zaterdag, oktober 23, 2010

Chicken game tussen extremisten...

(bron: De Standaard)

KAREL DE GUCHT maakt zich zorgen over de communautaire onderhandelingen. Niet omdat hij geen uitweg meer ziet, integendeel: volgens hem wordt het conflict juist opgeblazen door een irrationeel opbod tussen de onderhandelaars.
‘It is said that who knows the enemy and knows himself will not be endangered in a hundred engagements.'

(Sun Tzu, Art of War.)

Bijna drie jaar geleden publiceerde ik in deze krant een analyse waarin ik mijn wanhoop over de communautaire patstelling uitschreeuwde (DS 15 november 2007). Dat beide zijden van de taalgrens de nuchterheid en verantwoordelijkheidszin moesten hervinden, was toen al duidelijk, schreef ik, want ‘het eenzijdig afwijzen van een gesprek is in een volwassen federalisme even onhoudbaar als het eenzijdig doordrukken van maatregelen'.

Het politieke opbod in beide gemeenschappen deed me toen denken aan de filmklassieker van Stanley Kubrick, Dr Strangelove or: How I learned to stop worrying and love the bomb. Bijna drie jaar later is van een volwassen federalisme nog altijd niet veel te merken. De communautaire wapenwedloop is alleen maar verder uit de hand gelopen en we zijn intussen het stadium van de zwarte komedie ver voorbij. Het is tijd om ons werkelijk zorgen te beginnen maken en onze voorliefde voor institutionele atoombommen af te zweren.

De schuld voor het falen eenzijdig bij het andere kamp leggen, is net iets te gemakkelijk.

Communautaire domino's

Aan de basis van deze impasse ligt een diepgeworteld wederzijds onbegrip dat er in de loop van die drie jaar enkel groter op is geworden. En dergelijk onbegrip leidt altijd tot politieke extremen, zo legde psycholoog en Nobelprijswinnaar economie Daniel Kahneman in 2007 uit in een stuk in Foreign Policy met als titel ‘Why hawks win' (‘Waarom haviken winnen').

Hij onderzocht waarom conflicten vaak escaleren tot ver voorbij het punt waarop beide partijen enkel nog te verliezen hebben en verklaarde dat vanuit de systematische fouten in ons denken. Onze kijk op de wereld is zelden zo nuchter en realistisch als we wel denken, onze beslissingen al evenmin. ‘Predictably irrational', voorspelbaar irrationeel, zo bestempelt hij de menselijke soort.

Nog opmerkelijker is dat dergelijke denkfouten in een politieke context telkens weer de neiging tot conflict versterken, en nooit onze compromisbereidheid. De dialectiek van het conflict produceert haviken. Signalen van de tegenpartij worden steevast als overdreven agressief aanzien en de indruk die we zelf op anderen maken wordt al evenzeer verkeerd ingeschat. Politieke leiders overschatten in regel ook hun eigen macht bij aanvang van een offensief. Zelfs bij een slopende strijd schuiven ze het redelijke compromis vaak al te lang voor zich uit.

Ook de politieke soort reageert voorspelbaar irrationeel en, of ze nu gelijk hebben of niet, haviken zijn daardoor overtuigender dan duiven.

Kahneman paste zijn analyse toe op diplomatieke en militaire conflicten, die al te vaak aangezwengeld worden vanuit een verkeerde inschatting van zowel de eigen positie als van de uitgangspunten van de tegenstander. Maar ze past ook perfect op de recente evolutie in de Wetstraat, waar stilaan alleen de haviken nog overeind blijven en de ratio ver te zoeken is.

Zo legt hij uit hoe de eigen houding in regel vanuit de politieke context verklaard wordt, gezien wordt als een onvermijdelijk antwoord op de tegenpartij, terwijl de strategie van een ander al te gemakkelijk als doelbewust agressief beoordeeld wordt. ‘What is ironic is that individuals who attribute others' behavior to deep hostility are quite likely to explain away their own behavior as a result of being pushed in a corner by an adversary', schrijft Kahneman. Het ‘hij-is-begonnen' argument geldt dus niet alleen bij kinderen.

Mensen slagen er bovendien ook zeer slecht in in te schatten welke indruk ze zelf op de buitenwereld maken — iets wat in internationale crisissen maar al te vaak tot opbod en escalatie leidt. Zo waren Amerikaanse bewindvoerders er in aanloop naar de Korea-oorlog van overtuigd dat er niet de minste twijfel kon bestaan, zelfs niet in hoofde van de Chinese communisten, over de niet-bedreigende bedoelingen van hun tussenkomst, terwijl de Chinese interventie — nochtans een tegenreactie tegen coalitietroepenbewegingen in Korea — als een inherent agressieve daad gezien werd.

Ook de Belgische haviken verklaren hun positie telkens als een redelijke, want logische reactie op het opbod in het andere kamp, en het onbegrip voor de politieke context aan de andere kant van de taalgrens blijft totaal.

Vlaanderen onderkent wellicht nog te weinig hoezeer de roep om een grondige staatshervorming, zoals die uitkristalliseerde in de eis tot eenzijdige splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, door Franstaligen unaniem gezien wordt als een daad van agressie eerder dan een legitieme rechtzetting van een anomalie in de Belgische federale structuren. De Vlamingen hebben de Franstaligen er vooralsnog niet kunnen/willen van overtuigen dat zij België en de Belgische consensusdemocratie nog niet opgegeven hebben.

In die zin is het enigszins begrijpelijk dat een flink deel van de Franstalige publieke opinie achter de splitsing van BHV nog altijd een verborgen agenda vermoedt, zoals vorige week nog verwoord door MR-kamerfractieleider Daniel Bacquelaine: ‘De splitsing zet de deur open voor Plan B.'

Die communautaire dominotheorie mag dan al begrijpelijk zijn, dat belet nog niet dat het een fundamenteel contraproductieve redenering is gebleken. Want om Vlaanderen van de werkbaarheid van het Belgische consensusmodel te overtuigen, is meer nodig dan louter verbale hervormingsgezindheid en verantwoordelijkheidzin. Om Plan B te voorkomen moet Plan A kans op slagen krijgen, maar de angst voor Plan B is een bijzonder slechte raadgever gebleken.

Professor Kris Deschouwer haalde eerder deze week nog eens aan dat uit geen enkel onderzoek blijkt dat de kiezer communautaire thema's op zich als een prioriteit ziet, en dat standpunten daarover telkens opvallend gematigd blijken te zijn (DS 19 oktober). Maar na jaren armworstelen heeft men de Vlaamse publieke opinie er wel van overtuigd dat een verregaande hervorming een noodzakelijke voorwaarde is om doortastend te besturen op vlakken die de kiezer wél rechtstreeks aangaan, zoals jobs, sociale zekerheid en justitie.

Meer nog, Vlaanderen schijnt in de illusie te verkeren dat een staatshervorming een voldoende voorwaarde is voor beter en zuiniger bestuur, net zoals Wallonië en Brussel meer en meer zijn gaan geloven dat iedere aanpassing aan de huidige structuren alleen maar in hun nadeel kan zijn.

De feitelijke weigering van Franstaligen om op communautair terrein vooruitgang te boeken, bevestigt alleen het nationalistische discours dat wil dat de tegenstellingen over de taalgrens heen niet meer te overbruggen zijn. Want als de Vlamingen sinds 2007 radicaliseren, beschouwen ze dat oprecht voornamelijk als een tegenreactie op de Franstalige onwil. Oprecht, maar daarom nog niet terecht.

Ieder zijn waarheid dus, ook al is die almaar verder van de realiteit verwijderd.

Om deze twee met mekaar te verzoenen zullen beide gemeenschappen moeten aantonen dat ze niet aan de communautaire karikaturen voldoen. Dan zal Vlaanderen de basisprincipes van de Belgische consensusdemocratie moeten herbevestigen en ook de werking van de federale staat de komende jaren veilig stellen. En kan Franstalig België een versterking van de financiële verantwoordelijkheid en politieke autonomie van de regio's niet langer uit de weg gaan.

Alles of niks

Beide zijn, zeker na de morele uitputtingsslag van de voorbije jaren, meer dan noodzakelijk maar verre van evident. Want niet alleen zijn de uitgangspunten van politieke conflicten vaak scheefgetrokken, ook de inherente dynamiek loopt makkelijk uit de hand.

Eens ze op de trein van hun eigen conflictlogica terechtgekomen zijn, raken leiders er nu eenmaal bijzonder moeilijk weer af. Een irrationele aversie van verlies belet hen doorgaans hun verliezen te beperken. Liever lopen ze het risico op een nog groter verlies. Het uiteindelijke resultaat: het alles-of-niks van de gokverslaafde.

Voorbeelden van zo'n redeloze volharding zijn er doorheen de geschiedenis te vinden, zoals schitterend omschreven door Barbara Tuchmann in De mars der dwaasheid. Waren de uitgangspunten voor vredesonderhandelingen pakweg begin 1915 fundamenteel anders dan eind 1918? Was de ‘peace with honour' die Nixon in 1973 tekende zoveel beter, eerbaarder of vreedzamer dan wat onder Lyndon Johnson op tafel lag eind 1968? Rationeel bekeken zeker niet — en toch waren de geesten rond de onderhandelingstafel pas aan het eind van de slopende Vietnam-oorlog voldoende gerijpt om te tekenen.

Laat ons hopen dat we stilaan aan het einde van de Belgische communautaire loopgravenoorlog gekomen zijn, want na drie jaar politieke verlamming zijn de risico's torenhoog en is de schade voor het vertrouwen in de Belgische politiek onherroepelijk.

‘A fanatic', zei Churchill ooit, ‘is one who can't change his mind and won't change the subject.' België telt almaar meer fanatiekelingen die weigeren van mening of van onderwerp te veranderen, hoewel het voor dat laatstse na drie jaar politieke stilstand hoog tijd is. Drie jaren van ongezien economisch stormweer nota bene, waarin burgers en bedrijven meer dan ooit houvast zoeken bij de overheid en internationale spelers zenuwachtig toekijken op de budgettaire haalbaarheid ervan.

Wie in Brussel of Wallonië nog gelooft dat dit spektakel de solidariteit ten goede komt, vergist zich schromelijk. Wie in Vlaanderen nog volhoudt dat dit een redelijke zaak van goed bestuur is, waar Vlaamse burgers of bedrijven alles bij te winnen hebben, die maakt zichzelf iets wijs.

Dit is iedere logica al lang voorbij.

En we mogen dan al van analyse verschillen over de taalgrens heen, de funeste gevolgen zullen netjes over alle burgers verspreid worden.

Intussen doet België het verrassend goed tot uitstekend als voorzitter van de Europese unie en vragen ze zich, volgens de VRT-verslaggever in Pyongyang, tot in Noord-Korea af wat er aan de hand is en of België gaat splitsen…

KAREL DE GUCHTWie? Voormalig vicepremier, nu Europees Commissaris voor Handel. Hij schreef deze bijdrage in eigen naam. Wat? De communautaire patstelling is gebaseerd op een foute perceptie langs weerszijden van de taalgrens. Waarom? De onderhandelaars voelen zich te snel aangevallen en onderschatten tegelijk hoe agressief ze zelf.

Geen opmerkingen: