zaterdag, april 25, 2009

Leve Luc Huyse

Een van Belgiës meest interessante intellectuelen. Mooi stuk in De Standaard vandaag


NAAR EEN MEER REALISTISCHE VISIE OP POLITIEK — In de aanloop naar de Vlaamse en Europese verkiezingen van 7 juni zal weer geregeld gesproken worden over kiezersbedrog. Luc Huyse zet enkele varianten op een rijtje. 'De burger die De Wevers afrit (richting pechstrook?) neemt, wordt op een flagrante manier bedrogen.'
Deze krant heeft al langer van de strijd tegen het kiezersbedrog een punt van eer gemaakt. Want de democratie is geen speeltje, liet de hoofdredacteur enige tijd geleden weten. Het past volgens hem niet dat politici op meer dan één lijst staan en de kiezer niet vertellen welk mandaat zij zullen opnemen. Zoals het ook niet kan dat zij tijdens de rit voortdurend van zitje veranderen. Peter Vandermeersch beschreef onlangs zo'n merkwaardige slingergang: 'In 2003 verkozen als federaal volksvertegenwoordiger, kandideerde Leterme in 2004 op de CD&V/N-VA-lijst voor de Vlaamse verkiezingen. Het vierjarige mandaat dat hij van de kiezer gekregen had, heeft hij toen dus maar voor een vierde 'ten volle ingevuld'. In mei 2007, halverwege zijn Vlaams mandaat, hield hij het alweer voor bekeken en maakte hij bekend dat hij de senaatslijst zou trekken bij de federale verkiezingen van een maand later.' (Ondertussen is bekend dat diezelfde senator op 7 juni kandideert voor een plaats in het Vlaams parlement.) De krant is boos, erg boos. Vandermeersch: 'Ook nu weer zullen we oproepen om niet te stemmen voor mensen die op verschillende lijsten staan en op federale parlementsleden die na twee jaar hun federaal mandaat blijkbaar willen verzaken en op Vlaamse en Europese lijsten willen staan.'

Die ergernis is terecht. Maar, wat brengt toppolitici ertoe zo te zigzaggen? En is dat de enige gedaante waarin kiezersbedrog verschijnt?

Recente kieshervormingen hebben het gewicht van de voorkeurstem sterk verhoogd. Dat komt omdat de overdracht van lijststemmen naar de individuele kandidaten aan banden is gelegd. Vroeger kon wie op een zogeheten verkiesbare plaats stond zijn of haar stemmen aandikken met grote brokken uit de pot van de kopstemmen en zo verkozen worden. Voor alle anderen kwam de drempel dan wel heel hoog te liggen. Tussen 1919 en 1999 is bij de verkiezingen voor de Kamer aan 5.019 mannen en vrouwen een mandaat gegeven. Slechts 30 daarvan (of 0,6 procent) waren erin geslaagd dankzij hun voorkeurstemmen de volgorde te doorbreken. (Ik pluk deze en volgende cijfers uit een boeiend artikel van Bram Wauters en Karolien Weekers dat in het jaarboek 2007 van Res Publica is verschenen.) Sinds 2003 is nog slechts 50 procent van de lijststemmen overdraagbaar. Het effect daarvan is spectaculair. Bij de federale verkiezingen van 2007 zijn 150 Kamerleden verkozen. Zeventien, van wie vijftien lijstduwers, hebben de rangorde doorbroken. Dat is iets meer dan 11 procent. Enkele namen? Kris Peeters, Patrick Janssens, Herman De Croo, Charles Piqué ... Lokvogels dus. Van die zeventien succesvolle hinkstapspringers hebben er tien hun mandaat niet opgenomen. Zij zijn meteen vervangen door de eerste opvolger. Zo ontstaat het kiezersbedrog dat deze krant niet lust.

De promotie van de voorkeurstem, ingevoerd door de eerste regering Verhofstadt, is aangekondigd als een cadeau aan de kiezers. De macht van de partijbonzen, die altijd al beslisten wie vooraan mocht staan, zou nu aangetast worden. Het is anders gelopen. De nieuwe vrijheid van de kiezer is grotendeels schijn. De rangorde, door de partijen opgesteld, bepaalt nog in 90 procent van de gevallen wie een zitje verwerft. En van de rest gaat meer dan de helft naar de onbekende man of vrouw die door de partijleiding, jawel, als eerste opvolger is aangeduid.

Het lokken van kiezers met kandidaten die hoog scoren op een of andere hitlijst is al langer bezig. De opwaardering van de voorkeurstem heeft die trend een stevige push gegeven. Maar ook de media werken die ontwikkeling in de hand. Het hele jaar door laten zij heel veel licht op de persoon van de politicus vallen. In periodes met verkiezingskoorts neemt die fixatie nog toe. Het is te merken aan de ruimte in de krant en aan de zendtijd op radio en televisie. Een maand geleden was, bij de VRT, Jean-Marie Dedecker in één week tijd te zien en te horen op het nieuws, in Terzake, in De keien van de Wetstraat, in De Zevende Dag en in Phara. ('Laat ons nog eens een Dedecker of een Dewinter doen', is een uitdrukking die naar het schijnt in de redactielokalen daar circuleert.) Soms zit het ook in het taalgebruik. Men maakt van de kiesstrijd een kamp tussen twee of drie toppolitici. Er is dan sprake van een clash der titanen of van kanseliersverkiezingen. De Standaard gebruikte die lawaaiwoorden tienmaal in 2003, achtmaal in 2004 en elfmaal in 2007. Men gaat er blijkbaar van uit dat dit lezers, luisteraars en kijkers aantrekt. Een politieke partij zou gek zijn als zij van die media-aandacht voor sommige van haar renpaarden geen gebruik zou maken. Dus worden zij voor twee of meer gelijktijdige verkiezingen ingezet. Kiezersbedrog heeft bijgevolg meerdere vaders.

Het lijkt me trouwens nuttig om nog andere varianten van kiezersbedrog in het debat op te nemen. Ik zie er minstens twee. Partijen, gejaagd door de campagnewind, laten zich gemakkelijk verleiden om gulle beloften te doen. Er zijn de gebruikelijke slogans. Geen nieuwe belastingen! Of: Verhoging van de sociale uitkeringen! Het zijn programmapunten die, zelfs bij regeringsdeelname, nog voldoende ruimte laten iets daarvan te realiseren. Dat is geen kiezersbedrog. Anders is het als een campagne-eed absoluut niet te honoreren is. Als de CD&V in de aanloop naar de federale verkiezingen van 2007 beweert met vijf minuten politieke moed BHV te zullen splitsen, is dat een volkomen loze belofte. En dat wist die partij. Het kan nog straffer. Op affiches van de N-VA zegt verkeersdeskundige Bart De Wever: 'afrit Vlaanderen' staat gelijk aan 'exit crisis'. Of, in een onafhankelijk Vlaanderen zullen alle economische problemen verdampen, ook deze die een mondiale oorsprong hebben - en dat zijn ze zowat allemaal. De burger die daarom De Wevers afrit (richting pechstrook?) neemt, wordt op een flagrante manier bedrogen.

Nog even terug naar de media en hun bijdrage in de misleiding van de kiezer. Tussen 1980 en vandaag is het electorale nieuws in de kranten, op de radio en op televisie in omvang bijna vervijfvoudigd. Er moet voor al die opwinding een ernstige reden zijn, anders valt dat toch niet te begrijpen. Die verklaring kan alleen luiden dat verkiezingen in vergelijking met vroeger een veel belangrijkere rol zijn gaan spelen in de politieke besluitvorming. Maar de realiteit spreekt dat tegen. Een jaar geleden schreef ik in deze krant: 'We zitten dus met een probleem. Hoe minder kracht en betekenis verkiezingen hebben, hoe meer media-aandacht zij krijgen.' Er is overbelichting van het electoraal gebeuren en dat heeft zo zijn gevolgen. Als kranten, radio en televisie hopen papier en zendtijd aan die zevende juni spenderen moet bij velen toch de indruk ontstaan dat het die dag gaat om de enige, de echte machthebbers in de politiek. Is dat dan geen kiezersbedrog? Dat de deur opent voor goedkoop populisme?

Wat nu? Zolang de ideologische profilering van de partijen is wat zij is, zwak dus, zal binnen en buiten de politiek de fixatie op de populaire politici blijven. Het minste wat althans de media kunnen doen, is veel duidelijker aangeven waarvoor de goudhaantjes van elke partij staan. Waarin verschillen zij? Met betrekking tot de toekomst van België, van Europa, van de verzorgingsstaat. Wat denken zij over de klimaatproblemen? Over de armoede in het Zuiden? Nu gaat het nog vooral om wie ze zijn, niet over wat zij denken en willen doen. Ook zou men in de berichtgeving over verkiezingen het huidige kikvorsperspectief kunnen ruilen voor het vogelperspectief. Dan zal al gauw blijken dat, gegeven de verhuis van politieke bevoegdheden naar het transnationale niveau, het beter is om te spreken en te schrijven over een clash van de titaantjes en over de keitjes van de Wetstraat. Die relativiteitstheorie kan heilzaam zijn. Een deel van het wantrouwen dat velen ten aanzien van de politiek koesteren, is op een vervelend misverstand tot groei gekomen. De kiezers verwachten nog altijd van de beroepspolitici dat ze alle problemen, grote en kleine, moeten aankunnen. Maar in vele dossiers hebben zij die slagkracht niet of niet meer. Dat veroorzaakt voortdurend kortsluiting tussen burger en politicus. Het is een probleem dat in negatieve energie nog zal toenemen. Tenzij wij er in slagen om geleidelijk een meer realistische visie op de politiek in de bevolking te verankeren en de aandacht te verleggen naar waar de macht meer en meer gehuisvest wordt.

Geen opmerkingen: