woensdag, november 04, 2009

Leven, dood en verrijzenis van John Maynard Keynes (Peter Clarke)



Gisteren was ik op de "book launch" in het LSE van Peter Clarke, emeritus professor Nieuwste Geschiedenis in Cambridge, over de "meest invloedrijke econoom van de twintigste eeuw: John Maynard Keynes". Zoals de titel van zijn bijhorende lezing ("The Rollercoaster Reputation of JM Keynes") het aangeeft, wouClarke vooral terug naar de "historische" Keynes: een man die handelde binnen een specifieke context en door specifieke ervaringen tot bepaalde inzichten is gekomen.

Op zoek naar de historische Keynes
Het heeft immers geen zin te zeggen dat "Keynes" vandaag terug is. We weten niet wat hij vandaag zou gezegd hebben: ofwel was hij meer dan honderd jaar oud, ofwel was hij geboren na de tweede wereldoorlog, wat al een wereld van verschil zou gemaakt hebben. Keynes' ideëen zijn bovendien ook duchtig veranderd gedurende het interbellum, de tweede wereldoorlog en (het korte stukje) daarna.

Zo vindt Clarke dat er te weinig wordt gekeken naar de invloed van Roosevelt's New Deal op Keynes, in plaats van omgekeerd. Hij vindt dat de originaliteit van Keynes' analyse erin bestaat om de psychologie in het economisch handelen in rekening te brengen. Individueel rationele strategieën kunnen collectief zelfvernietigend uitdraaien. Er bestaan risico's waartegen je je niet kan indekken door ze te kwantificeren. FDR keerde een stuk van de economische situatie van de Depressie om door opnieuw vertrouwen te creëren: "We have nothing to fear but fear". Precies dat begrip is de kern van de financiële crisis vandaag. Als de geaggregeerde vraag wegvalt, doordat niemand nog wil investeren, is het aan de overheid om dat te doen.

Doctrine en praktijk
Uitspraken als Nixons "we zijn allemaal Keynesianen" hebben weinig van doen met de Keynesiaanse "doctrine", als die al bestaan heeft. Keynes vond zelf bij een bezoek aan Washington na WOII dat hij aan een tafel met economen de enige "niet-Keynesiaan" was... Het is uiteraard onvermijdelijk dat briljante ideeën, wanneer ze in contact komen met de realiteit van het politieke handelen, worden gevulgariseerd. Anders zouden technocraten de wereld kunnen regeren. In die zin moet je ofwel het fenomeen van Keynesiaans "politiek" handelen ontkennen, ofwel het bestaan ervan aannemen, maar het niet vereenzelvigen met de stichter van een denkrichting. Het probleem van de jaren '70 en '80 (hoge inflatie en werkloosheid), dat de Keynesiaanse recepten niet konden oplossen, was weldegelijk reêel. De vraag is alleen of die Keynesiaanse politiek wel heeft gevolgd wat Keynes heeft geschreven. Je kan dus moeilijk zeggen dat zijn ideeën fout of juist zijn, op basis van het gevoerde beleid. Zo is Keynes tégen een begrotingsdeficit in economisch goede tijden, hoewel dat een van de meest gebruikte kritieken op hem is.

Cyclische reputatie
Wanneer het gaat over de reputatie van Keynes, eerder dan om wat hij geschreven en gezegd heeft, zijn er drie fases: "the making" (van de jaren '30 tot de jaren '60), "the unmaking" (met de aanvallen van twee alternatieve paradigmata: Schumpeter en Hayek, jaren '80-'90) en nu "the remaking" (met een politiek van massale fiscale stimuli, zoals in Frankrijk/Duitsland/de VS, om uit de financiële crisis te geraken).

1/ Keynes raakt bekend door zijn pamflet "The economic consequences of the Peace" (1920), waarin hij de herstelbetalingen van het verdrag van Versailles aanvalt. Hij is dan nog geen veertig, maar wordt al gelezen in de VS (onder andere door de New York Times, die hem een slechte recensie op een volledige bladzijde wijdt, altijd mooi meegenomen als je wil verkopen). Keynes beschikt dus op dat moment al over een platform waarop hij later zijn "echte" economische ideeën kan verspreiden.

Wanneer Winston Churchill beslist om terug te keren naar de goudstandaard (= de koers van het pond sterling vasthaken aan de goudprijs, wat tijdens de oorlog tijdelijk was opgeheven), gekoppeld aan een vrijhandelsbeleid dat de lonen moet drukken, chargeert Keynes op "The economic consequences of Mister Churchill" (1925). Grote overheidsinvesteringen zijn nodig om de werkloosheid aan te pakken op korte en middellange termijn. Keynes vindt aansluiting bij de liberale partij en krijgt in de jaren '30 een bevoorrechte functie als adviseur van de minister van Financiën. In 1944 kan hij tijdens de coalitieregering die Churchill leidt de pen vasthouden voor de economische ontwikkelingsplannen van de jaren '50 en '60, die inzetten op volledige tewerkstelling. Om dat je zo op de geaggregeerde vraag inspeelt: wie werk heeft, kan consumeren. En dat verdient zichzelf terug op de lange termijn, omdat er groei wordt gecreëerd.

2/ Al in 1974 neemt de Labour-minister van financiën officieel afstand van de Keynesiaanse recepten (Keynes zelf is al dood in 1946). In 1979 verklaart Thatcher Keynes "dood". Twee jaar later verklaart Reagan dat de overheid niet de oplossing is, maar het probleem. Ook eerder centrum-linkse reg bewindslieden als Clinton en Blair volgen de recepten van de monetaristen van Friedman, die de "publieke opinie" in economische zaken beheersen."Niemand neemt Keynes nog serieus", aldus Robert Lucas van de Chicago School in de jaren '80.

3/ En dan komt de grote meltdown van 2008-2009. De markt faalt. En kan zichzelf niet corrigeren, bij gebrek aan vertrouwen. Een "self-inflicted crisis of confidence" is onoplosbaar zonder overheidsinterventie. Of, op zijn Keynesiaans: je kan de werkelijkheid niet wegtheoretiseren. Het is een illusie dat je alle risico's kan incalculeren. De markt is theoretisch pafect, maar de realiteit is dat niet, ze is zelfs radicaal onzeker. "We simply do not know..." (doet wat denken aan de opmerkingen van John Crombez over Paul Dhoores "179 procent" beurswinst). De programmeurs in Wall Street en de City zijn de duidelijkste voorbeelden van Keynes' waarschuwing. Ze voelden zich onaantastbaar in hun vermogensbeheer, "because they did not know what they did not know".

De essentie: economie is geen exacte wetenschap
Dezelfde Lucas die in de jaren '80 verklaarde dat Keynes niet meer serieus werd genomen, verklaarde onlangs dat "we're all Keynesians in the foxhole". Ook Ben Bernanke, die als een monetarist te klasseren valt, heeft zich in de praktijk niet kunnen beperken tot louter monetaire interventies, die enkel de rentevoet en de geldaanvoer betreffen. Of, hoe een kritische analyse van de markt valabel blijft. Economie is in de eerste plaats een menswetenschap. En geen exacte wetenschap. Wie het tegendeel beweert, doet dat uit ideologische redenen. Daar is niets mis mee, maar dan moet je dat wel durven zeggen. Anders is er geen debat meer mogelijk. En doe je ook niet aan wetenschap.



Clarke's boekvoorstelling deed me sterk denken aan Jacques Généreux' "Les vraies lois de l'économie", waarin hij van leer trekt tegen de impliciete economische consensus in mediatieke en politieke kringen. Hij vindt bijvoorbeeld dat de "homo economicus"-hypothese en vele andere klassieke premissen op complete nonsens berusten. Er is voor Frankrijk natuurlijk de erfenis van het mislukte Mitterrand-avontuur in de jaren '80, dat radicaal ander economisch beleid nu nog discrediteert, maar intellectueel kan je moeilijk anders dan hem gelijk geven: kunstmatige schema's, die uitgaan van onbewezen axioma's, kunnen geen reële problemen oplossen en draaien op lange termijn altijd verkeerd uit.

Het wegcijferen van de overheid in de economie heeft enkel destructieve gevolgen voor de gemeenschap. De markt is een middel om schaarse hulpbronnen te alloceren mensen die een bepaalde behoefte hebben. En geen doel op zich. Hoe je die behoeften voldoet, moet het voorwerp kunnen uitmaken van een maatschappelijk debat. En niet worden opgesloten in de ivoren toren van zij die zichzelf wetenschappers noemen, maar geen fundamentele kritiek op hun werk dulden (kijk ook naar het interview van Paul De Grauwe in De Standaard van zaterdag: economisten dachten volgens hem de afgelopen decennia in "there is no alternative"-termen, wat een fundamenteel onwetenschappelijke houding is). Daarom ook zijn economische debatten niet alleen relevant voor de ingewijden, omdat economisch beleid iedereen raakt.

Geen opmerkingen: