donderdag, april 07, 2016

Peilingen, zetelverdelingen en bandbreedtes

(bron afbeelding: Wikimedia Commons)

Het is al even geleden dat ik op deze blog nog een post wijdde aan politieke peilingen. Het behoeft weinig uitleg dat deze instrumenten in België nog moeilijker te interpreteren zijn dan in een ander land, en ook dat dit op deze blog geenszins vanuit een sociaalwetenschappelijk of statistisch onderbouwd standpunt gebeurt. Toch zijn peilingen een element in het politieke spel. Ze bepalen de perceptie in de omgeving waarin partijen opereren. Gezien de grote onzekerheid die met peilingen gepaard gaat, is het ook niet aberrant dat buitenstaanders ze proberen te lezen, of toch zich iets concreter proberen voorstellen bij de trends die erin vervat zitten.

Het lijkt wijselijk om de frequentie van de peilingen wat terug te schroeven, aangezien de volgende federale en regionale verkiezingen nog drie jaar van ons af liggen. Zoals steeds valt in de tussentijdse enquêtes nog zeer goed de uitslag van de vorige verkiezingen te lezen. Dat is namelijk de enige zekere factor waarmee enquêtebureaus kunnen werken.

Peiling 15 maart 2016
Ter herinnering, de cijfers van de peiling van 15 maart (VRT/De Standaard), met tussen haakjes het verschil met de verkiezingen voor het Vlaams Parlement uit 2014:
PVDA 4% (+1,47%)
groen 11,6% (+2,9%)
sp.a 14,7% (+0,71%)
CD&V 19,1% (-1,38%)
N-VA 27,3% (-4,58%)
openVLD 14,1% (-0,05%)
Vlaams Belang 8,1% (+2,18%)

De enige duidelijke trend lijkt een achteruitgang voor de N-VA te zijn, die in alle gevallen buiten de foutenmarge van de peilingen valt. Hoe de verhoudingen tussen de andere partijen liggen, is minder duidelijk. De peiling van De Standaard geeft een licht voordeel aan de CD&V, dat niet te bespeuren valt in de twee andere enquêtes. Ten opzichte van de verkiezingsuitslag voor het Vlaams Parlement in 2014 (waarbij Kris Peeters werd uitgespeeld als nationaal boegbeeld) gaat het evenwel niet meteen om een glorieuze remonte. De drie traditionele partijen lijken veeleer stationair te blijven. Eerder meldde de (internet)peiling van La Libre Belgique (december) dan weer een achteruitgang voor CD&V en openVLD. De (telefonische) peiling van Le Soir (eveneens december) had het over een verlies voor de N-VA, met winst voor de oppositiepartijen. Le Soir vertaalde dit in een afkeuring van de federale regering. Niets daarvan is voorlopig erg overtuigend. De VRT/De Standaard-peiling had het dan weer over een groot vertrouwen in de federale premier in vergelijking met de Vlaamse minister-president. Maar er kan niet gesteld worden dat er een duidelijke verschuiving is ten gunste van de oppositiepartijen. Dat lijkt ook logisch, in een periode zonder verkiezingen. De tendensen lijkt in alle gevallen wel positief voor Groen en  de PVDA, die geëxtrapoleerd een reële kans lijkt te behouden op de kiesdrempel in de provincie Antwerpen. In 2014 werd die nipt gemist (0,48% voor de Kamer). De peilingbureau's gokken er verder op dat het Vlaams Belang garen spint bij de communautaire status quo en vooral de door vluchtelingen en integratiespanningen gekenmerkte actualiteit.

Kiesdrempel
Het lijkt enigszins banaal of één partij al dan niet een verkozene op 87 haalt of niet. Toch heeft het meetellen van deze meer dan 50.000 stemmen een duidelijke impact op de verhoudingen tussen links en rechts in de Provincie Antwerpen. sp.a (3) en groen (2) haalden samen 5 van de 24 zetels in 2014, of ongeveer 20% van het te begeven totaal. In stemmen komen de drie progressieve partijen (132.096 + 112.477 + 51.638) op 296.000 of bijna 26% van de geldig uitgebrachte stemmen. De keuze voor de kiesdrempel is democratisch en legitiem, maar bot wel een basisprincipe van de Belgische Grondwet af. Per 40.000 inwoners vaardigen de Belgische provincies een kamerlid af, onder de oude Grondwet van 1831 (art. 49; in de huidige formulering evenveel zetels als de kiesdeler geeft, wat ongeveer op hetzelfde neerkomt, maar dan in kiezers, cf. art. 63 nieuw). Bij de verkiezingen van 2003 heeft dit agalev (50.000) en de N-VA van een zetel beroofd in Antwerpen (49.000), wat uiteraard ook heeft bijgedragen aan de toenmalige vorming van een paarse meerderheid in zetels, die er in stemmen niet was. De disproportie was toen groter, maar werd niet als problematisch ervaren, in de slipstream van het ruimere kader van de kieshervorming (provinciale kieskringen vergroten de proportionaliteit, kiesdrempel houdt versnippering tegen). Met de toenemende polarisatie van het Vlaamse politieke leven rond de N-VA lijkt dit vandaag toch minder evident. Zonder kiesdrempel had de PVDA in Antwerpen een zetel gewonnen in 2014, en het Vlaams Belang er een verloren (zetel behaald met tweede quotiënt: 39.926 stemmen).

Grootte van de kiesomschrijvingen
De proportionele verhoudingen tussen de De Standaard/VRT-peiling (de meest recente) en de verkiezingsuitslag van 2014 voor het Vlaams Parlement kunnen een aanzet zijn om de evoluties in zetels te vertalen. Uitgaan van de voorgaande provinciale uitslagen laat toe om rekening te houden met twee factoren: regionale verschillen en de grootte van de kiesomschrijving. Gezien de relatieve versplintering van het politieke landschap, en het bestaan van zowel wettelijke (5%) als feitelijke kiesdrempels (8% in Limburg) is de zetelverdeling voor de Kamer vrijwel nooit een directe afspiegeling van de stemverhoudingen: er gaan altijd stemmen "verloren". Voor het Vlaams Parlement (niet behandeld in deze blogpost) levert het groter aantal zetels (118 <=> 87) een (licht) proportioneler resultaat op.

Veel onbekende factoren
Uiteraard blijven in deze simulatie een aantal specifieke factoren buiten beeld, omdat ze nu eenmaal onmogelijk kunnen worden voorspeld: het inzetten van verse, populaire kandidaten buiten de traditionele perimeter van de partij, of het schuiven met lijsttrekkers bijvoorbeeld. In Antwerpen haalde de CD&V met Kris Peeters (boegbeeld nationale campagne) in 2014 20,4% voor het Vlaams Parlement, maar voor de Kamerlijst 16,09%. Een verschil van meer dan 40.000 stemmen (1 zetel in de Kamer). Omgekeerd haalde de N-VA 39,38% voor de Kamer, en "slechts" 36% voor het Vlaams Parlement, ook al gaat het om dezelfde kiezers.

Ten slotte zijn peilingen maar momentopnames, genomen zonder rekening te houden met gebeurtenissen die de opinie momenteel beroeren, en buiten de context van een verkiezingscampagne, die hoe dan ook zorgt voor een scherper politiek bewustzijn. Desondanks blijft deze oefening interessant, omdat ze poogt om een vaag gevoel (tendensen en evoluties binnen het electoraat) te koppelen aan vaststaande en zekere structuren (de zetelverdeling).

Zetelverdeling: systeem-D'Hondt
Sinds 2003 (en voor Vlaams-Brabant sinds 2014 ingevolge de splitsing van BHV in 2012) worden zetels voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers verdeeld door het stemmentotaal van een lijst binnen een provincie samen te tellen, en vervolgens te delen door de delerreeks 1,2,3,4... tot alle te begeven zetels zijn uitgeput. De bekomen quotiënten (stemmenaantal/1, stemmenaantal/2...) worden gerangschikt en bepalen hoeveel zetels elke partij haalt. Dit systeem wordt in België al gebruikt sinds het einde van de negentiende eeuw, toen er werd overgeschakeld naar een proportioneel kiessysteem (1899). De huidige kiesomschrijvingen dateren evenwel slechts van 2003. Tot 1999 werden de zetels in twee stappen verdeeld: eerst binnen de kieskring, dan pas op provinciaal niveau. De einduitslag kwam overeen met wat we nu kennen, maar gezien de verschillen tussen de kieskringen verliep de verdeling zeer onvoorspelbaar. Dat is nu veel minder zo (cf. supra over de context waarin de kiesdrempel werd ingevoerd).

Toch spelen er nog een paar willekeurige elementen mee. In de eerste plaats het te begeven aantal zetels. Vaak ontstaat er een klein onevenwicht omdat partij X net het laatste quotiënt vast heeft voor een zetel, en partij Y daarvoor net te kort komt. Dit is natuurlijk onvermijdelijk. De Grondwet spreekt over een zetel per 40.000 kiezers, grosso modo blijft dit gerespecteerd. [Tenminste, als je naar het aantal ingeschreven kiezers kijkt. In sommige kieskringen (Brussel-Hoofdstad, Provincie Henegouwen) ligt het aantal uitgebrachte en geldige stemmen veel lager, ondanks de opkomstplicht. In de feiten zijn daar dus minder stemmen nodig om een zetel te halen (Brussel: 33.000, Henegouwen: 36.000).]


1. Kamer
Oost-Vlaanderen
PVDA 0 (=)
groen 2 (=)
sp.a 3 (=)
CD&V 3 (-1)
N-VA 6 (=)
openVLD 4 (=)
Vlaams Belang 2 (+1)


Het dichtste bij een extra zetel staat de CD&V (vierde quotiënt 4,27%), ten koste van de openVLD (4,31%). Dit betekent concreet dat de CD&V 0,04% x 4 x 988.820 = 0,16% of amper 1.582 stemmen te gaan heeft om de vierde zetel te heroveren, een zeer miniem verschil. Oranje/blauw is een klassiek antagonisme, maar sinds een paar verkiezingen niet meer om uit te maken wie de grootste in de provincie wordt.

West-Vlaanderen
PVDA 0 (=)
groen 1 (=)
sp.a 3 (=)
CD&V 4 (=)
N-VA 5 (-1)
openVLD 2 (=)
VB 1 (+1)

Het dichtste bij een extra zetel staan groen (tweede quotiënt 4,78%) en de CD&V (vijfde quotiënt 4,73%), ten koste van de N-VA (5,1% als vijfde quotiënt). Dit betekent dat groen resp. de CD&V 5.170 en 14.944 stemmen dienen te stijgen om hier aanspraak op te kunnen maken. Een relatief kleine verschuiving  kan dus CD&V terug de grootste maken in deze traditioneel oranje provincie.

Antwerpen
PVDA 1 (+1)
groen 3 (+1)
sp.a 3 (=)
CD&V 5 (+1)
N-VA 8 (-3)
openVLD 2 (=)
Vlaams Belang 2 (=)

Gezien het kleine verschil in 2014, en de duidelijke opwaartse trend in de landelijke peiling, lijkt het waarschijnlijk dat de PVDA de drempel haalt. Let wel: Antwerpen betekent hier de provincie Antwerpen. In 2014 is gebleken dat de radicaal-linkse partij moeilijk rekruteert in de niet te verwaarlozen residentiële en plattelandsgemeenten. Als we de landelijke trends toepassen op de uitslag voor het Vlaams Parlement uit 2014, zou de N-VA de zetel voor de PVDA kunnen innemen.

VB en groen zijn ongeveer even groot, de CD&V verliest licht, maar recupereert één van de drie in mindering gekomen N-VA-zetels. Bemerk uiteraard ook dat het CD&V-resultaat voor de Kamer in 2014 (waaruit de huidige zetelverdeling volgt) 40.000 stemmen lager lag dan dat voor het Vlaams Parlement, waarvan deze simulatie vertrekt. 40.000 stemmen, dat is een zetel verschil. Echte "winst" is dit dus niet meteen.

In de huidige simulatie is de laatst veroverde zetel voor CD&V (3,74%, vijfde quotiënt). Daarna komt het negende quotiënt van N-VA (3,47%). Haalt de PVDA de drempel niet, dan gaat het om groen (3,29%, vierde quotiënt). Opgepast: dit betekent niet dat groen de PVDA-zetel haalt, wel dat groen de CD&V-zetel kan bedreigen als de PVDA de drempel niet haalt. Haalt de PVDA de drempel, dan kan groen de N-VA-zetel overnemen.

De verschillen:
CD&V-NVA: 27.739 (N-VA moet zoveel stijgen om deze zetel te halen)
CD&V-groen: 20.548 (dit is lager < voor Groen gaat het om de vierde zetel, voor N-VA om de negende)


Limburg
PVDA 0 (=)
groen 1 (+1)
sp.a 2 (=)
CD&V 3 (=)
N-VA 4 (-1)
openVLD 1 (-1)
Vlaams Belang 1 (+1)

In theorie, bij toepassing van de formule uitgebrachte stemmen/kiesdeler, is er in Limburg (12 zetels) meer dan 8% nodig voor een zetel. In de praktijk kan dit lager zijn, afhankelijk van de reële verdeling tussen de partijen en hun onderlinge verhoudingen. De laatste zetel zit hier bij de N-VA (6,88% voor het vierde quotiënt). Als een partij met 6,89% aan de verkiezingen had  deelgenomen, dan was die zetel voor haar. Het eerstvolgende quotiënt (het derde van sp.a) zit 0,84% lager, het daaropvolgende quotiënt (openVLD, tweede) 0,87% lager. Dit betekent een verschil van (0,84% x 3 x 554.454) 13.972 stemmen voor sp.a en (0,87% x 2 x 554.454) 9.647 stemmen voor openVLD.

Vlaams-Brabant
PVDA 0 (=)
groen 1 (=)
sp.a 2 (=)
CD&V 3 (=)
N-VA 4 (-1)
openVLD 4 (=)
VB 1 (+1)

De laatste zetel is in handen van CD&V (5,32%, derde quotiënt), en wordt bedreigd door N-VA (5,04%, vijfde quotiënt, 9.508 stemmen verschil) en -in mindere mate- openVLD (4,79%, vierde quotiënt, 14.397 stemmen verschil). De basis voor deze cijfers is opnieuw de uitslag voor het Vlaams Parlement (waar een minder groot Maggie-effect gespeeld heeft).

Samenvatting
De naakte verdeling is als volgt:
PVDA 1 (+1)
groen 8 (+2)
sp.a 13 (=)
CD&V 18 (=)
N-VA 27 (-6)
openVLD 13 (-1)
Vlaams Belang 7 (+3)

Ten opzichte van de verkiezingen van mei 2014 zouden er dus 7 op de 87 zetels verschuiven. Dat is minder dan 10%. Ter vergelijking: tussen 2010 en 2014 verschoven 9 zetels tussen Nederlandstalige partijen.

Bandbreedte in de zetelverdeling
Maar, net als er bij een peiling een foutenmarge is voor de stemmenaantallen, kan die ook voor de zetelverdeling in kaart worden gebracht. Uit wat hierboven is opgesomd, volgen deze marges:
- Oost-Vlaanderen:  CD&V mogelijk +1, openVLD mogelijk -1
- West-Vlaanderen: N-VA mogelijk -1, groen/CD&V mogelijk +1
- Antwerpen: PVDA mogelijk -1, CD&V mogelijk -1, groen/N-VA mogelijk +1
- Limburg: N-VA mogelijk -1, sp.a mogelijk +1
- Vlaams-Brabant: CD&V mogelijk -1, openVLD/N-VA mogelijk +1

Bijkomend zouden dus nog zes extra zetels momenteel kunnen veranderen. Samen 13 op 87, of een partij ter grootte van de sp.a.

Samen:
PVDA 0-1
groen 8-10
sp.a 13-14
CD&V 16-20
N-VA 25-29
openVLD 12-14
Vlaams Belang 7


Meerwaarde ?
Een bandbreedte in de zetelverdeling geeft aan in welke richtingen versterking dan wel afzwakking van de trends in de peilingen effecten zullen hebben, uitgaande van de huidige zetelverdeling en de foutenmarge in de peilingen. Stijgt de N-VA terug (of bevindt ze zich nu eerder aan de bovenkant van de vork van de foutenmarge, dan in het midden), dan worden de CD&V-zetels in Antwerpen en Vlaams-Brabant fragiel. Stijgt de CD&V, dan leidt dit tot verlies bij openVLD in Oost-Vlaanderen en bij N-VA in West-Vlaanderen. 

De geografie van de verkiezingen van 2014 heeft in alle provincies de traditioneel dominante partijen naar de tweede plaats verwezen. Vooral het resultaat in West-Vlaanderen was een verrassing. Een eventueel dipje van de momenteel dominerende partij kan een aanzet zijn om uitgaande van de trends in de peilingen en de historisch verankerde inplanting van de andere partijen, de perspectieven voor een verschuiving te bekijken. Een verhouding 16-29 is een totaal andere wereld dan een verhouding 20-25, maar zal zich sterker manifesteren in andere provincies.

Update 8 april
De peiling van La Libre Belgique/RTBf (Dedicated Research, de vroegere peiling van Le Soir, internetpanel) geeft op het eerste gezicht extremere getallen, met een groter verlies voor N-VA en een grotere winst voor het VB. Als we de zetelverdeling berekenen, komen we evenwel hierop (tussen haakjes verschil met bovenstaande peiling):

PVDA 1 (=)
groen 8 (=)
CD&V 17 (-1 Antwerpen)
N-VA 25 (-2: Antwerpen, West-Vlaanderen)
openVLD 12 (-1 Oost-Vlaanderen)
Vlaams Belang 11 (+4: 2 Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen)

Met andere woorden: alles ligt nog binnen de hierboven getekende vork, alleen bevindt N-VA zich aan de onderkant (25), en wordt het VB gezien de actualiteit naar boven gecorrigeerd.

De Franstalige zetelverdeling zou volgens de Libre-peiling als volgt zijn:
PTB 5 (+3)
Ecolo 8 (+2)
PS 20 (-3)
cdH 9 (=)
Défi 2 (=)
MR 17 (-3)
PP 2 (+1)

Beide taalgroepen samen:
Radicaal links 6 (+4)
Groen 16 (+4)
Socialistisch 33 (-3)
Christendemocratisch 26 (-1)
Vlaamsnationalistisch 25 (-8)
Défi 2 (=)
Liberaal 29 (-5)
Extreemrechts 13 (+9)

Geen opmerkingen: