor de volledige openingsduur van de dag in kwestie vastgelegd. Ook al kom je zelf maar twee uur. Onmogelijk om gefrustreerde bezoekers-voor-een-dag een plaats te geven in de halflege leeszaal, aangezien alles gereserveerd is. Stukken uithalen kan enkel op vaste tijdstippen (de rest van de tijd zit het geüniformeerde personeel gezellig te kletsen tussen de microfilms). Wat ook geldt voor de bijhorende bibliotheek (200 meter verder, in een aparte vleugel van het Centre Historique de la Défense), die de volle drie dagen per week (van dinsdag tot donderdag) ter beschikking staat van het publiek. Boeken zijn overigens slechts 48 uur op voorhand aan te vragen. Kopies kunnen genomen worden aan het retributaire tarief van € 0,25 per pagina.





Zo gaat het maar door. Iemand laten logeren op de kamer, op de gerenommeerde “Cité Internationale Universitaire de Paris”? Geen probleem, indien je drie werkdagen op voorhand een ondertekend en gedateerd formulier afgeeft aan de receptie, met vermelding van de identiteit en verwantschapsgraad van de persoon in kwestie. Uiteraard mits toestemming van de directie (m.i. een schending van artikel 8 EVRM) en betaling van een vergoeding van € 5 per nacht (beperkt tot 5 dagen) voor het extra bed. Lamp kapot? Geen probleem, dat meld je schriftelijk aan de receptie (geschatte wachttijd: twee maand). Sleutel van de brievenbus nog niet gehad? Geen probleem, vul een formulier in.

Ik zou me niet te ver willen laten leiden in mijn diatriben tegen de hemeltergende Franse bureaucratische inefficiëntie. Laat me dan ook besluiten met een laatste voorbeeld: de archieven van Buitenlandse Zaken (Quai d’Orsay). Bezoekers kunnen enkel op gecontingenteerde uren binnen en buiten (e.g. 13:30, 14:30...), na afgifte van hun identiteitskaart aan bediende nummer 1 (in ruil voor een hippe badge met het logo van de ene en onverdeelde Republiek) en het passeren van een ijzeren metro-slagboom. Bij hun tocht door het gebouw, naar de archieven op de tweede verdieping, worden ze begeleid door een speciaal daartoe aangestelde bediende nummer 2, die acht keer per dag de tocht op en af maakt en in het bezit is van de sleutel voor de wandkasten, waar men andere goederen dan en laptop, witte bladen papier of een potlood kan achterlaten. Eens in de consultatiezaal, begint een kleinere kruisweg (in afstand te vergelijken met het betere calvarieparcours in een fors uitgevallen private devotiekapel) van de loketbediende (bediende nummer 3) naar de bediende die verantwoordelijk is voor de inschrijvingen (bediende nummer 4).



Hoewel de Quai d’Orsay-bezoeker drie weken op voorhand een on-lineformulier heeft ingevuld met zijn coördinaten, wordt hij daar nog eens gesommeerd om alles op papier te zetten. U raadt het al, met het legendarisch cursieve geschrift dat het handelsmerk van uw dienaar geworden is sinds hij de traumatiserende derde kleuterklas verliet, leidt dit enkel tot verder oponthoud. De gegevens van “Monsieur Dhonot” worden ingegeven in een administratief systeem, wat de noodzakelijke vereiste is voor de aanmaak van een lezerskaart, die op haar beurt toegang verschaft tot 1 (één) plaatsnummer (bedienden nummer 2, 5, 6 en 7), waar men zijn consultaties kan beginnen. Uiteraard kunnen stukken slechts met een werkdag vertraging worden aangevraagd. En is het archief de eerste tien dagen van de maand gesloten, gezien de nakende verhuizing naar een nieuw gebouw in de loop van 2008. Hoeveel tijd het consulteren van de inventaris ook mag vragen, u kan pas buiten op het gecontingenteerde uur, waarop bediende 2, uw persoonlijke escorte naar de uitgang, terug verschijnt.

Daar zou ik het bij willen laten voor deze keer. Volgende keer iets over de aangenamere kanten van het onderwijssysteem (veel politieke geschiedenis, bijzonder erudiete en eloquente professoren die “het” referentiewerk in de discipline geschreven hebben, geen hysterische gender- of metahistorische vakken) of van het Parijse dag- en nachtleven (stimulerende contacten met “Parisiens” en een variëteit aan anderstalige planeetbewoners; de musea, boekenwinkels, bars; de betogingen, manifestaties en stakingen).

De Stakingen (Veer nr. 2)



Het is de Veer-lezer ongetwijfeld wel opgevallen dat het leven aan de Franse universiteit enige turbulentie kent. De wet-Pécresse over de “autonomie van de universiteit”, die onder andere de mogelijkheid geeft aan particuliere investeerders om samen met een onderwijsinstelling een “eigen”, gecofinancierde opleiding op te zetten, heeft ongeveer iedereen hier in de gordijnen gejaagd. De humane wetenschappen, hoewel niet echt rechtstreeks geviseerd door de in juni gestemde wet (wie zou daar nu immers geld willen investeren, als het toch niets opbrengt…), zien de maatregel als een teken van de uitverkoop van het onderwijs, en meteen ook alle overheidsdiensten.

In mijn vorige bijdrage heeft u zich een idee kunnen vormen van de methodes en praktijken in een paar van de tentakels van de Franse staat. Ondanks deze minder aangename facetten, houden de meeste Fransen heel erg aan de principieel gelijke behandeling en de lage drempels om naar de universiteit te kunnen. Toch is dit grotendeels zelfbedrog. De beste studenten worden naar de Grandes Ecoles gedraineerd, of naar private instellingen, die diploma’s afleveren die evenveel, maar in de praktijk meer waard zijn dan het door de overheid gefinancierde. Studenten betalen inschrijvingsgeld, om met het lijntje van de Grande Ecole op hun cv een carrière uit te bouwen. Dikwijls gebeurt dit in combinatie met een “standaard” basisdiploma en een duur jaar in een Ecole Commerciale, Sciences Po…

De vraag is dus natuurlijk, welke zin dat breder toegankelijke universiteitsdiploma heeft. In de feiten doet het niet zo veel aan de gebrekkige sociale mobiliteit in Frankrijk. Erger nog, nergens in Europa is de samenleving meer geblokkeerd en gehiërarchiseerd. “L’ascensceur social est en panne” was een van de baselines van de Royal-campagne vorig jaar. Zelfs in de VS zijn werknemers gelukkiger met hun promotiekansen dan in Frankrijk. Als je geboren wordt als kind van iemand die de ENA gedaan heeft, een kaderfunctie uitoefent in de administratie of een van de grote bedrijven, ligt je pad ongeveer geplaveid naar een gelijkaardig bestaan. Het is een totale illusie dat men via de universiteit een gelijkaardig parcours kan afleggen. In Frankrijk tel je als je van de “Ecole Normale Supérieure” komt, liefst met een stamboom in de administratie of het bedrijfsleven (dat net als de rest van de samenleving gegijzeld wordt door inteelt en verstarring). Beste illustratie: de professoren in de Sorbonne komen zelf bijna allemaal uit een Ecole Préparatoire, hebben gestudeerd aan de Ecole des Chartes of de Ecole Normale Supérieure (overheidsinstelling, maar vergelijkbaar met de Grandes Ecoles: nemen enkel de beste studenten, wat meteen een dualiteit installeert met de universitaire diploma’s)… niemand van hen heeft ooit les gekregen in het systeem waar hun eigen studenten in zitten!

Studenten weten dat natuurlijk ook wel, maar zij zien geen andere oplossingen dan de politici. Wat er in de praktijk op neerkomt dat extreem-links de universiteit blokkeert en eisen formuleert genre “wij eisen de onmiddellijke afschaffing van de Europese richtlijnen waar de wet-Pécresse op gebaseerd is” (terwijl Europa helemaal niet bevoegd is voor onderwijsaangelegenheden, enkel voor wetenschappelijk onderzoek, maar dan nog zeer instrumenteel; de primaire verantwoordelijkheid ligt hier bij de lidstaten) of “wij willen geen militairen in de raad van bestuur van onze universiteit, zoals in Latijns-Amerika”. Het zijn uitingen van onmacht en frustratie met een omgeving die men algemeen als vijandig beschouwt.

Tegelijk verdedigt men ook de eerder repressief ingestelde en inefficiënte overheidsdiensten, die een hervorming wel degelijk nodig hebben. Zoniet verdwijnen ze op termijn ook. Een Franse ambtenaar werkt voor 1) zichzelf 2) zijn instelling 3) als hij goed gezind is: de gebruiker van de openbare dienst. Het is intriest dat studenten zonder kritiek hun eigen fossielen verdedigen. Uiteraard is een goed werkend overheidsapparaat essentieel om een de “Republikeinse waarden” in de praktijk te brengen, de markt te reguleren en sociale ongelijkheid tegen te gaan. Maar dan moet het wel gaan om werkende instellingen. Ik ben er van overtuigd dat de huidige actievoerders (de LCR, de LO, PCF…) net hetzelfde zouden gedaan hebben tegen hervormingen vanuit een socialistische regering. Probeer als buitenlander overigens vooral niet om met deze mensen in discussie te gaan.



De andere kant van het politieke spectrum is nog erger. Een deel van de Franse jeugd lijkt dronken van de mix aan autoritaire, traditionele en neoliberale opvattingen van hun president. Er hebben in Parijs manifestaties plaats “tegen de manifestaties”. Stakers en niet-stakers vechten voor het oog van de veiligheidsdiensten, in de universiteit. Compleet waanzinnig! Bovendien wakkeren de media (bijna alle televisiezenders, de populaire kranten en Le Figaro) deze polarisatie nog aan. De ongemakken van de ‘slachtoffers’ van de vervoersstakingen worden (terecht) groot in beeld gebracht, maar de andere kant van het verhaal willen/kunnen ze niet brengen. Hetzelfde met de problemen in de banlieues, waar een ongeval aanleiding gegeven heeft tot onwaarschijnlijke gevechten tussen privé-guerilla’s en de politie. In dit land bestaan enkel nog “gedecomplexeerd” (= half-extreem-)rechts en extreem-links.



Een blokkade brengt in de praktijk overigens enkel meer miserie mee voor de door het autoritaire en verouderde onderwijssysteem hoe dan ook vrij moegetergde en apathische Franse studenten. De 10% (dan zijn we nog heel vriendelijk) extreem-linksen verzamelen in een auditorium, roepen een uur of vijf tegen elkaar, en leggen dan de boel plat. De 15% rechtsen foeteren de hele dag door tegen de “glandeurs” die hun auditoria afsluiten. De rest is apathisch. Zeker niet voor de hervorming, maar ze vinden het ook niet de moeite om het universitaire leven ervoor te ontregelen.

Want de ontregelingen zijn natuurlijk legio. In vergelijking met de Parijse universiteiten staat de Ugent organisatorisch op een andere planeet. Op dit ogenblik (1 december) volg ik al twee maanden les in het eerste semester, maar ik heb nog geen flauw idee welke vorm mijn examen zal hebben. Wegvallende lessen worden niet gecommuniceerd, je moet zelf maar ter plaatse gaan kijken (wat met een transportstaking hoe dan ook anderhalf uur gecumuleerd tijdsverlies betekent). Minerva bestaat niet. Communicatie per e-mail gebeurt als de prof bij het begin van het semester aan iedereen gevraagd heeft zijn adres op een blaadje te schrijven. Pedagogische inschrijvingen (selectie van vakken) lopen in het honderd door “netwerkproblemen”, met een deadline vlak na de stakingen en twee annulaties van de formaliteiten voor de Franse studenten. De rector van Paris IV verspreidt een bericht als zou er, als represaille voor de acties, geen enkele inhaalles gegeven worden. Wat prompt wordt tegengesproken door de betrokken lesgevers, die inhaalsessies plannen, die vervolgens worden afgevoerd omdat het algemene rectoraat (nog een ander kapelletje) besluit om de volgende dag de universiteit te sluiten om veiligheidsredenen.

Iedereen die de Sorbonne betreedt, wordt gecontroleerd op studentenkaart en moet zijn rugzak laten inspecteren door een deurwachter in uniform, die geflankeerd door twee CRS’en (zwaarbewapende Republikeinse veiligheidsbrigade) angstvallig uitkijkt naar binnendruppelende stakers. De “veiligheidstroepen” zijn overigens niet het enige autoritaire kenmerk van het systeem. Waar je in Gent zeer duidelijk en openbaar alle regels, beroepsprocedures en vertegenwoordigers van de diverse geledingen van de universitaire gemeenschap terugvindt, baadt alles hier in een sfeer van “staatsgeheim”. Studenten hebben nagenoeg niemand om bij terecht te kunnen bij problemen met een lesgever. Proffen lopen systematisch over de centrale administratie heen en houden een eigen, parallelle, administratie bij. De centrale leiding van de universiteit lijkt niets te zeggen te hebben aan de honderden rondcirkelende professorale satellieten. In de meeste gevallen weet enkel de prof in kwestie wie er zijn vak volgt (bij gebrek aan een geïnformatiseerd inschrijvingensysteem).



Qua onderwijsmethode grenst het in ere houden van de traditie soms ook aan regelrecht fundamentalisme. Franse studenten kunnen door een tirannieke “chargé de cours” (te vergelijken met een assistent die een oefening geeft) gebuisd worden voor “exposés” (mondelinge uiteenzettingen in een oefeningensessie of een vak uit de hulpwetenschappen), als ze 2 minuten te kort zijn op een tijd van 25, als ze geen uurwerk naast zich leggen om de tijd te meten, als ze geen kleurtjes gebruiken bij de chronologie die ze afgeven…



Men heeft hier (horresco referens) een duidelijk uitgesproken voorkeur voor handgeschreven werkstukken. Studenten worden vermanend op de vingers getikt dat de verfoeilijke traditie van het intikken van nota’s ertoe leidt… dat ze zullen buizen voor de CAPES (toelatingsproeven voor leraar in het secundair onderwijs, veel zwaarder dan onze AILO) of de Agrégation (valt te beschouwen als een academische upgrade van je universitair diploma), waar men “schoonschrift” als selectiecriterium weerhoudt. Hoeveel meer kan je tonen “out of phase” te zijn met de rest van de wereld? Terwijl de universiteit zich in dit soort compleet achterlijke praktijken (dit woord is echt wel op zijn plaats) vastbijt, staat men in de elitescholen immers niét stil. Of, hoe de kloof tussen een normaal en een beter diploma nog groter wordt. De Franse republikeinse gelijkheid is een illusie. Ofwel investeert men massaal in de universiteiten, ofwel zijn ze ten dode opgeschreven. Het huidige systeem laten bestaan zoals het is, komt enkel de studenten ten goede die zich en duur diploma kunnen veroorloven.



Het bovenstaande is des te spijtiger gezien de Franse academische traditie en reputatie. De professoren en vakken die men in de Sorbonne kan volgen, zijn van zeer hoog internationaal niveau. Je krijgt les van gecultiveerde en belezen intellectuelen, met een encyclopedische kennis, die hun periode en eigen discipline ruimschoots overschrijdt. Als ik alleen al naar “mijn” professoren van dit jaar (Alain Tallon, Lucien Bély, Olivier Chaline) kijk, dan verdienen hun cursussen oneindig veel beter dan dergelijke absurde werkvoorwaarden. Het wetenschappelijk werk van deze mensen wordt over heel Europa gelezen en becommentarieerd, maar als je naar onderwijsomstandigheden kijkt, zijn ze er slechter aan toe dan Gent.




Inhoudelijk kan je niet beter zitten. Men behandelt de zaken die mij interesseren en geeft les zoals het hoort. Probeer je maar eens in te beelden dat je in Gent een cursus “De Oostenrijkse Monarchie, 1648-1740” kan volgen. Of een cursus “Hulpwetenschappen: internationale betrekkingen in de 16e eeuw”. Enkel voor de politieke geschiedenis van de vroegmoderne periode beschikt men hier over 5 professoren. Je kan in detail discussiëren over de Spaanse Successieoorlog, het geheime verdrag van Dover van 1670, het internationale recht in de 17de en 18de eeuw, de archiefbronnen in Vincennes of de Quai d’Orsay… Bovendien is het perfect mogelijk dat twee professoren over hetzelfde onderwerp recent belangrijke werken hebben gepubliceerd (bijvoorbeeld Bély en Chaline over Lodewijk XIV, of Tallon en Bély over de diplomatie in de moderne tijden), andere klemtonen leggen en je dit tot in de les kan observeren.



Een vermelding apart verdient de lesgever voor moderne Paleografie, Bruno Galland. De “président de la salle de communication” van de Archives Nationales geeft als gastprofessor twee uur per week arresten van het Parlement, brieven van François Ier, Cathérine de Médicis etc. aan de studenten, op de manier zoals we dat in Gent ook kennen, maar doet dat op een onvergelijkbare wijze. Hij strooit de hele tijd tips voor archiefonderzoek rond, ondervraagt studenten over parate kennis (“Kan er mij iemand Hesdin in het département du Nord situeren? Belangrijk voor de concours, dames en heren…”), maar geeft vooral met passie iets wat men doorgaans als “corvee” ervaart. Het is ongetwijfeld een restant van dezelfde rigide onderwijstraditie, maar het is al wat aangenamer om iemand lyrisch te zien worden over een streepje dat op briljante wijze onder de lijn springt.

Ik hoop dit land aan het einde van dit jaar te hebben begrepen, maar ik ben niet zeker of dat zal lukken…

Geen opmerkingen: