woensdag, juli 31, 2013

Hague Academy (slot)


Vorige week was de laatste in Den Haag. Na mijn enthousiaste eerste en tweede posts bleef deze wat uit, maar dat lag geenszins aan de kwaliteit van de verder verstrekte lezingen. De tijd ontbrak eenvoudigweg. Intussen zijn er weer andere prioriteiten, waardoor een extensiever verslag voorlopig uitblijft.

James Crawford eindigde vorige vrijdag met een gedicht, gecomponeerd op de Kadi-zaak (te raadplegen op de Blog van het European Journal of International Law). Op 18 juli sprak de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de EU zich opnieuw uit over de vraag van een privé-persoon, de Saoedi Kadi, om de beslissing van de Europese Commissie waarbij zijn vermogen werd bevroren, te vernietigen. Kadi viel de verordening van 27 december 2001 aan, waarbij de Europese Commissie uitvoering gaf aan het sanctieregime dat de VN-Veiligheidsraad op 28 september van dat jaar had ingesteld (Resolutie 1373), kort na de terreuraanslagen van 11 september. De VN-resolutie gaf aan een commissie de bevoegdheid om personen waarvan vaststond dat ze banden hadden met Al Quaeda of Bin Laden te beroven van de mogelijkheid hun vermogen in te zetten om terrorisme te steunen. Tegen de beslissing van de VN-Veiligheidsraad bestond evenwel geen beroepsmogelijkheid. Individuen konden dus zeer zwaar in hun rechten getroffen worden, zonder voorafgaandelijk te worden gehoord, of zonder de mogelijkheid foutieve beslissingen te laten corrigeren. De zaak was in 2005 behandeld door het Gerecht van Eerste Aanleg (dat Kadi ongelijk gegeven had), en op 3 september 2008 door het Hof van Justitie, dat daarbij Kadi wél gelijk gaf, en de beslissing van het Gerecht van Eerste Aanleg vernietigde.

De kern van het probleem zit in artikel 103 van het VN-Handvest (cf. eerdere post over de les van Kolb uit Week 2): als de verbintenissen die voortvloeien uit het VN-Handvest moeten voorgaan op andere verbintenissen uit andere overeenkomsten die een staat heeft aangegaan (bijvoorbeeld: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, of de Grondrechten die in de EU-Verdragen vervat zitten), dan kan een staat, of de EU, niet anders dan doen wat de Veiligheidsraad vraagt. Het Hof van Justitie is in 2008 uitdrukkelijk teruggekomen op deze redenering, en heeft gesteld dat het recht om te worden gehoord, het recht op eerbiediging van eigendom, het evenredigheidsbeginsel en het recht op effectieve rechterlijke toetsing moeten worden gegarandeerd binnen de EU, omdat deze grondrechten deel uitmaken van de constitutionele beginselen van de EU. Met andere woorden: het Hof (orgaan van de EU, regionale organisatie van staten) verklaarde zich bevoegd om zich uit te spreken over de wettelijkheid van handelingen bevolen door de VN (universele organisatie van staten).

Daar eindigde het verhaal evenwel niet. Het Hof had de gevolgen van de vernietigde verordening uit december 2001 voor drie maanden gehandhaafd, met de bedoeling tijd te laten om een oplossing te vinden. De Commissie heeft op 28 november 2008 de aanwezigheid van Kadi op de lijst bevestigd, in strijd met wat het arrest had opgedragen.

Gevolg: in februari 2009 trok Kadi opnieuw naar het Gerecht van Eerste Aanleg, dat zijn vraag om vernietiging van de nieuwe verordening inwilligde. Nog eindigde het verhaal niet (Kadi was intussen al jaren de controle over zijn vermogen kwijt): de Raad van de EU, de Commissie van de EU, Frankrijk, het VK, Tsjechië, Denemarken, Ierland, Spanje, Oostenrijk, Bulgarije, Italië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Slovakije en Finland vroegen het Hof van Justitie om het arrest te vernietigen. Als lidstaten van de VN dreigen de EU-lidstaten immers de gevangene te worden van twee tegenstrijdige verbintenissen: uitvoering geven aan de VN-Resolutie en de beslissingen van het listingcomité, dan wel aan hun verbintenissen onder de EU-verdragen. De lidstaten vonden dan ook dat de EU-rechters zich veel terughoudender dienden op te stellen, en vonden dat Kadi in de periode van drie maanden tussen de uitspraak van het Hof in september 2008 en de bevestiging door de Commissie van de verordening uit 2001 voldoende de mogelijkheid had gekregen om de tegen hem ingeroepen aantijgingen te weerleggen. Bovendien had de VN-Veiligheidsraad intussen een periodieke herzieningsprocedure in het leven geroepen in 2008 en een Ombudsman opgericht in 2009.

Het Hof weerlegde op 18 juli 2013 deze argumenten door te stellen dat een naar EU-recht juridisch correcte uitvoering van een VN-resolutie niet noodzakelijk een foutieve uitvoering betekent. Bovendien voorziet het VN-herzieningsmechanisme niet in een volwaardige toegang tot de rechter: er blijft een sterke ongelijkheid tussen de overheid die de beslissing neemt, en de persoon die erdoor geraakt wordt.

Met andere woorden: de belangrijke uitspraak uit 2008 wordt bevestigd. De VN-Veiligheidsraad is niet "legibus solutus" (los van wettelijke beperkingen aan zijn macht, zoals vorsten in het Ancien Régime pleegden te stellen): bij uitvoering door een EU-lidstaat zijn alle organen van de EU-lidstaten gebonden door het respect voor het Unierecht. Het is geen toeval dat Prof. Crawford ook in deze zaak actief was (cf. eerdere blogpost: hij pleitte ook -tijdens de Hague Academy- in de Australië/Japan "Walviszaak" voor het Internationaal Gerechtshof, liet bij de voorbereiding van de les over fragmentatie in het internationaal recht de ICSID-arbitrage Cargill/Mexico lezen, waar hij de Mexicaanse staat vertegenwoordigde, of nog de Oost-Timorzaak tussen Portugal en Australië uit 1989, waar hij deze laatste staat verdedigde).

Het was een buitenkans om een bijzonder gereputeerd academicus en praktizijn zijn persoonlijke visie op het internationaal recht te zien geven in 15 kernachtige punten, die een wandeling door een berg rechtspraak en doctrine mogelijk maakte. De tekst van de lessen verschijnt eind dit jaar in het prestigieuze Recueil des Cours de l'Académie de droit international de La Haye en in de pocketreeks van de Academie, zowel in het Frans als het Engels.



Geen opmerkingen: