maandag, maart 16, 2009

Tekst OSGG



Op vraag van een paar ongelukkigen die er niet bij konden zijn, volgt hier de tekst van mijn korte interventie op de OSGG-studiedag van zaterdag in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taalkunde in Gent, n.a.v. de uitreiking van de André Schaepdrijverprijs afgelopen zaterdag.

Dames en heren, geachte bestuursleden en erebestuursleden van het OSGG,

Waarom in 2008 nog een masterproef schrijven over twee militaire campagnes van Lodewijk XIV en een paar obscure onderhandelingen, die zelfs in duizenden pagina’s tellende turven over de Spaanse Successieoorlog geen vermelding worden waard geacht? Dat is de vraag die ik vorig jaar op het gezicht van ongeveer al mijn kennissen kon aflezen.

Ik was er van bij het begin van mijn onderzoek –en uiteraard nog veel meer aan het einde- evenwel van overtuigd dat dergelijke reacties –hoewel ze begrijpelijk zijn- een zekere intellectuele bekrompenheid vertonen. Historici moeten verder kijken dan de “Idées reçues”. Het is niet omdat een probleem behandeld is door stoffige auteurs, dat het op zich ook stoffig hoeft te zijn. Mijn masterproef heeft me in staat gesteld om twee dingen te doen, die in dat verband fundamenteel zijn: 1) het beschikbare primaire bronnenmateriaal, uiteindelijk de basis van elk onderzoek, uitbreiden 2) de kolossale “communauté de savoir” van rechtsgeschiedenis, militaire theorie, Franse geopolitiek, tot antropologische en culturele studies inzetten om de interpretatie van dat alles om te gooien.

Waarover gaat mijn onderzoek? Het zou intellectueel oneerlijk zijn niet te vermelden dat het de onrechtstreekse uitloper is van een humaniora-eindwerk over de Slag bij Oudenaarde –u sinds vorig jaar intussen welbekend-. Zoals wel vaker met internationaal belangwekkende gebeurtenissen, was het mij snel duidelijk dat ik me moest richten op pan-Europese netwerken en interne rivaliteiten in alle legers en niét het noodzakelijk op het gemanoeuvreer op het terrein, dat ook voor de tijdgenoten niet duidelijk was. Op die manier leek het me een evidentie om te kijken naar wat het verschil maakt tussen een campagne vol glorieuze gebeurtenissen, zoals die van 1708, waar de Slag bij Oudenaarde, de val van Gent en Brugge en het beleg van Rijsel Europees “breaking news” zijn, en het voorgaande jaar, 1707, waar de meeste auteurs het in het beste geval spreken over “Frustration in Flanders.” Bovendien werd mijn aandacht getrokken door de publicaties van de nieuwe school in de Franse diplomatieke geschiedenis rond Lucien Bély (Paris IV-Sorbonne), waarbij ik het geluk had vorig jaar les te volgen. Werd het niet eens tijd om te kijken naar de diplomatie als verwaarloosd instrument van Lodewijk XIV’s stratégie de gloire ?

I. Militair
Om een ontsporing in het feitenrelaas, die ons zou kunnen doen wegzinken in het moeras van de militaire correspondentie in Vincennes, te vermijden, vond ik het vitaal om twee interpretatielijnen te onderscheiden. Enerzijds die van de indirecte strategische benadering, die veldslagen als niet-decisief beschouwt en hen ziet als openingszetten op het diplomatieke schaakbord, in tegenstelling tot het “beslissende veldslag”-paradigma, dat in de Napoleontische oorlogen zijn opgang maakte (ik heb het dan uiteraard niet over de intelligente verdediging van Clausewitz door Raymond Aron). Anderzijds die van het leger als politieke kosmos. Voortbouwend op de terechte accenten die Guy Rowlands (Cambridge) legt op de interne verdeeldheid van het zogenaamde absolutisme onder Lodewijk XIV, besloot ik om de frequent tegenstrijdige verklaringen van de Franse bevelhebbers, de hertog van Bourgondië en de hertog van Vendôme, door de bril van de sociale netwerkanalyse te bekijken. Het zou verkeerd zijn om de bureaux van het secretariaat van oorlog te zien als “la naissance de l’état moderne”, zoals de oude these van André Corvisier grosso modo aangaf, of als een eenvoudige top-downstructuur.

Eens we in de campagnes belanden, blijken deze twee invalshoeken valabel om een aantal gevestigde waarden in de historiografie onder vuur te nemen. Zoals ik vermoedde, blijkt de campagne van 1707 eigenlijk veel representatiever voor de rest van de Spaanse Successieoorlog. De Franse generale staf, die in Versailles draait op de uitgebreide geografische memoranda van de markies van Chamlay, redeneert in de eerste plaats in statische en indirecte termen. Het afsnijden van een bevoorradingslijn of het opleggen van contributie is een veel frequentere zorg dan het uitlokken van een confrontatie: naar het voorbeeld van Vauban, is l’intelligence du territoire, in het bijzonder voor de Zuidelijke Nederlanden, veel fundamenteler dan een frontale clash tussen legers.

Dat blijft in 1708 eigenlijk gewoon zo. Grote slagen als Oudenaarde zijn immers allesbehalve beslissend. Geholpen door een sterk Zuid-Nederlands netwerk, met de graaf van Bergeyck als spilfiguur, manoeuvreert het Franse leger handig door België. Als het misloopt, is dat eerder te wijten aan politieke rivaliteiten tussen de clans rond Bourgogne (met Fénelon en Saint-Simon aan het hof) en Vendôme (die erin slaagt om de publieke opinie in Parijs te mobiliseren tegen de blunders van de jonge prins). Als een veldslag of belegering hun belang hebben,is dat in de eerste plaats voor de interne reputatie van de veldheer (Marlborough/Eugenius van Savoye) in kwestie.

II. Diplomatie
Het is een risico om de helft van dit werk wijden aan diplomatie. Door een positivistische bril bekeken gebeurt er niets tussen 1707 en 1708, bij gebrek aan formele bilaterale akkoorden tussen de strijdende partijen. Desondanks is de Spaanse Successie een door en door juridisch conflict, dat een structurele oppositie brengt tussen de oude normen van de Société des Princes en de het pragmatisch-politieke organiserende machtsevenwicht, dat met hegemonie als anti-norm het cement vormt voor een statengemeenschap, eerder dan een club van vorsten.

Dit klinkt misschien wat vaag, maar kan het beste geïllustreerd worden aan de hand van de documenten die de Oorlog omkaderen. Op 2 november 1700 overlijdt Karel II van Spanje, laatste Habsburger. In zijn testament laat hij al zijn gebieden over aan een kleinzoon van Lodewijk XIV, wat uiteraard een grote Europese oorlog ontketent. Dit op basis van een huwelijkscontract uit 1659 tussen Lodewijk XIV en Maria Theresia, de halfzus van Karel. De tegenpartij haalt zijn aanspraken uit het testament van Karels vader, Filips IV, en uit de verzaking van de Franse koningin bij haar huwelijk.

Hoe eindigt de oorlog? Als een koop/verkoop op een beestenmarkt, tussen de Tory-politicus Henry St-John, Lord Bolingbroke en Colbert de Torcy, Lodewijks secretaris van buitenlandse zaken. Op basis waarvan? Engeland laat Oostenrijk vallen, omdat een vereniging van de Madrileense en Weense bezittingen dreigt. En omdat Frankrijk commerciële toegevingen doet aan de Engelse handel, ten koste van de Holandse bondgenoot.

Wat dan met de testamenten en huwelijkscontracten? Prinsen en koningen worden vriendelijk verzocht de fictie aan te passen aan de realiteit. Filips V van Spanje verzaakt aan zijn nochtans constitutioneel onbeschikbare rechten op de Franse kroon, Filips van Orléans en Karel van Berry aan de hunne op de Spaanse. Dàt is de revolutie van de Spaanse Successieoorlog en dààrom is er hier accélération de l’histoire, om Jean-Noël Jeanneney te parafraseren. Op deze basis kent Europa een nieuw evenwicht, dat het ongeschonden uithoudt tot in 1740, en met een beetje goede wil, tot aan de Franse Revolutie. Zowel op de korte, middellange als de lange termijn verandert de Successieoorlog de politieke zeden. Ik had in dat kader graag met u stilgestaan bij het belang van de oorlog voor de emancipatie van het internationaal publiekrecht als rechtstak, maar vrees dat dat op de receptie zal moeten gebeuren.

De onderhandelingen van de winter 1707-1708 in Den Haag vormen hiervan de perfecte illustratie. Nicolas Mesnager, koopman uit Rouen en omwille van die expertise onderhandelaar van het nieuwe handelsreglement voor de Spaanse kolonies in 1707, wordt door Torcy op geheime missie gestuurd, handig in scène gezet door Arent van Wassenaer, heer van Duivenvoorde, die zijn dokter Jean-Claude-Adrien Helvétius, uiteraard in werkelijkheid een Franse agent, verzoekt om hem dringend te verlossen van een medische kwaal. Terwijl het leger van Vendôme terugkeert naar zijn winterkampen tussen Duinkerken en Doornik, vertrekt Mesnager naar het Noorden, vermomd als de paardenkoopman Le Feron, met een paspoort van de Staten-Generaal.

Wat u goed in het achterhoofd moet houden, is dat Europa in 1707 evengoed had kunnen ophouden met de oorlog, als in 1713. Lodewijk XIV is Vlaanderen en Brabant kwijtgespeeld, maar houdt de ijzeren gordel van Vauban, die Parijs van het Noorden afgrendelt. Zijn kleinzoon heerst in Spanje, Italië is in handen van de Habsburgers. De voorwaarden voor een akkoord zijn aanwezig! Frankrijk zoekt in de eerste plaats toenadering tot Den Haag, omdat de Republiek, voiturier de l’Europe, financieel en economisch het meeste te lijden heeft bij de aanslepende oorlog.

Eens hij in Den haag is, laat Mesnager de krenterige en bekrompen kaashandelaars alle hoeken van de kamer zien. Hij bestookt Torcy met gestructureerde en rationele memoranda, waaruit heel duidelijk blijkt dat de successiekwestie niet meteen de enige doorslaggevende factor is. Mesnager stelt een ontwerp van bilateraal handelsakkoord op, stelt een statuut of vier voor de Zuidelijke Nederlanden voor, maar voelt dat zijn partners geen vol mandaat hebben. Achter de schermen trekken de fanatieke Amsterdamse pensionaris Willem Buys en zijn kliek aan de touwtjes. Na drie maand schaduwtheater wordt Mesnager uiteindelijk ontvangen bij Hollands raadspensionaris Heinsius, maar meer dan een vermelding dat hij op de hoogte is van een interne ruzie in Versailles over zijn zogezegd geheime missie, krijgt hij niet te horen.

Deze prima facie niet interessante gebeurtenis dekt meerdere ladingen: 1) de verandering in het Franse diplomatieke personeel, waar een categorie “professionals van de onderhandelingen” een aparte legitimiteit krijgt (denk ook aan het idee van Torcy om een “Académie politique”, of een Sciences Po avant la lettre op te richten) 2) de band tussen commerciële en politieke akkoorden 3) het gewicht van binnenlandse politieke determinanten. Uiteindelijk zal de piste van Mesnager de juiste blijken voor de Nederlanders, die door de Engelsen zullen worden gedumpt. Terwijl er in Den Haag wordt gepalaverd, heeft Lodewijk XIV ook informanten in Londen. Onder de pseudoniemen Guénin en Vasseur, komt een voortdurende stroom aan teksten over de staat van de publieke opinie, die al de basis legt voor de gesprekken die in 1711 tot het Engelse verraad zullen leiden.

Conclusie
Als ik erin geslaagd ben om op vrij kort bestek deze zeer omvangrijke series door te geraken, dan heeft dat in de eerste plaats te maken met de kans die ik gekregen heb om mijn masterjaar in Parijs door te brengen. Niet alleen de bronnen, maar ook het contact met een zeer rijke intellectuele traditie, die toch wel sterk verschilt van de Gentse, hebben ervoor gezorgd dat ik iets vernieuwend kon doen met een conflict dat tot de meest becommentarieerde uit de vroegmoderne tijd behoort. Ik denk dat ik in dat verband de examencommissie Geschiedenis voor het aanvaarden van een derogatie, en uiteraard mijn promotor, die een dergelijk onderwerp wenste te aanvaarden, niet genoeg kan danken.

Geen opmerkingen: