vrijdag, oktober 22, 2010

Historische tijdschriften in België en Nederland

Gisteren woonde ik in Gent het door Wetenschappelijke Tijdingen (ADVN) georganiseerde symposium over de toekomst van historische tijdschriften in België en Nederland bij. Aan de orde twee problemen:
- Digitalisering
- De sandwich tussen Angelsaksische globalisering en erfgoed-hobbyisme

1. Digitalisering
De wetenschapsbeoefening wordt kwalitatief ingrijpend veranderd door het internet. Als ik mijn eigen werkwijze vergelijk met die van twintig jaar geleden, is het nu veel eenvoudiger om snel aan informatie te raken
- "out-of-copyright"-werken staan op Gallica of Google Books, tijdschriftartikels op JStor, Cairn... Je klikt, downloadt, en het staat op je harde schijf; zelfs previews van werken die onder copyright staan, kunnen al volstaan om een voetnoot te verifiëren of om snel iets op te zoeken
<=> vroeger: je gaat naar een bibliotheek, raadpleegt er de "fichenbak", haalt het boek uit het rek en racet tegen de tijd om nota's te nemen (voor de eigen "fichenbak")
- Je kan op korte tijd enorm veel informatie uit een archief meenemen door te fotograferen (indien toegestaan). Het is niet meer nodig om dure kopies of reproducties op (slecht leesbare) microfilm aan te schaffen, je zet alles gewoon terug op je harde schijf.

Op die manier beschik je over een volledig mobiel bureau, in de vorm van je laptop. Zo komt er veel meer tijd vrij om echt aan onderzoek te doen.

Probleem: digitalisering is een tweesnijdend zwaard. De consument van informatie kan actief alle bibliotheken ter wereld  afspeuren en op zijn harde schijf het materiaal verzamelen voor een oneindig aantal doctoraten. Eens hij zich aan het schrijven zet, komen de nadelen snel boven:
- Internet geeft de mogelijkheid om snel en gratis te publiceren (blogs, papers posten op netwerken als SSRN...), en door veel mensen te worden gelezen. Probleem: dit leent zich dikwijls tot repetitief en onorigineel werk, dat de moeite van het klikken en downloaden nog niet waard is (helaas is dit ook bij "grote namen" het geval). 
- Publiceren bij een "gerankt" tijdschrift wordt moeilijker. Aangezien de meeste tijdschriften overschakelen op Engels als paritaire of enige taal, komt er een stortvloed aan manuscripten van auteurs over de hele wereld binnen. Om zich nog te kunnen onderscheiden van de andere mogelijkheden van kenniscommunicatie, gaan tijdschriften ook vaker over tot het publiceren van themanummers, die kunnen terugvallen op een "ons-kent-ons"-systeem, rond een (al dan niet niche-)debat draaien...

- Wie een groter werk kwijt wil, wordt  steeds meer om commerciële redenen gevraagd om te reduceren (indien het om een gedrukt boek gaat), maar zit ook verveeld met de "mentale tijd" van het internet, die zich niet leent tot intellectuele producten met een langere concentratieboog. 30 pagina's is zowat het maximum voor een te downloaden artikel. Lezers maken een selectie op basis van een diagonale lezing op hun scherm. Is het dan niet interessant, vliegt het de prullenbak in.

Daarnaast ondergaat de discipline ook de druk van het algemene wetenschappelijke evaluatiemodel, dat geschoeid is op de leest van de positieve wetenschappen:
- Geschiedenis lijkt een wetenschap te worden die zich beperkt tot het cumuleren van metadiscours dat binnen een niche of subniche van het veld dominant is (voorbeeld: "Genderstudies in Noord-Europa tijdens de Volle Middeleeuwen", "Sociale ongelijkheid rond de Middellandse Zee in de 17de eeuw"), en (ironisch) "geen tijd" heeft voor het vertellen van een verhaal of het ontsluiten van bronnenmateriaal. Je moet met andere woorden meeheulen met een mode van het moment.
- Op die manier wordt de individuele wetenschapper/"kamergeleerde", die zich aan een origineel werk wijdt, gemarginaliseerd, als hij niet in een netwerk zit. We evolueren naar toestanden als die in de sociale of harde wetenschappen, waar artikels door een veelheid aan personen worden ondertekend, om toch maar op het cv te kunnen prijken. Wetenschap als "the social network"...

Los van deze bedenkingen, is het misschien nuttig te vermelden dat een aantal prestigieuze tijdschriften online in open access beschikbaar zijn:

- Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/Low Countries Historical Review (klik hier): moving wall van twee jaar, de rest is gratis downloadbaar en doorzoekbaar, A op de ESF-lijst.
- Tijdschrift voor Geschiedenis: betalend, want werkt met commerciële uitgever (hier). Op de Thomson en de ESF A-lijst.
- Revue belge de philologie et d'histoire/Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis (°1922): komt binnenkort gratis online op persée (klik hier), de open access-site van het CNRS (waar ook andere prestigieuze tijdschriften als de Annales, Annuaire français de droit international, Revue internationale de droit comparé, Histoire, Économie et Société, Vingtième Siècle, Revue française de science politique... hun archief geparkeerd hebben). Het tijdschrift is normaal A1, maar is blijkbaar intussen van de Thomson-Reuterslijst gedonderd (klik hier). Op de ESF-lijst staat het als A (als dit bestand up-to-date is).

Niet in het panel gisteren, maar wel op internet aanwezig in open access: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis (Thomson Reuters A1, ESF B, hier).

2. Tweestromenland
Zoals te verwachten, waren de tijdschriften in drie groepen op te delen:
- Internationale, peer-reviewed, meertalige publicaties
- Nationale, op een breed publiek gerichte publicaties (Brood & Rozen, Wetenschappelijke Tijdingen)
- Regionale tijdschriften (Gent, Waasland, Leiegouw...)

Het beleid in Vlaanderen creëert een tweesporenbeleid voor publicaties
1) Internationale tijdschriften met peer-review
Worden gebruikt om universitaire carrières te evalueren. Gevolg: auteurs schrijven niet meer voor wat niet gerankt is, en ook bijna niet in het Engels.
- Positief < zorgt voor meer internationale contacten en een zo breed mogelijke kwaliteitscontrole. Zorgt ook voor meer comparatief onderzoek.
- Negatief < kwantitatief evalueren (in essentie is peer-review kwalitatief, want verricht door de meest competente professionals uit het veld, maar door het rankingsysteem kom je tot een eerder bureaucratisch optellen van stukken en stukjes).

2) Lokale tijdschriften:
Worden opgeslorpt door het "erfgoed"-beleid, dat eigenlijk neerkomt op "recycleren" van onderzoek. Dreigen het werkterrein van amateurs te worden, omdat het beleid professionele historici de ivoren toren injaagt.

Vulgariserende/generalistische/niet-A Nederlandstalige tijdschriften worden door het beleid vergeten, omdat ze noch op het lokale, noch op het internationale spoor zitten, en kunnen enkel werken dankzij de centen van een archiefinstelling (Amsab, ADVN, SOMA...).

Probleem:
- Lokale tijdschriften hebben veel abonnees en zijn eigenlijk een interessant forum om de maatschappij (lees: de Vlaamse belastingbetaler) te betrekken bij wat historici doen. Je kan er als onderzoeker je resultaten breed verspreiden. De vertegenwoordiger van de Leiegouw merkte sarcastisch op dat in een modale centrumstadbibliotheek de wetenschappelijke tijdschriften amper gelezen worden, maar de regionale des te meer. (categorie 2)
- Hoe stroomt onderzoek nog door naar het onderwijs ? Lezen bijvoorbeeld leerkrachten geschiedenis de wetenschappelijke tijdschriften wel ? (cf. categorie 3) In Frankrijk wordt dit opgevangen door boekreeksen als "Que sais-je" of gewoon de doorsnee boekhandels die de monografieën van "grote namen" verspreiden. Historici kunnen kritiek hebben op de media, omdat ze onvoldoende aandacht geven aan geschiedenis. Maar eigenlijk is dat hun eigen schuld, als ze niets aanleveren dat zich kan lenen tot vulgarisatie... Welke krant zit te wachten om een Engelstalig werk voor de incrowd te recenseren ?

Geen opmerkingen: