dinsdag, augustus 18, 2009

Big business met nazi-Duitsland


Big Business met nazi-Duitsland, een boekje uitgegeven bij EPO (dat traditioneel alternatieve linkse visies publiceert), is de moeite waard om te lezen. Hoewel het niet berust op eigen onderzoek (de auteur citeert enkel literatuur en vereenvoudigt de zaken wat ten behoeve van een breder publiek), heeft Jacques Pauwels een interessant aspect van de machtsstructuren in nazi-Duitsland terug onder de aandacht gebracht.

Dat de banden tussen Duitsland en de VS na 1945 heel nauw zijn, wist ik uit mijn onderzoek van dit jaar in Parijs. Er zijn structurele redenen waarom de Bondsrepubliek voor de VS kiest en niet voor een onafhankelijk Europa. En die hebben niet alleen met defensie te maken. West-Duitsland is in sneltempo "geamerikaniseerd" na de Tweede Wereldoorlog. Bovendien is er een echte "braindrain" geweest vanuit Duitsland naar de VS, onmiddellijk na de oorlog. Het gaat over industrieel onderzoek (patenten, blauwdrukken) en over personen (zakenmensen en bankiers, maar ook nazi-oorlogsmisdadigers die gerecycleerd zijn door de VS), eerder dan over "compensatie" voor oorlogsschade.

Nu goed, je kan nu eenmaal niet verwachten dat na 12 jaar nazi-regime een hele samenleving "gezuiverd" is. Als je een lijstje van de Duitse (CDU/CSU)-politici na de oorlog overloopt, zitten er wel wat tussen met een NSDAP-verleden. Sommigen hebben niet actief meegewerkt en hebben gewoon een rol vervuld als ambtenaar of jurist, die ze onder eender welk ander regime zouden gespeeld hebben (bijvoorbeeld Gerhard Schröder, minister van Binnenlandse, Buitenlandse Zaken en Defensie onder Adenauer, Erhard en Kiesinger). Anderen zijn dan weer erg dicht bij de tweede rang gekomen. Kanselier Kiesinger (1966-1969) werkte bijvoorbeeld als leidinggevende op de propaganda-afdeling van het Rijksministerie van Buitenlandse Zaken.

Het is dus vrij logisch dat de VS een aantal mensen probeert te recupereren na de oorlog. De synthese van Pauwels wijst er echter op dat de banden een stuk vroeger teruggaan. Al van in het interbellum zitten de Amerikaanse corporations in Duitsland. Waar ze ook een politieke rol willen spelen (net als elk bedrijf dat vandaag wil doen, door te lobbyen om regelgeving, subsidies... in haar voordeel om te buigen). Aangezien de Weimarrepubliek van het rijk van Willem I een heel sterke SPD overerft en tegelijk de communistische partij munt slaat uit de economische problemen, vrezen de Amerikaanse bedrijven voor een beknibbeling van hun winst.

Probleem: de Duitse conservatieve partijen (onder andere de Zentrum-partij, die onder het Keizerrijk de rechtse katholieken vertegenwoordigt) doen het niet goed. Tegelijk slaagt de SPD (die niet met communisten wil regeren) er in om sociale wetgeving op te leggen, of (samen met de communisten) af te dwingen in grote stakingen. De Amerikanen hebben dus (net als de grote Duitse bedrijven), stakingsbrekers nodig. Bovendien bestaat -net zoals in andere Europese staten- er een grote schrik voor een ontaarden van sociaal protest in een machtsgreep van de communisten.

Hitler is de geknipte oplossing, beweert Pauwels. Ambassaderaporten naar diverse hoofdsteden bevestigen dat Hitler gefinancierd wordt door Duitse en Amerikaanse big business. Dit doet uiteraard niets af aan het discours van de NSDAP, die uiteraard met enkel de stemmen van de welgestelden niet aan de macht kan komen. Het is wel beslissend voor de richting die Hitler inslaat, eens hij aan de macht komt. Massale tewerkstelling (tegen lage lonen) vormt de oplossing voor de werkloosheid. Aangedreven door grote overheidsinvesteringen, die geplaatst worden bij zijn eigen financiers. Gevolg: het aandeel van de lonen zakt, de winst stijgt. Hitler blijkt een efficiënte oplossing voor de crisis... voor de financiële en economische elites. Omdat hij ze afwentelt op de gewone Duitser.

Het idee dat de plannen van Hajmar Schacht (zoals Jean-Pierre Van Rossem ze een tijdje geleden in De Standaard kwam voorstellen), hebben bijgedragen tot een miraculeuze verbetering van de situatie, is niet juist. De gemiddelde Duitser ging er onder het naziregime op achteruit. Van de "biefstukstandaard" gaat het naar de "rijststandaard". Werkweken van 60 uur zijn geen uitzondering (<=> in België en Frankrijk voeren de socialisten op dat moment campagne rond de 8-urendag). Het "economische mirakel" onder Hitler bestaat niet: het gaat gewoon om winstaccumulatie ten koste van de middenklasse.

Bovendien is een deel van de Amerikaanse "kapitalisten" fundamenteel antisemitisch. En gefrustreerd met de New Deal-politiek van Roosevelt (geringschattend "Rosenfeld" genoemd), die wordt gezien als het begin van de socialisering van de VS. Henry Ford's boek "De eeuwige jood" verschijnt al in 1920 en is een inspiratiebron voor Mein Kampf (dat Hitler schrijft tijdens een jaar gevangenschap na de putsch van München). Dat het Hitlerregime de menselijke waardigheid op systematische wijze vernietigt, kan hen eigenlijk niet deren. Het naziregime is voor hen een voorbeeld van een efficiënte en autoritaire uitdaging van de USSR.

Hierin (beweert Pauwels) is het niét zo dat Hitler de industriëlen gebruikt. De auteur hanteert een nogal rigiede Marxistisch taalgebruik en ziet dan ook het nazi-totalitarisme als een instrument van economische belangen. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat de Amerikaanse "big business" de transformatie van de maatschappij door de nazi's actief hebben gepland. Wat zij willen, is in de eerste plaats geld verdienen en "geen gezaag" met de vakbonden. Welke fundamentele rechten en vrijheden daar ook voor moeten sneuvelen. Je kan wel moeilijk ontkennen dat er tussen de twee mentaliteiten een wisselwerking is. Economische macht is een belangrijke vorm van macht, die ook de politieke beïnvloedt. Met het geld van de industriëlen alleen kan Hitler het niet halen, maar het is wel essentieel om aan de macht te blijven.

Tijdens de oorlog blijven de Amerikaanse bedrijven (GM-Opel, IBM, Coca Cola, General Electric, Esso) naarstig doordraaien. Ze zetten constructies op om via dochterfilialen in neutrale landen (Zwitserland, Spanje, Turkije) winsten te repatriëren en leveren (volgens Pauwels) de essentiële technologie aan de nazi's (brandstoffen, rupsvoertuigen) om de Blitzkrieg tegen Frankrijk en Rusland te voeren. Wanneer het VK de Lend-Lease-maatregelen van Roosevelt krijgt aangeboden, springen ze ook daar gretig op. Het zadelt de Britse klanten op met enorme schulden, die omgekeerd woekerwinsten opbrengen voor Amerikaanse bedrijven.

Eens Hitler de VS de oorlog verklaart, na Pearl Harbour, moet het Amerikaanse personeel Duitsland verlaten. De plaatselijke managers blijven evenwel verder denken in functie van de transatlantische band. Hoewel de nazi's een protectionistisch beleid beginnen te voeren (en dus ook Europese "tolmuren" optrekken tegen Amerikaanse producten), slagen ze er nog steeds in om het geld naar de VS te sturen. En hun fabrieken intact te laten. Meer nog, de SS levert dwangarbeiders om de productie op peil te houden. Na de oorlog (wanneer de gruwelen van de concentratiekampen algemeen bekend zijn) wordt de winst eenvoudig opgestreken. Amerikaanse bedrijven hebben in de jaren '90 bijvoorbeeld als laattijdig "berouw" ingetekend op een fonds van de Duitse overheid om de overlevenden te vergoeden.

In 1945 zijn er plannen om de Duitse industrie te ontmantelen. Fransen, Engelsen en Belgen hebben dat na Versailles grotendeels nagelaten en willen de Duitsers nu wel op de knieën. In de Roosevelt-administratie circuleert het plan van Hans Morgenthau om Duitsland gewoon te verkavelen tot een achterlijk landbouwgebied. Dat gaat evenwel in tegen de belangen van de Amerikaanse grootindustrie. Enerzijds is ze pas uit de crisis geraakt door de Duitse en vervolgens Amerikaanse bewapeningsprogramma's, en heeft ze nood aan de Koude Oorlog om een te drastische omschakeling te vermijden; in dat verband is een sterke BRD-markt essentieel; anderzijds zit er nog behoorlijk wat kapitaal in Duitsland. De geallieerden bombarderen aan het einde van de oorlog zo wél het historische centrum van Keulen, maar niet de fabriek van Ford.

Het Duitse filiaal moet renderen. Onder andere het advocatenkantoor waar Allan en John Foster Dulles (latere minister van Buitenlandse Zaken onder Eisenhower) werken, doet er alles aan om de Duitse vrienden terug aan de slag te krijgen. Zo komt er geen zuivering van Duitse zakenvrienden. Ook prominente banken als JP Morgan zetten dergelijke constructies op.

Ondanks de duidelijk militant marxistische ondertoon (Pauwels heeft het niet over de autoritaire kant van het Sovjetmodel en schakelt de VS nu gelijk met de VS uit de jaren 20, om op het einde de Bush-regering van fascisme te beschuldigen) is "big business met Nazi-Duitsland" een aanrader. Soms wordt er wel kort door de bocht gegaan (Pauwels beweert over Ludwig Erhard dat hij goed had samengewerkt met de nazi's als economist, dat is gewoon fout; hij is gedecoreerd door Hitler, maar louter "per correspondentie" en was economisch -als neoklassieke liberaal- een doctrinaire tegenstander van de nazi-economie), maar dat komt uiteraard de leesbaarheid ten goede. Een prikkelende herinterpretatie van een moeilijke periode en van een relatie die voor verleden en toekomst van Europa veel verklaart.

En een ernstige waarschuwing voor het amorele karakter van economische macht: een bedrijf hoeft enkel aan winst te denken. Eens het zich begint te moeien met de politieke macht, wordt alles daaraan ondergeschikt gemaakt. De Amerikaanse bedrijven zien zo helemaal geen graten in het buiten de wet stellen van andere bewegingen dan de nazi-partij, louter omwille van hun winst: Hitler drukt de kosten, dus Hitler is goed. Deze episodes worden in officiële bedrijfs-hagiografieën met de mantel der liefde toegedekt. De auteur waarschuwt dan ook terecht voor een kolonisering van het universitair onderwijs in de VS door privé-geld: diens brood men eet, diens woord men spreekt.

2 opmerkingen:

Jacques R, Pauwels zei

Bedankt voor uw faire recensie van Big business met nazi-Duitsland. Ik wil echter wel even wijzen op een aantal onjuistheden.

Ten eerste, in mijn "boekje" - vanaf hoeveel bladzijden wordt een "boekje" een "boek"? - staat nergens te lezen dat "de Amerikaanse 'big business' de transformatie van de [Duitse] maatschappij door de nazi's actief hebben gepland", zoals U schrijft. Van dergelijke plannen beschuldig ik zelfs niet de Duitse 'big business', van wie ik benadruk dat zij lang alternatieve politieke oplossingen onder ogen hadden, en pas einde 1932-begin 1933 voor een "fascistisch regime" onder Hitler opteerden of, zoals von Papen het zo netjes uitdrukte, besloten om Hitler “aan te werven”. Ze wilden een regime dat voor winsten zou zorgen in de vorm van grootschalige staatsbestellingen en de afbouw van de “sociale lasten”, en dat het verondersteld rode gevaar in binnen- en buitenland de kop zou indrukken. Hitler was niet de enige Duitse politicus die bereid was om een dergelijke politiek te voeren, maar uiteindelijk was hij het die van big business het “groene licht” kreeg. Van een grootscheeps “plan” aan de kant van ‘big business’, niet van Duitse en zeker niet aan de Amerikaanse kant, is er in mijn boek nergens sprake.

Ten tweede - en dit is eigenlijk een onbelangrijk detail - is het helemaal niet “fout” dat Ludwig Erhard, zoals ik schrijf, “als economist... voor de nazi’s nuttig werk had geleverd”. Dat hij persoonlijk eerder “neoklassiek liberaal” gericht. was, en dat hij van Hitler een decoratie “louter per correspondenie” ontving - wat dat ook moge betekenen - verandert daar niets aan. Talloze andere Duitse economisten en zakenlui waren diep in hun hart eveneens eerder “liberaal” – of traditioneel-conservatief, of wat dan ook - gericht, maar collaboreerden toch heel ijverig met de nazi’s. Wat die decoratie betreft: zou Erhard er eentje van de Führer gekregen hebben indien hij zich niet voor het nazi regime nuttig gemaakt had?

Verder klopt het ook helemaal niet dat ik “de VS van nu gelijk schakel met de VS uit de jaren twintig, om op het einde de Bush-regering van fascisme te beschuldigen”. Ik beklemtoon op het einde van mijn boek de continuïteit van de Amerikaanse politiek sedert de Tweede Wereldoorlog, een politiek die er op gericht is om door reusachtige militaire staatsbestellingen de Amerikaanse economie op gang te houden. Dit vereist ware of vermeende vijanden en een agressieve buitenlandse politiek, inclusief bewust uitgelokte oorlogen, in naam waarvan overigens ook de vrijheid in eigen land beperkt wordt. Het resultaat, tenminste onder Bush, was een systeem dat ik (naar analogie met Coca-Cola Light) sarcastich maar, naar ik meen terecht, ‘fascism light’ heb genoemd. In elk geval vertoonde het Amerika van Bush meer gelijkenissen met de regimes van Hitler en Mussolini dan met de VS zelf van de jaren twintig en dertig.

Jacques Pauwels, auteur van Big business met nazi-Duitsland, uitg. EPO, 2009, 240 pagina's.

Frederik Dhondt zei

Bedankt voor uw reactie. Wat uw eerste aanvulling betreft, kan ik ter verdediging aanvoeren dat er een dag is gegaan tussen het lezen en het schrijven van mijn kleine recensie. Als ik het over "boekje" had, doelde ik natuurlijk op het formaat en de vlotte leesbaarheid (ik was er op een namiddag door, wat aangeeft dat het gewoon goed geschreven is, ondanks de toch niet evidente materie). Dat ik nu niet met de pagina's bij de hand repliceer, komt omdat ik het boek intussen aan een kennis heb doorgegeven om te lezen...

Over Ludwig Erhard: in alle biografieën die ik van de man gelezen heb, blijkt dat hij voor 1945 niet echt carrière weet te maken in Duitsland. Enerzijds omdat hij pas vrij laat naar de universiteit gaat (een verwonding uit WOI belet dat hij achter de toog van de ouderlijke handelszaak kan staan; oorspronkelijk haalt hij een professioneel handelsdiploma), anderzijds omdat hij conceptueel niet past in Hitlers politieke economie. Erhard is tégen de kartels en tegen een door de staat aangedreven economisch beleid.

In 1942 weigert hij toe te treden tot de NSDAP en verlaat hij het instituut voor Economische Studies van Vershofen in Nürnberg, waar hij al sinds 1928 aan de slag is. In opdracht van Goerdeler (betrokken in het complot van von Stauffenberg) maakt hij in 1944 een economisch plan voor Duitsland na de oorlog op.

In normale omstandigheden (zonder machtsgreep van de nazi's en het daaropvolgende "stunde null" in 1945) was Erhard waarschijnlijk geen minister van economie, of eerste minister kunnen worden, omdat hij geïsoleerd stond binnen zijn generatie. Ook na de oorlog weet hij zich geen eigen groep getrouwen op te bouwen en staat hij binnen de CDU geïsoleerd (hij neemt pas zijn lidkaart in 1963, terwijl hij al minister is sinds 1949).

Erhard bewondert het Amerikaanse anti-trustsysteem (daar hebben de corporations onder Hitler in elk geval niet te veel last mee gehad...), omdat het een eerlijke concurrentie mogelijk maakt. Als je de machtsblokken binnen de industrie uitschakelt, is de consument de uiteindelijke rechter op de markt: hij arbitreert ten voordele van het beste product, dat vervolgens op de meest efficiënte plaats wordt geproduceerd. Duitse economische politiek moet er dan voor zorgen dat Duitsland de meest competitieve exporteur is. Door onder andere de lonen laag te houden en de tolmuren ook: Duitsland moet veel importeren, om aan lagere prijzen consumptiegoederen aan te bieden, waardoor de feitelijke koopkracht van de bevolking toeneemt. Op die manier is de "Marktwirtschaft" sociaal.

Probleem: dit idee wordt niet door de hele CDU gevolgd. In het begin is de partij eerder neocorporatistisch ingesteld. De invoering van de Mitbestimmung gebeurt ook tegen de wil van Erhard. Zowel de vakbonden als de belangengroepen van de industrie wegen op de politieke besluitvorming. En lopen geregeld bij Adenauer aan om voordelen. Zo is er in 1957 een grote rel tussen Erhard en de kanselier over de import van "buitenlandse" steenkolen en aardgas. Adenauer wil de poort sluiten voor Belgische en Franse kolen, die goedkoper zijn dan de Duitse, om zo de tewerkstelling in de Ruhr te behouden. Erhard vindt dat ongehoord en wil de politieke belangengroepen het zwijgen opleggen.

Konrad Adenauer heeft hem altijd geminacht omdat hij geen "echt" politiek talent zou gehad hebben ("Der Dicke schafft es nicht"). Tijdens zijn periode als kanselier geeft hij in elk geval weinig blijk van inzicht in de internationale machtsverhoudingen. Hij steunt zonder kritiek de oorlog in Vietnam en tekent blanco cheques voor Duitse legeraankopen in Amerika. Twee beslissingen die Duitsland isoleren van gaullistisch Frankrijk, dat overal ter wereld tegen de Vietnamoorlog stelling neemt en een eigen echt "Europese" Europese defensie wil, zo nodig buiten de NAVO. En die ook niet verhinderen dat Johnson voor hem geen enkele concessie doet, wat leidt tot de val van het kabinet-Erhard, omdat het budget niet meer valt rond te krijgen met die militaire aankopen.