maandag, augustus 25, 2008

Clemenceau

Enige tijd terug berichtte ik op deze blog over een bezoek aan het Musée Clemenceau in het XVIe arrondissement in Parijs. Geprikkeld door de tentoon gestelde memorabilia (politieke affiches, foto's/schilderijen, kranten, boeken...) besloot ik wat meer te weten te willen komen over hem. Een vurig parlementair redenaar, leek dat nu net niet waar veel socialistische partijen op dit ogenblik echt behoefte aan hebben? Niet alleen bij sp.a, maar ook in de Franse PS is het bedroevend gesteld met de retorische capaciteiten van de parlementaire oppositiefracties (François Hollande en Christine Van Broeckhoven, lood om oud ijzer). Wat volgt is een persoonlijke visie na lectuur van het boek en de koppeling aan wat algemene, in basiscursussen verworven, inzichten over politiek, socialisme en de periode in kwestie. Ik pretendeer geenszins hierin een autoriteit te zijn en het is dus heel goed mogelijk dat ik de bal op bepaalde plaatsen missla.

Mijn kennis over Georges Clemenceau beperkte zich tot voor kort tot zijn internationale optreden: in 1919 leidde hij de vredesconferenties die uitmondden op het beruchte Verdrag van Versailles. De Franse eerste minister krijgt een belangrijk stuk van de verantwoordelijkheid toegewezen voor de bestraffende toon van het akkoord. Duitsland wordt niet uitgenodigd aan tafel en wordt door de nationalistische oude man zelfs niet als een gelijke gezien. Het is moreel verantwoordelijk voor de eerste wereldoorlog en moet betalen.

De volledige toedracht is genuanceerder. Wanneer Clemenceau eerste minister wordt in 1917, heeft hij de zeventig al lang gehaald. Hij is al meer dan vijftig jaar politiek actief. De reden waarom Michel Winock een biografie aan hem wijdt, is net zijn... links engagement. De figuur Clemenceau zo voor links, vandaag eens te meer op zoek naar de juiste oriëntatie, inspiratie moeten kunnen bieden. Waarom ? Net zoals Clemenceau omwille van zijn vermeende revanchisme extern werd afgeschreven als een bekrompen Franse nationalist, gebeurde dat intern omdat hij wel links was, maar niet meestapte in de radicaliserende Franse Socialistische Partij ten tijde van de stichting van de Communistische vakbond CGT (die tot op vandaag de grootste vakvereniging is en regelmatig het openbare leven platgooit, waarvan ondergetekende al meer dan eens de gevolgen aan den lijve heeft mogen ondervinden). Bovendien stuurde Clemenceau ook troepen naar het communistische Rusland (zonder al te veel succes evenwel, maar passons). Clemenceau stond lange tijd symbool voor mottenballenpolitiek.

Zijn politieke stroming, die van het radicaal links republicanisme, is in de feiten voorbijgestoken door het socialisme. Na verloop van tijd zijn de radicalen zelfs gesplitst in rechts-, centrum- en linksradicalen (zo vormt de PRG of Parti Radical de Gauche vandaag een alliantie met de Franse PS en claimt Jean-Louis Borloo, de Franse Michel Daerden, een radicale achtergrond. Nu het socialisme zelf regelmatig de hakken in het zand moet zetten om zich recht te houden tegen een veranderende omgeving, komen alternatieve uitwegen in beeld. Een ervan is die van het libertaire socialisme, dat individuele vrijheid terug wil opwaarderen. De meest mediatieke verschijning ervan was de lancering van Bertrand Delanoës platformtekst voor de eerste secretarisverkiezingen bij de PS in november. Een andere gekende figuur in deze stroming is de Econoom Jacques Généreux (Sciences Po), die ik dit jaar aan het werk hoorde op een vormingsbijeenkomst van de NPS (linkse vernieuwingsstroming in de PS).


De vraag is dan, waar Clemenceau precies voor stond. Gezien de lange activiteitsboog van deze politieke figuur buiten alle proportie, is ook dat weer niet eenvoudig. Tot aan zijn laatste ademtocht (24 november 1929, elf jaar na het einde van WOI!) blijft Clemenceau immers de wereld afreizen en de pen hanteren om politieke tegenstanders de haren in te vliegen. Michel Winock geeft hem vier dimensies: de radicaal linkse parlementair, die centrum-linkse regeringen kraakt vanuit de oppositie, de Dreyfusard, de stakingsbreker of premier flic de France eens hij zelf in de regering zit en tenslotte de leider van de natie in de eerste wereldoorlog.

Clemenceau begint zijn politieke carrière op de as van 1870: wanneer de Pruisen Parijs innemen en in de Spiegelzaal te Versailles het keizerrijk uitroepen, wordt Clemenceau burgemeester van het toenmalig linkse bolwerk Montmartre (op de electorale kaarten van Parijs kleurt deze zone vandaag overigens nog steeds rood). Hij raakt in het parlement verkozen via een kandidatuur in de Zuidelijke regio Var. In het Palais Bourbon (waar de Assemblée Nationale zetelt) valt hij zonder ophouen alle regeringen aan. Ook wanneer Jules Ferry, republikeins monument en de “uitvinder” van de gratis, openbare en verplichte lekenschool, de plak zwaait, gaat de Tijger er met de botte bijl door. In zijn krant L'Aurore en op de parlementaire tribune maakt Clemenceau gehakt van alles wat de regeringsleider doet. Hadden we vandaag een Clemenceau gehad, dan zat Yves Leterme al lang in dwangbuis in een instelling. Zijn toespraken verkopen in uitgegeven vorm als warme broodjes en trekken massaal volk op de publiekstribunes. De vele extracten in het boek van Michel Winock zijn een plezier om te lezen.

De Rooms-Katholieke Kerk is Clemenceaus favoriete doelwit. Vol vuur verdedigt hij de waarden van de Revolutie. Frankrijk is in de negentiende eeuw immers absoluut niet homogeen gewonnen voor de republiek. Je mag niet vergeten dat het volk Napoleon plebisciteert (meer dan in de nepverkiezingen die de voorgaande post-1789 regimes aan de macht brengen) en na de revolutie van 1848 zowaar de operettedictator Napoleon III aan de macht brengt. Er zijn nog genoeg monarchisten en katholieken over. M.i. Loopt deze tweedeling ook vandaag nog (uiteraard in gemuteerde vorm) door het land: er is een revolutionair, radicaal en links land (dat je op straat ziet komen bij stakingen en betogingen), maar evengoed een autoritair, reactionair en katholiek (niet: liberaal, maar gewoon conservatief). Deze laatste stroming zal ook niet nalaten zich te beroepen op symbolen van of analoge instellingen aan het Ancien Regime. Bij elke verkiezing is er een krachtmeting tussen de twee. De statuten van de instellingen vormen onvermijdelijk een consensus tussen beide stelsels. Zo zijn veel van de presidentiële regalia en voorrechten onder de vijfde Republiek treffende doorslagjes van monarchale tradities.

Een interessant détail in zijn politieke loopbaan is ook het militant anti-kolonialisme. De expedities van de derde republiek in Afrika zijn voor hem een reden om Ferry herhaaldelijk te kappitelen. Clemenceau vindt enerzijds dat Frankrijk zijn vitale veiligheidsbekommernissen uit het oog verliest (i.e. Duitsland, dat in 1870 met Elzas-Lotharingen is uitgebreid en elk moment naar Parijs kan rollen als een pletwals), maar ook dat de exploitatie van andere volkeren ver beneden de rang van de Republiek is.

De carrière van de volksvertegenwoordiger kent een serieuze dip wanneer hij niet meer herverkozen raakt. Zoals ook vandaag, zijn eind negentiende eeuw verraad, corruptie en het ten val brengen van de tegenstander de favoriete speeltjes van Franse politici. Hij wordt ervan beticht verkocht te zijn aan de Engelsen... en de joden. Clemenceau begint een nieuwe carrière als romancier en journalist, maar vindt in de zaak-Dreyfus een manier om terug in de spotlights te geraken. Hij oefent persoonlijk druk uit bij de directeur van L'Aurore om de beruchte J'Accuse van Emile Zola te publiceren en speelt met genoegen een hoofdrol in de oneindige reeks processen waarin het Franse militaire gerecht zich belachelijk maakt. Na jaren wordt de zaak-Dreyfus immers beslist op een onnozele gratie-beslissing van de president. Dat zegt veel over de onafhankelijkheid van de rechtelijke macht, nietwaar? In de zaak-Dreyfus komen ook weer de “twee Frankrijken” tegenover elkaar te staan. Hier met de belangrijke nuance dat links verenigd is in de strijd tegen het reactionaire, katholieke, monarchistische, racistische en jodenhatende stuk van de elite. Dreyfus is misschien onterecht veroordeeld voor verraad, maar hij is veroordeeld door een militaire rechtbank. Het leger heeft een bijzonder statuut als vitaal onderdeel van de natie (vergeet niet dat we in volle 1870-1914-periode zijn), dus kan het leger zich niet vergissen ! Befehl ist Befehl!

Zola wordt veroordeeld voor zijn uitdrukkelijke steun aan Dreyfus en de insinuatie van vervalsingen en machtsmisbruiken bij de legertop. Hij moet de benen nemen naar Engeland. Aan Clemenceau durft niemand echter komen. De zetelende regering is er een van republikeinen. En binnen afzienbare tijd duikt de Tijger terug op... in de Senaat, een instelling waarvan hij eerder met veel vuur de afschaffing bepleitte, omdat ze enkel voor tijdverlies zou zorgen. Het ambt maakt blijkbaar de man, want Clemenceau verandert radicaal van mening. Hij gebruikt nu het Palais du Luxembourg om zijn gevecht voor de laïciteit en sociale hervorming verder te zetten. Zo werkt hij met Aristide Briand (ook auteur van het Briand-Kellog-pact, maar later een fervent tegenstander van Clemenceau) aan de tot standkoming van de beruchte wet van 1905 op de scheiding van Kerk en Staat. Even later is het zijn beurt om eerste minister te worden (in de Derde Republiek heeft de president veel minder te zeggen dan vandaag, eerste minister is in de feiten de belangrijkste functie).


In deze nieuwe episode komt er een breuk tussen Clemenceau en de socialisten van Guesde en Jaurès. De eerste minister, die Binnenlandse Zaken onder zijn hoede heeft genomen, belooft de invoering van de achturendag en de algemene invoering van de inkomstenbelasting. Daar komt niets van in huis, omdat hij de hele tijd geplaagd wordt door stakingen. De anarchistisch gedomineerde vakbond CGT legt overal waar ze kan de mijnbassins plat. Clemenceau weigert preventief het leger te sturen (zoals zijn voorgangers zonder problemen zouden gedaan hebben), stapt zelf ter plaatse af om onderhandelingen op gang te brengen, maar is uiteindelijk verplicht om de zaak toch te laten ontruimen. Zonder dat er doden vallen, evenwel. Wanneer Clemenceau in de Assemblée wordt aangevallen door de socialisten, tovert hij met de glimlach een artikel van onze landgenoot Emile Vandervelde boven, die het Franse voorbeeld ophemelt tegenover het repressieve optreden van de Belgische (toentertijd homogeen katholiek gedomineerde) regering, die zonder pardon stakers omver knalt. In Frankrijk vloeit geen druppel bloed. Clemenceau wil de integratie van de sociale verzuchtingen in een republikeins kader en vindt daarin internationaal bij de Duitser Bernstein een medestander. De rechtsstaat is voor hem de absolute waarde. Enkel in een onpartijdige lekenstaat, waar de individuele vrijheid beschermd wordt, kan volgens hem tegemoet gekomen worden aan het lijden van de arbeidersklasse. Het is onzin, om zoals de anarchistische syndicalisten te wachten op de dag van de revolutie. Die komt er misschien ooit wel, maar het zal al veel te laat zijn !

Dat Clemenceau voor individuele, en niet collectieve vrijheid en emancipatie is, betekent overigens zeker niet (en daarin ligt volgens mij hét kapitale punt, dat hem relevant en actueel maakt) dat de staat machtsmisbruik moet tolereren (p. 218: "Qu'est-ce que votre laissez-faire, votre loi de l'offre et de la demande, sinon l'expression pure et simple de la force? Le droit prime la force: voilà le principe de la civilisation. Dès que nous avons constaté votre loi, à l'oeuvre contre la barbarie!"). Clemenceau gruwt van de dictatuur van de vrije markt. De wet van de markt is de wet van de sterkste. De wet van de sterkste, is de negatie van elke vorm van recht. En zonder recht sterft de samenleving. Het individu is deel van een sociaal korps, waarin het in een wederzijdse rechten- en plichtenrelatie opereert. Clemenceau kant zich tegen de commodificatie van menselijke waarden en essentiële sociale verbanden.

Helaas bevindt hij zich tussen twee vuren: enerzijds zijn sociale agenda die niet opschiet, anderzijds een onnozele en onredelijke houding van de vakbonden: “Pour Clemenceau, la tradition de l'Etat absolu, autoritaire, le catholicisme impérial, ont installé en France ce face-à-face incapable de dialogue. "Gouverner, c'est tendre, jusqu'à casser, tous les ressorts du pouvoir. Etre gouverné, c'est tout subir en silence, jusqu'au jour de la grande rébellion théâtrale.” (p. 220) Ik denk dat deze laatste zin zonder twijfel ook vandaag nog actueel is.


Na de val van zijn ministerie kruipt Clemenceau terug in de pen. De Eerste Wereldoorlog breekt uit en in Frankrijk hechten de socialisten zich uiteindelijk (net als in België en in Duitsland) aan bij de nationale consensus van de Union Sacrée. De staat van de publieke opinie is evenwel zodanig vergiftigd, dat de pacifistische Jean Jaurès in Parijs wordt doodgeschoten (zijn moordenaar, een rechts-nationalistische gek, zal na de oorlog worden vrijgesproken). Clemenceau is bij de eersten om het afscheid van zijn grote parlementaire tegenstander (die hem bestookte, zoals Clemenceau indertijd deed met Jules Ferry), te betreuren. President Poincaré (ook een republikein, maar voor de rest enkel wederzijdse minachting tussen beide heren) vraagt de oude Tijger om in de regering te komen, maar hij weigert. Clemenceau wil de baas zijn.

Vanuit zijn traditionele uitvalsbasis, de pers, bestookt hij de regering, wanneer hij ze te laks of niet patriottisch genoeg vindt. Hier komt dan weer de donkere kant van de politicus boven. Intern verdedigt hij de rechtsstaat, maar extern kan het hem eigenlijk de botten schelen. De voornaamste opdracht van een Fransman is om zoveel mogelijk “Moffen” (Les Boches) omver te schieten. Clemenceau wordt gedreven door blind revanchisme. Wanneer hij in 1917 eerste minister wordt, draagt de publieke opinie hem naar die functie. De situatie is allesbehalve rooskleurig (Lenin sluit de Vrede van Brest-Litovsk met de Duitsers, de Amerikaanse versterkingen komen te traag, de dikke Bertha's beschieten de stad vanop 140 kilometer, Luddendorff begint een groot offensief) en de eerste minister slaagt er zeker in om Frankrijk gemobiliseerd te houden. Maar tot welke prijs, uiteraard. Waar hij voor de oorlog het recht op een eerlijk proces zonder problemen verdedigde, draait hij nu zonder problemen politieke tegenstanders de gevangenis in, op beschuldiging van laksheid ten opzichte van pacifistische of ondermijnende propaganda. Michel Winock voert wel aan dat Clemenceau, in tegenstelling tot zijn voorgangers, enkel aan militaire en niet aan politieke censuur deed, maar dat vergoeilijkt m.i. Zeker niet de totale draai die hij in de eerste wereldoorlog neemt. Wanneer het nieuws van het Duitse voorstel voor een wapenstilstand hem bereikt, wil hij dan weer onmiddellijk aanvaarden en lijkt hij oprecht blij dat de oorlog is beëindigd... op een overwinning.

Het verhaal van de onderhandelingen neemt in het boek niet zoveel bladzijden in. Toch kan de biograaf niet verbloemen dat het verdrag van Versailles -voor wat Duitsland betreft- in de eerste plaats de doorslag is van Clemenceau's revanchisme. Men kan ter verdediging aanvoeren dat hij de Amerikaanse factuur van na de oorlog voelde komen (= terugbetaling eisen van de oorlogsleningen, terwijl Frankrijk financieel aan de grond zit, aangezien het als enige geallieerde de vijand vier jaar op eigen grondgebied heeft gehad), maar toch is het cynisme dat iemand met zijn hoge rechts- en waardenstandaarden aan de dag legt in de internationale betrekkingen, teleurstellend. Hij is geïrriteerd door het arrogante gebalk van Woodrow Wilson en zijn Volkenbond. Wanneer Duitsland er wordt opgenomen op initiatief van Briand, vindt Clemenceau dit een belediging voor de oorlogshelden. In 1917 vertelt Clemenceau vol trots het verhaal over boeren in de Vendée (zijn thuisstreek), die van hun zes zonen er vier hebben laten sneuvelen voor het vaderland, eentje hebben zien wegkwijnen als krijgsgevangene en hem zonder verpinken het leven van de zesde geven, als Frankrijk het nodig heeft. Zijn loyauteit gaat dus ook niet verder dan Frankrijk. Clemenceau betuigt her en der wel wat lippendienst aan een internationale rechtsorde, maar... hij vertrouwt Duitsland niet genoeg om iets dergelijks te aanvaarden.


Na de eerste wereldoorlog biedt Clemenceau het ontslag van het kabinet aan, evenwel niet na een paar belangrijke sociale hervormingen doorgevoerd te hebben: de achturendag (bedoeld om stakingen van de CGT te vermijden, maar Clemenceau had op dat punt toch al beter moeten weten...) en de inkomstenbelasting komen uit zijn tweede kabinet. Na zijn ontslag is hij kandidaat bij de presidentsverkiezingen, maar de republikeinse partij laat hem in de primary schieten ten voordele van een vrij onbetekenende tegenkandidaat. Clemenceau trekt zich terug op zijn Parijse en Vendéese residentie, en op zijn vrienden, zoals de schilder Claude Monet.

Hij maakt evenwel nog veel leuke buitenlandse tripjes (naar India, waar hij op Tijgers jaagt) en zit eigenlijk te wachten tot men hem in het buitenland vraagt om te spreken (schrijven doet hij, zoals zijn hele carrière door, onafgebroken). Uitnodigingen in Londen (waar hij Churchill bezoekt, maar weigert om de Britse eerste minister Lloyd George te zien; wanneer deze hem uiteindelijk zelf opvordert en vraagt naar de reden voor zijn koelheid, antwoordt Clemenceau dat de Britten Frankrijk hebben laten vallen, van zodra de vrede getekend was; antwoord Lloyd George: “Mon cher, tel a toujours été notre politique...”) en de Verenigde Staten brengen de ster (Clemenceau sprak zeer vlot Engels, wat een verschil met Sarkozy !) naar nieuw publiek. In de VS probeert Clemenceau de logica van de Franse opstelling bij de Vrede te verklaren. De Amerikanen kennen niet genoeg Europese geschiedenis en krijgen best nog wat verhalen over vreemde invasies ingepeperd...

Dezelfde Amerikanen hebben Clemenceau anders genoeg in zijn hemd gezet met Versailles: de Senaat weigert het verdrag te ratificeren en uiteindelijk sluiten ze zelfs apart vrede met Duitsland, wat Clemenceau tijdens de gesprekken op de Quai d'Orsay altijd als zijn ergste nachtmerrie heeft gezien. Wanneer de nieuwe Amerikaanse president Calvin Coolidge een aantal jaar later van de Fransen terugbetaling eist van de oorlogsleningen, schrijft Clemenceau hem nog een brief, om hem duidelijk te maken dat internationale betrekkingen geen “business” zijn, maar dat er toch wel meer zaken in het spel zijn. Hij krijgt nooit een antwoord. Voor de Amerikanen oefent hij geen officiële functie meer uit.


Conclusie: Clemenceau is inderdaad een interessante figuur om aanknopingspunten te vinden voor een linkse heroriëntatie. Het radicaal verdedigen van de rechtsstaat, de bescherming die ze biedt en de mogelijkheden die ze individuen aanreikt om hun lot te verbeteren of hun recht te laten gelden tegen het machtsmisbruik dat grote ondernemingen, sociale groeperingen of de overheid jegens hen kunnen doen gelden, is een valabel actieprogramma. Het is de leidraad van Karel van Mierts passage op Concurrentiebeleid in de Europese Commissie: het indammen van de vrije markt hoeft niet noodzakelijk te gebeuren op de klassieke, economische basis, maar kan evengoed door een consequent vrijheids- en juridisch discours te voeren.

Bovendien is de figuur van de onophoudelijk schrijvende, sprekende en agerende politicus een indrukwekkende bron van inspiratie. Als je je zoals Clemenceau tot op je achtentachtigste kunt blijven opwinden over politiek -en ook steeds je eigen interessesfeer kan verleggen, zoals met zijn oriëntale en andere passies toen hij de tachtig al voorbij was- ben je erin geslaagd op leeftijd te komen zonder oud te worden. Had Clemenceau het internet gekend, dan was zijn productie misschien nog indrukwekkender geweest. In dat opzicht is het vandaag ook een stuk eenvoudiger om hetzelfde te doen: de publicatiebronnen zijn vandaag zodanig divers en de materiële drempels zodanig laag (in de negentiende eeuw moet je zelf geld bijeen scharrelen voor een krant, die niet noodzakelijk een hoge oplage haalt) dat het geen moeite kost om een stroom van persoonlijke opinies in leven te houden.

Winock ziet in het optreden van Clemenceau, ondanks de veranderingen die een mens ondergaat in 88 levensjaren, toch een consequent vasthouden aan zijn republikeinse ideaal. Bovendien vindt de biograaf dat je Clemenceau de opkomst van Hitler niet in de schoenen kan schuiven, onder meer door de veranderde opstelling van de Amerikaanse regering en het verloop in het politieke personeel eens de Tijger weg is van de macht. Ongetwijfeld zijn analyse niet echt precies en laat ze nog steeds ruimte voor de andere stellingen (namelijk: Clemenceau heeft zich door zijn drang naar een uitvoerend mandaat zodanig dicht aangeschurkt bij de burgerlijke staat, dat hij er zelf deel van is gaan uitmaken, om uiteindelijk de nieuwe radicale linkerzijde te vervolgen; Clemenceau is op het einde van zijn leven gewoon een rancuneuze Franse ultranationalist, die zelf niet veel betekenisvol heeft bijgedragen aan het beëindigen van de eerste wereldoorlog en verantwoordelijkheid draagt voor het later uitbarsten van de tweede), maar dat is nu eenmaal altijd het lot van biografieën.

Tenzij het personage er zelf vrij vroeg het bijltje bij neer gelegd heeft, ondergaat het altijd een psychologische evolutie. Lodewijk XIV is op zijn zeventigste helemaal niet dezelfde als op zijn 23ste. Frederik II de Grote is op het einde van zijn leven een personage waar zijn jeugdige zelf zwaar mee in conflict zou verkeren. Je kan dat proberen verklaren door de invloed van figuren uit het gevoelsleven (wat in deze biografie eigenlijk niet gedaan wordt, Clemenceau is een puur door politiek gedreven wezen, pas in het voorlaatste hoofdstuk wordt erop teruggekomen, onlangs bracht Max Gallo een biografie van Lodewijk XIV uit die dan weer veel te veel op deze kant speelt), door de evoluerende algemene context, maar bij personen die zélf die context vormgeven, is dat moeilijker.

Clemenceau komt eigenlijk pas op het einde van zijn leven voluit in een leidinggevende rol. Voor hij eerste minister wordt, hebben zijn opiniërende activiteiten natuurlijk wel een belangrijke invloed op de voornaamste actoren, maar is hij toch vooral een blaffende hond die af en toe eens bijt. Wanneer hij de kans krijgt om zijn links-republikeinse idealen om te zetten in beleid, lukt dat niet. Het voorbeeld van de CGT-stakingen en de trage parlementaire werking is al gegeven, maar dit kan evengoed anders bekeken worden voor zijn houding tijdens de oorlog. Is Clemenceau, ondanks zijn voor een man van zijn leeftijd uitzonderlijke vitaliteit, niet het slachtoffer van zijn eigen leeftijd? Hij wordt beschreven als een zeer autoritair en hautain debater. Hij scheldt zonder problemen tegenstrevers de huid vol (wat voor een politicus nu niet echt uitzonderlijk is) en behandelt ze als imbecielen. Je kan argumenteren dat de oorlogstoestand nu eenmaal noodzaakt om te wieden in politieke en andere afwegingen en hij verplicht is om een duidelijke manier van handelen aan te geven. Maar verengt Clemenceaus bewustzijn zich niet? Zijn reactie op de stakingen in 1907 is logisch en houdt vast aan dezelfde principes van de rechtsstaat. In de crisissituatie van de eerste wereldoorlog vind ik echter dat hij zijn progressieve idealen aan de kant schuift. Hij aanziet zijn autoritair reageren misschien als een tijdelijk carcan op het ogenblik zelf, maar ook na de oorlog blijft hij verder denken in dezelfde richting: Frankrijk, de natie, Duitsland is fundamenteel slecht... Hier is Clemenceau veranderd. Ook al omdat de politieke evolutie in Frankrijk maakt dat het links-republicanisme wordt voorbijgestoken door nieuwe krachten op links. In België had Clemenceau zeker tot de BWP behoord (linkse burgerij, virulent antiklerikaal, geen plaats in de grote rechtse lekenpartij), maar wat hadden we in België gehad met een dergelijke stroming, voorafgaand aan het socialisme ? In Frankrijk steken de SFIO (Section Française de l'Internationale Ouvrière) en aanhangsels pas na de eerste wereldoorlog de radicalen voorbij. Ook al omdat het nationale bewustzijn, dat de radicalen verdedigen, in Frankrijk samenhangt met de republiek en het concept lekenstaat. In België bestaat dit soort nationalisme niet echt, tenzij misschien in de liberale partij (voor wat het lekenaspect betreft), maar daar gaat het niet bepaald gepaard met dezelfde sociaal reformistische opvattingen.

Geen opmerkingen: