zondag, november 07, 2010

Recht versus Rechtswetenschap

Het tijdschrift "Droit et Société" heeft een zeer interessant themanummer uitgebracht over "de blik van de jurist". 


Misschien klinkt dit enigszins verrassend voor buitenstaanders, maar het recht is als wetenschappelijke discipline (= hoe ga je om met je studieobject) onderhevig aan veel kritiek. 

Wie op een positivistische manier het recht bestudeert, blijft strikt bij de normen die het staatsgezag (wetgever-rechter-eventueel uitvoerende macht) voortbrengt en de uitleg die daar in de literatuur aan wordt gegeven. Op zijn best kijkt men naar de wetsgeschiedenis, om een genealogische reeks van "gezaghebbende teksten" te construeren, waarmee men de lacunes of vaagheden van de huidige tekst kan aanvullen en interpreteren.

Het nadeel van de bovenstaande werkwijze, is dat ze het recht als een gesloten omgeving beschouwt. Het kan best zijn dat het erfrecht sociale en economische verhoudingen regelt, maar het komt niet toe aan de wetenschapper om zich daarmee bezig te houden. Hij werkt immers met producten van "gestolde politiek": eens de wetgever, die democratisch gelegitimeerd is, een norm heeft gesteld, kan de onderzoeker eigenlijk enkel "meta"-werk doen. 

Dit is echter wat de praktijk van de "rechtsgeleerden" vraagt. De rechtsproductie is onregelmatig en incoherent. Wie in de rechtbank of voor het adviseren van een cliënt met een knoop zit, verwacht van de "geleerde" dat hij wat incongruent is, toch in een systeem kan plaatsen. Zo kunnen normen volgens algemene principes worden uitgelegd, die op zich eenvoudiger te kennen zijn dan alle details die de wet voorschrijft.

Toch is dit voor academici niet bevredigend. Het geeft aanleiding tot kritiek vanuit andere wetenschappen: juristen hebben het wel erg gemakkelijk. Als je de formele bronnen en de doctrine kent, is je werk af. Het enige originele product dat je als jurist kan voorleggen, is een extra laag interpretatie bij een gezaghebbende tekst. Vandaar ook de term "rechts-geleerdheid": wie het recht bestudeert, hoeft niet aan (originele, creatieve) wetenschap te doen, maar dient vooral de subtiliteiten van een berg gebraakte officiële teksten te kennen.

Nochtans is de reikwijdte van het recht zo breed, dat het de hele maatschappij raakt. Automatisch komt de rechtswetenschap dan ook in botsing met andere disciplines, die net hetzelfde onderzoeksvoorwerp hebben: menselijk gedrag en communicatie. Economie, psychologie, sociologie, politieke wetenschap, filosofie, taalwetenschap... en uiteraard ook de omvattende sociale wetenschap bij uitstek: de geschiedenis.

Kruisbestuiving tussen de rechtswetenschap en deze andere disciplines levert ons "metajuridische" disciplines op, waarin het recht wordt bekeken vanuit een ander interpretatiegrid. 

Onvermijdelijk leidt dit tot discussies met de "echte" juristen. Is het werk van een rechtshistoricus of rechtsfilosoof wel "juridisch genoeg" ? Versta: wat heeft een praktijkjurist (advocaat, rechter, deurwaarder, bedrijfsjurist, ambtenaar, diplomaat...) aan onderzoek over Middeleeuws kerkelijk recht, over het rechtvaardigheidsbeginsel of over psychologische motivaties van huurders en verhuurders ? 

Uiteraard is het antwoord: zeer veel. Ook praktijkjuristen worden immers geconfronteerd met de ontoereikendheid van het formele recht om concrete problemen op te lossen en hebben nood aan andere interpretatieschema's.  "Je zal zien dat het in de praktijk anders gaat..." is een veel gehoorde opmerking tegen studenten of jonge juristen. Dat ligt dikwijls niet aan het recht, maar aan het gebruik dat van het recht (of de afwezigheid ervan) wordt gemaakt. Net daarom is het zeker niet neutraal om te stellen dat een rechtswetenschapper hier geen onderzoek naar kan voeren. In dat geval dient zijn inactie enkel het belang van wie  op het terreingediend is bij een gebrek aan analyse.

De internationalisering van de wetenschapsbeoefening drumt de positieve juristen ietwat in de hoek. De nationale of regionale wet heeft immers een territoriaal beperkte gelding. In Rijsel geldt een ander handelsrecht dan in Kortrijk... Wie publiceert over het Belgische burgerlijk recht, sociale zekerheidsrecht., ruimtelijke ordeningsrecht.. doet dat in het Nederlands (of het Frans) en is voor een groot stuk gebonden aan nationale doctrines. Hetzelfde geldt uiteraard voor Duitse, Franse, Italiaanse... juristen.



"Meta-juristen" hebben dat probleem veel minder. Voor een stuk komt dit omdat hun disciplines in een zelfde Europese traditie staan: het Romeins recht heeft in Europa (zowel op het continent als in Engeland) een belangrijke invloed gehad in de middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Ook daarna is de rechtscultuur parallel blijven lopen. Belangrijke auteurs als de Oostenrijkse publicist Hans Kelsen (één van de stichters van Droit et Société), de middeleeuwse Italiaan Bartolus de Saxoferrato of de Franse zeventiende-eeuwse civilist Jean Domat worden eigenlijk overal ter wereld bestudeerd. Dit bestaat ook "horizontaal": inzichten van filosofen (Rawls, Dworkin), sociologen (Bourdieu) kunnen zaken verklaren die niet in een positivistisch narratief passen. Er bestaat met andere woorden een wetenschappelijke gemeenschap met een gedeelde codex waarbinnen het normaal is dat je ideeën kan voorstellen, aftoetsen en publiceren.

Binnen dit kader worden de metajuridische disciplines eigenlijk geholpen door de internationalisering van het wetenschappelijk onderzoek. Wat tot gevolg heeft dat de andere rechtstakken, die traditioneel de bovenhand hebben in het rechtenonderwijs, omdat de "klant" de sterkste vraag heeft naar hun  (onderwijs-)"product",  binnen de universiteit onder druk komen om het perspectief te verbreden.

De vraag is natuurlijk hoe je dit kan "verkopen" aan de traditionele jurist, die in de eerste plaats "nuttige" wetenschap wil.

Droit et Société" verzamelt daartoe een aantal perspectieven van rechtsfilosofen, -sociologen en -historici, soms enthousiast (H. Dumont), dan weer waarschuwend. "Geschiedenis" is bijvoorbeeld wel wat ingewikkelder dan enkel wetsgeschiedenis, die tot teleologische ideeën kan leiden (de wetgeving gaat altijd vooruit, dus wat nu geldt, is goed) en impliceert vooral een kritisch-historische benadering van de maatschappelijke fenomenen die aan de basis van normen liggen (cf. stuk J.-L. Halpérin).

De meeste teksten zijn vrij vlot toegankelijk, vandaar dat ik een kleine blogpost hierover maak. Deze discussie "leeft" op het wetenschappelijke veld, zowel in binnen- als buitenland. Geprangd tussen twee tendenzen (1: geen belastinggeld voor "nutteloos" onderzoek; 2: geen geld voor onderzoek dat niet internationaal is), zien de metajuridica in het tweede veld de kans om terrein te behouden en eventueel te winnen.

Geen opmerkingen: