zaterdag, april 18, 2009

Europese verkiezingen (2)

De opmerking over de voorkeurstemmen van Happart in 1984 in De Standaard van vandaag (234.996) vormt de gelegenheid om eens terug te kijken op het type politici en de "bizarre" uitslagen van de Europese verkiezingen in België. De rechtstreekse verkiezing van de Europese parlementsleden is lang een heet hangijzer geweest in de EEG. Tussen de start van de gemeenschappen en 1979 zetelde een "parlementaire vergadering", met figuren uit het nationale parlement van elke lidstaat. Frankrijk stuurde bijvoorbeeld disproportioneel veel UNR-parlementsleden (gaullistische partij) en geen enkele communist.

Veel democratische legitimiteit ging er niet van uit. Vandaar ook het verzet van de Gaulle tegen budgettaire bevoegdheden voor de assemblée, die hij er er min of meer van verdacht onder een hoedje te spelen met de "technocratische aeropaag" van de Commissie. Pas wanneer Valéry Giscard d'Estaing en Helmut Schmidt het dossier vooruitduwen, komt er een consensus over "Europese" verkiezingen. Het ideale zou natuurlijk zijn dat voor de hele Gemeenschap/Unie dezelfde lijsten worden neergelegd. Het Europees parlement moet immers de burgers van de Unie vertegenwoordigen, niet de lidstaten apart (dat was ook een van de redenen waarom de Gaulle bijvoorbeeld een Europees referendum wél genegen was en het aanzag als een van de enige manieren om de democratische legitimiteit van soevereine natiestaten te overstijgen).



Het compromis dat de Raad in 1976 bereikt, gaat uit van de rechtstreekse verkiezing, maar per lidstaat. Elke lidstaat is zo vrij om het kiesstelsel te bepalen. In Frankrijk komt er 1 kiesomschrijving voor het hele grondgebied (na een bijzonder vreemde beslissing van de Conseil constitutionnel, als zou de eenheid van het nationale grondgebied eraan in de weg staan dat er regionale kiesomschrijvingen worden ingevoerd voor de Europese verkiezingen), in België komen er grote kiescolleges per gemeenschap. In 1979 verlopen de kamerverkiezingen nog via de "oude" arrondissementen, met provinciale apparentering (Aalst, Oudenaarde, Mechelen... pas in 1991 worden die samengevoegd tot Aalst-Oudenaarde, Mechelen-Turnhout, Veurne-Ieper-Diksmuide-Oostende etc).

Eigenlijk lag hier al een kans om een federale kieskring in te voeren, voor het hele land. Een van de argumenten, in het federale kieskringdebat soms wat terzijde gelaten, is dat het numerieke overwicht van de Vlamingen veel sterker speelt in een unieke kiesomschrijving. De verkiezingsuitslag van 1979 geeft al een indicatie in de richting van de voornaamste angst van de Franstalige partijen.

I. De Europese verkiezingen als Federale tussensprint
De eerste editie wordt namelijk met verpletterend overwicht gewonnen door de CVP, die in het Nederlandstalig kiescollege 48,09% van de stemmen haalt en direct 7 MEP's afvaardigt. Ex-premier Tindemans (door partijgenoot Martens gewipt als premier, vervolgens zelf op het schild gekropen als partijvoorzitter) atomiseert de anderen. Hij haalt 983.600 voorkeurstemmen. Met het Franstalig kiescollege erbij had hij gemakkelijk dik over het miljoen stemmen gezeten.

De Europese verkiezingen gaan verder dezelfde rol spelen: stoorzender tussen de kamerverkiezingen in. In 1979 is er immers nog geen sprake van (een rechtstreekse verkiezing van) de deelstaatparlementen. 1984 en 1989 komen tussen de verkiezingen van 1981, 1985, 1987 en 1991. In de verkiezingen van '84, die de regering Martens-Gol sanctioneren, doet de SP met Karel Van Miert het zeer goed. 28% en 496.063 stemmen voor de lijsttrekker (160.000 meer dan Tindemans), 4 MEP's en dus even groot als de CVP. Ene Karel De Gucht haalt 94.496 stemmen voor de PVV en raakt verkozen.

Vijf jaar later maakt de SP deel uit van de regering Martens, mét socialisten. Partijvoorzitter Van Miert staat niet meer op de lijst. Gevolg: 8% verlies en opnieuw 14% achter de CVP, waar de onverslijtbare Tindemans weer 433.172 stemmen haalt. 1989 is ook de verkiezing waarbij het Vlaams Blok direct 1 zetel haalt. Naast de SP verliest ook de VU (van 14 naar 8%). Paul Staes blijft voor agalev in het Europees parlement (12%, 7% in 1984).

In Wallonië gaat het anders: de PS gaat van 34 naar 38% (met opnieuw Happart als lijsttrekker, vergezeld door een zekere Anne-Marie Lizin) en haalt 5 zetels. De PRL van de Donnéa glijdt 5% naar beneden, het FDF zakt onder de 5%.

In 1994 worden de Europese verkiezingen gezien als een test voor Verhofdstadts nieuwe VLD, die de CVP naar de kroon moet steken. Ondanks een in de opiniepeilingen voorspelde 30%, is de landing hard: amper 2% vooruit, tot 18%. CVP-oudjes Martens (186.410) en Tindemans (208.000) houden het verlies beperkt tot 5% en 1 zetel, om de grootste te blijven. Het Blok verdubbelt van 6 naar 12%, agalev houdt merkwaardig genoeg de goede score vast (10,73%).

II. 1999 en daarna: het broertje van de Vlaamse verkiezingen
Bij het Sint-Michielsakkoord wordt de onzalige beslissing genomen om de gewest- en federale verkiezingen los te koppelen. Op zoek naar een eigen invulling voor de "Gewest- en Gemeenschapsraden" komen drie vernieuwingen t.o.v. het functioneren van de kamer:
- de raden worden legislatuurparlementen: de val van de regering kan de verkozenen niet naar de kiezer sturen
- de gewest- en gemeenschapsregeringen kunnen enkel sneuvelen bij een constructieve motie van wantrouwen: maatregel die gekopieerd is van het Duitse Grondgesetz uit 1949 (daar indertijd ingevoerd als tegengif voor de instabiele Weimarperiode)
- de verkiezing van de gewestraden en de raad van de Duitstalige gemeenschap (< campagne =""> het is duidelijk uit de voorgaande uitslagen, dat de verkiezingen tussen 1979 en 1994 min of meer "personality"-wedstrijden zijn; enige uitzondering is de uitslag van agalev, die consistent hoger ligt dan die in de kamer (7% <=> 10/11%); partijen zullen meer moeite doen om campagne te voeren <> 1994/1995: EP en Senaat apart) die het hele kiescollege bestrijken. Probleem: die grote kieskringen zijn eigenlijk geschapen om "het" boegbeeld van een grote partij naar voor te schuiven. Maar: er kunnen geen twee hanen in het zelfde hok zitten, de campagne zal worden opgehangen aan 1 boegbeeld per partij. Gevolg: de lijsttrekker voor Europa is de tweede keuze.

In 1999 trekt Vandenbroucke bij de SP (na een sabbatical in Oxford en Cambridge, niet te vergelijken met de situatie vandaag, 190.314, normaal zou hij nu wel meer moeten halen) Europa, terwijl Tobback de Senaat doet (zij het ook wel als noodoplossing, gezien de penibele situatie destijds, 265.088). Bij de CVP staat Dehaene op de Senaat (562.000) en Miet Smet op Europa (212.232). De VLD zet Verhofstadt (376.082) & Verwilghen (419.130) in de Senaat en Annemie Neyts in Europa (203.386). De SP landt in Europa net iets lager dan voor de Senaat (14% <=> 15%), agalev net iets hoger (bijna 12%<=>11%), VLD en CVP halen net hetzelfde resultaat.

In 2004 is het dan weer helemaal anders: de verkozenen van 1999 hebben in 2003 het veld geruimd in het Federale parlement, maar voor het Vlaams Parlement zijn ze aan hun herverkiezing toe. Het Vlaams Parlement wordt verkozen per provincie (< weg =""> de uitslagen lopen aan de hand van die van de andere verkiezingen; partijen kunnen in Europa niet op een anti-regeringsbonus rekenen, die er vroeger (1984) wel was (<=> Frankrijk: nog altijd het geval, cf. Europese verkiezingen 2004: PS haalt boven de 30% vanuit de oppositie)
4) Ander gevolg: wie de lijst trekt (Dehaene, Verhofstadt) heeft een minder grote impact dan voor het samenlopen van de verkiezingen (Tindemans, Van Miert: opmerkelijke fluctuaties)

Geen opmerkingen: