maandag, februari 15, 2010

"Waarom internationaal recht ertoe doet"

Ik berichtte in het eerste semester over een paar "talks" van de International Law Association in Londen, die voornamelijk betrekking hadden op hermeneutiek, interpretatie en algemene theorievorming. Een paar dagen geleden verscheen een interessante paper op SSRN van de hand van Robert Howse en Ruti Teitel (NYU). Ze verdedigen zich tegen de claims van de conservatieve realisten Eric Posner en Jack Goldsmith (The Limits of International Law), die het internationaal recht een beperkte werkingssfeer toedichten.

Een van de argumenten die Posner en Goldsmith gebruiken, is het gebrek aan statelijke "compliance" met de regels die verdrag, gewoonte en algemene rechtsbeginselen formuleren. Mensenrechtenverdrag worden bijvoorbeeld algemeen geschonden, wat aanleiding geeft tot sancties tegen "failed states", terwijl dat net ingaat tegen de belangen van hun burgers, die daardoor nog wat dieper wegzakken (Posner stelde een tijd terug voor om de "moralistische" mensenrechtenverdragen te vervangen door economische standaarden, ervan uit gaande dat dat automatisch een verbetering in rechten zou meebrengen). Het Internationaal Gerechtshof zou dan weer te weinig uitspraken doen en nooit controverses echt beslechten.


Voor mijn eigen onderzoek is de reikwijdte van het huidige internationale recht perifeer, maar niet het theoretische debat over de relevantie van "compliance" of formele normuitvoering. Ik bekijk immers het evenwichtssysteem in de eerste helf van de achttiende eeuw. Niet evident om daar expliciete en formele navolging van internationale normen te vinden. Als je het instrument bijstelt, evenwel, is de uitkomst minder negatief. Een aantal argumenten die Howse en Teitel aanhalen, zijn gesneden brood´.


Zo kan internationaal recht een "standard of civilization" vastleggen, door de waarden te omschrijven die tussen staten moeten worden gerespecteerd, om bij de "club" te horen (p. 13: denk in het huidige internationaal recht aan de verregaande beperkingen die worden opgelegd aan onderdanen van "rogue states", ten gevolge van een dergelijke kwalificatie). Dat is breder dan het uitvoeren van formele normen, aangezien je een waardengemeenschap instrumentaliseert om een scheiding aan te brengen met wie zich niet aan de regels houdt (denk maar aan het onderscheid tussen hegemon of ordeverstoorder en leden van een evenwichtscoalitie).

Een probleem kan ook van aard en aanschijn veranderen door het juridisch te kwalificeren. De paper geeft het voorbeeld van de oorlog op de Balkan, die bij de toetreding van Servie tot de Europese Unie economische kwesties gelijkwaardig of zelfs ondergeschikt aan het al dan niet uitleveren van oorlogsmisdadigers aan het ICTY heeft gemaakt. Formeel gezien wordt de norm niet nageleefd, maar je gebruikt machtspolitieke drukkingsmiddelen om hem gerespecteerd te krijgen.


Internationaal recht kan ook dienen om een beleid te "betonneren" en het algemeen aanvaard te krijgen door de statengemeenschap. De constitutionalisering van de "Washington Consensus" van de tachtiger jaren in het WTO-statuut is daar (helaas) een voorbeeld van. Een beleid dat gelijkwaardig kan zijn aan andere alternatieven, krijgt de bovenhand door het tot internationaal recht te maken (wat in het geval van de Britse evenwichtspolitiek en het Verdrag van Utrecht helemaal opgaat).

Staten kunnen ook onderhandelen en verdragen afsluiten "in the shadow of the law". Er is onduidelijkheid of je gebonden bent door een verdrag, maar toch ga je een "dading" sluiten met je tegenpartij. Formeel respecteer je de dubieuze norm in kwestie niet, maar het loutere bestaan van het particuliere akkoord vindt zijn oorsprong in het recht. Je maakt met andere woorden een akkoord, omdat je een indicatie hebt dat verder gaan zonder dat te doen, in strijd zou zijn met het recht.

Er kan zelfs sprake zijn van "ultranormativiteit". Het voorbeeld van de oorlogen in Kosovo, Afghanistan en Irak wordt gegeven om aan te tonen dat, om mensenrechten te laten respecteren in een andere staat, je daar tegelijk ook de mensenrechten kan schenden. Het lijkt me dubieus om een dergelijk argument te aanvaarden: voor alle drie de interventies (misschien het minst voor Kosovo) kan je evengoed stellen dat het om brute schendingen van het internationaal recht gaat, zowel voor het ius in bello als het ius ad bellum.

De kers op de taart is evenwel het erkennen van een basismechanisme: het recht speelt altijd mee in de internationale betrekkingen. De verguisde Posner & Goldsmith worden geciteerd (pp. 182-184), wanneer ze het volgende stellen:
"(...) the use of the language of law communicates a level of “seriousness” to a commitment that may have consequences for how other actors respond in their own behavior and the reputational consequences of reneging on these commitments states tend to want to justify their actions in universalist terms, and the language of law is particularly amenable to this, given its “formal” character. States need to water down theirrhetoric to appeal to more and more audiences and “law” that does not (in principle) have such a content tied to particular religious, moral or civilizational outlook serves well this purpose."

Ziedaar alvast een manier om in een post-Westfaalse wereld de legitimerende kracht van recht in de internationale politiek te poneren: zowel katholieke, evangelische als gereformeerde vorsten moeten de argumenten die je naar voor schuift, als gerechtvaardigd aanzien. Dat kan enkel door je uit te drukken in een neutrale en algemeen aanvaarde taal, die gemeenschappelijke waarden weergeeft. Een "ius publicum europaeum".

De auteurs werken vervolgens ietwat op de lachspieren door te stellen dat na WOII en de Koude Oorlog de gemeenschappelijke waarden, die het internationale recht draagt, die van de niet-interventionnistische rechtsstaat zijn. Dat hoort uiteraard eerder thuis in het negentiende-eeuwse liberalisme.


Het is evenwel correct dat je morele of juridisch-normatieve preferenties bij staten niet kan uitgommen ten gunste van puur diplomatiek-militaire strategie (zoals ze Posner/Goldsmith en ook Morgenthau verwijten). Hoe zeer nationaal belang ook meespeelt in internationale politiek, staten zijn het nog altijd aan hun publieke opinie verplicht een overtuiging te vehiculeren. Die internationaal convergeert naar gemeenschappelijke waarden. Met andere woorden (zoals Kissinger het stelt): een evenwicht kan pas functioneren als er een waardengemeenschap aan ten grondslag ligt. Altijd goed als ook juristen dat zeggen.

Geen opmerkingen: