zondag, oktober 31, 2010

Gents intern toerisme

Ter gelegenheid van buitenlands bezoek ging ik de afgelopen dagen op verkenning in de Gentse monumenten. Naast een best wel interessante Ensor-tentoonstelling in het SMAK en MSK was ik vooral onder de indruk van de video-rondleiding door "broeder Alison" in de Sint-Pietersabdij, die de bezoeker meeneemt op een wandeling door het (nog steeds indrukwekkende) abdijcomplex, vlak na de slag bij Fleurus (1795) en de ingrepen van de Franse revolutionairen. € 6,75 in verminderd tarief, maar zeker zijn geld waard (denk maar aan het prachtige zicht op de Sint-Pieterskerk vanop het orgelbalkon). Jammer dat er niet meer ruchtbaarheid aan gegeven wordt.

Met STA*M, MSK, SMAK, Gravensteen, Belfort, Kathedraal, Universiteit (fac. Rechten/Aula), Stadhuis, St-Baafsabdij, Dr. Guislain, Caermersklooster, Huis van Alijn, Vooruit... beschikt Gent stilaan over een programma dat voor toeristen meer dan een weekend kan vullen.









(Kerk die heel erg doet denken aan de Val de Grâce in Parijs)



(Ensor-betogers, MSK)



dinsdag, oktober 26, 2010

Michel Winock en de hyperprésidence van Sarkozy

Zéér goed interview met Michel Winock (emeritus Sciences Po, van wie ik hier eerder zijn Clemenceaubiografie besprak) over de contestatiebeweging in historisch perspectief, online op Rue89.

Edit: deel twee van het interview staat hier.

maandag, oktober 25, 2010

Elke Fransman zijn slogan...

Het is ook een van mijn favoriete dingen bij het monsteren van een betoging: de zelfgemaakte kartons met originele slogans en "cris du coeurs". Dikwijls grappiger dan de officiële richtsnoeren. Mooi overzicht hier bij Slate.

zondag, oktober 24, 2010

Marianne op de barricaden

Le Monde analyseert de voornaamste beelden en symbolen van twee weken staken en betogen en plaatst ze in een historische reeks (1789-1830-1848-1870-1968...).



zaterdag, oktober 23, 2010

Chicken game tussen extremisten...

(bron: De Standaard)

KAREL DE GUCHT maakt zich zorgen over de communautaire onderhandelingen. Niet omdat hij geen uitweg meer ziet, integendeel: volgens hem wordt het conflict juist opgeblazen door een irrationeel opbod tussen de onderhandelaars.
‘It is said that who knows the enemy and knows himself will not be endangered in a hundred engagements.'

(Sun Tzu, Art of War.)

Bijna drie jaar geleden publiceerde ik in deze krant een analyse waarin ik mijn wanhoop over de communautaire patstelling uitschreeuwde (DS 15 november 2007). Dat beide zijden van de taalgrens de nuchterheid en verantwoordelijkheidszin moesten hervinden, was toen al duidelijk, schreef ik, want ‘het eenzijdig afwijzen van een gesprek is in een volwassen federalisme even onhoudbaar als het eenzijdig doordrukken van maatregelen'.

Het politieke opbod in beide gemeenschappen deed me toen denken aan de filmklassieker van Stanley Kubrick, Dr Strangelove or: How I learned to stop worrying and love the bomb. Bijna drie jaar later is van een volwassen federalisme nog altijd niet veel te merken. De communautaire wapenwedloop is alleen maar verder uit de hand gelopen en we zijn intussen het stadium van de zwarte komedie ver voorbij. Het is tijd om ons werkelijk zorgen te beginnen maken en onze voorliefde voor institutionele atoombommen af te zweren.

De schuld voor het falen eenzijdig bij het andere kamp leggen, is net iets te gemakkelijk.

Communautaire domino's

Aan de basis van deze impasse ligt een diepgeworteld wederzijds onbegrip dat er in de loop van die drie jaar enkel groter op is geworden. En dergelijk onbegrip leidt altijd tot politieke extremen, zo legde psycholoog en Nobelprijswinnaar economie Daniel Kahneman in 2007 uit in een stuk in Foreign Policy met als titel ‘Why hawks win' (‘Waarom haviken winnen').

Hij onderzocht waarom conflicten vaak escaleren tot ver voorbij het punt waarop beide partijen enkel nog te verliezen hebben en verklaarde dat vanuit de systematische fouten in ons denken. Onze kijk op de wereld is zelden zo nuchter en realistisch als we wel denken, onze beslissingen al evenmin. ‘Predictably irrational', voorspelbaar irrationeel, zo bestempelt hij de menselijke soort.

Nog opmerkelijker is dat dergelijke denkfouten in een politieke context telkens weer de neiging tot conflict versterken, en nooit onze compromisbereidheid. De dialectiek van het conflict produceert haviken. Signalen van de tegenpartij worden steevast als overdreven agressief aanzien en de indruk die we zelf op anderen maken wordt al evenzeer verkeerd ingeschat. Politieke leiders overschatten in regel ook hun eigen macht bij aanvang van een offensief. Zelfs bij een slopende strijd schuiven ze het redelijke compromis vaak al te lang voor zich uit.

Ook de politieke soort reageert voorspelbaar irrationeel en, of ze nu gelijk hebben of niet, haviken zijn daardoor overtuigender dan duiven.

Kahneman paste zijn analyse toe op diplomatieke en militaire conflicten, die al te vaak aangezwengeld worden vanuit een verkeerde inschatting van zowel de eigen positie als van de uitgangspunten van de tegenstander. Maar ze past ook perfect op de recente evolutie in de Wetstraat, waar stilaan alleen de haviken nog overeind blijven en de ratio ver te zoeken is.

Zo legt hij uit hoe de eigen houding in regel vanuit de politieke context verklaard wordt, gezien wordt als een onvermijdelijk antwoord op de tegenpartij, terwijl de strategie van een ander al te gemakkelijk als doelbewust agressief beoordeeld wordt. ‘What is ironic is that individuals who attribute others' behavior to deep hostility are quite likely to explain away their own behavior as a result of being pushed in a corner by an adversary', schrijft Kahneman. Het ‘hij-is-begonnen' argument geldt dus niet alleen bij kinderen.

Mensen slagen er bovendien ook zeer slecht in in te schatten welke indruk ze zelf op de buitenwereld maken — iets wat in internationale crisissen maar al te vaak tot opbod en escalatie leidt. Zo waren Amerikaanse bewindvoerders er in aanloop naar de Korea-oorlog van overtuigd dat er niet de minste twijfel kon bestaan, zelfs niet in hoofde van de Chinese communisten, over de niet-bedreigende bedoelingen van hun tussenkomst, terwijl de Chinese interventie — nochtans een tegenreactie tegen coalitietroepenbewegingen in Korea — als een inherent agressieve daad gezien werd.

Ook de Belgische haviken verklaren hun positie telkens als een redelijke, want logische reactie op het opbod in het andere kamp, en het onbegrip voor de politieke context aan de andere kant van de taalgrens blijft totaal.

Vlaanderen onderkent wellicht nog te weinig hoezeer de roep om een grondige staatshervorming, zoals die uitkristalliseerde in de eis tot eenzijdige splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, door Franstaligen unaniem gezien wordt als een daad van agressie eerder dan een legitieme rechtzetting van een anomalie in de Belgische federale structuren. De Vlamingen hebben de Franstaligen er vooralsnog niet kunnen/willen van overtuigen dat zij België en de Belgische consensusdemocratie nog niet opgegeven hebben.

In die zin is het enigszins begrijpelijk dat een flink deel van de Franstalige publieke opinie achter de splitsing van BHV nog altijd een verborgen agenda vermoedt, zoals vorige week nog verwoord door MR-kamerfractieleider Daniel Bacquelaine: ‘De splitsing zet de deur open voor Plan B.'

Die communautaire dominotheorie mag dan al begrijpelijk zijn, dat belet nog niet dat het een fundamenteel contraproductieve redenering is gebleken. Want om Vlaanderen van de werkbaarheid van het Belgische consensusmodel te overtuigen, is meer nodig dan louter verbale hervormingsgezindheid en verantwoordelijkheidzin. Om Plan B te voorkomen moet Plan A kans op slagen krijgen, maar de angst voor Plan B is een bijzonder slechte raadgever gebleken.

Professor Kris Deschouwer haalde eerder deze week nog eens aan dat uit geen enkel onderzoek blijkt dat de kiezer communautaire thema's op zich als een prioriteit ziet, en dat standpunten daarover telkens opvallend gematigd blijken te zijn (DS 19 oktober). Maar na jaren armworstelen heeft men de Vlaamse publieke opinie er wel van overtuigd dat een verregaande hervorming een noodzakelijke voorwaarde is om doortastend te besturen op vlakken die de kiezer wél rechtstreeks aangaan, zoals jobs, sociale zekerheid en justitie.

Meer nog, Vlaanderen schijnt in de illusie te verkeren dat een staatshervorming een voldoende voorwaarde is voor beter en zuiniger bestuur, net zoals Wallonië en Brussel meer en meer zijn gaan geloven dat iedere aanpassing aan de huidige structuren alleen maar in hun nadeel kan zijn.

De feitelijke weigering van Franstaligen om op communautair terrein vooruitgang te boeken, bevestigt alleen het nationalistische discours dat wil dat de tegenstellingen over de taalgrens heen niet meer te overbruggen zijn. Want als de Vlamingen sinds 2007 radicaliseren, beschouwen ze dat oprecht voornamelijk als een tegenreactie op de Franstalige onwil. Oprecht, maar daarom nog niet terecht.

Ieder zijn waarheid dus, ook al is die almaar verder van de realiteit verwijderd.

Om deze twee met mekaar te verzoenen zullen beide gemeenschappen moeten aantonen dat ze niet aan de communautaire karikaturen voldoen. Dan zal Vlaanderen de basisprincipes van de Belgische consensusdemocratie moeten herbevestigen en ook de werking van de federale staat de komende jaren veilig stellen. En kan Franstalig België een versterking van de financiële verantwoordelijkheid en politieke autonomie van de regio's niet langer uit de weg gaan.

Alles of niks

Beide zijn, zeker na de morele uitputtingsslag van de voorbije jaren, meer dan noodzakelijk maar verre van evident. Want niet alleen zijn de uitgangspunten van politieke conflicten vaak scheefgetrokken, ook de inherente dynamiek loopt makkelijk uit de hand.

Eens ze op de trein van hun eigen conflictlogica terechtgekomen zijn, raken leiders er nu eenmaal bijzonder moeilijk weer af. Een irrationele aversie van verlies belet hen doorgaans hun verliezen te beperken. Liever lopen ze het risico op een nog groter verlies. Het uiteindelijke resultaat: het alles-of-niks van de gokverslaafde.

Voorbeelden van zo'n redeloze volharding zijn er doorheen de geschiedenis te vinden, zoals schitterend omschreven door Barbara Tuchmann in De mars der dwaasheid. Waren de uitgangspunten voor vredesonderhandelingen pakweg begin 1915 fundamenteel anders dan eind 1918? Was de ‘peace with honour' die Nixon in 1973 tekende zoveel beter, eerbaarder of vreedzamer dan wat onder Lyndon Johnson op tafel lag eind 1968? Rationeel bekeken zeker niet — en toch waren de geesten rond de onderhandelingstafel pas aan het eind van de slopende Vietnam-oorlog voldoende gerijpt om te tekenen.

Laat ons hopen dat we stilaan aan het einde van de Belgische communautaire loopgravenoorlog gekomen zijn, want na drie jaar politieke verlamming zijn de risico's torenhoog en is de schade voor het vertrouwen in de Belgische politiek onherroepelijk.

‘A fanatic', zei Churchill ooit, ‘is one who can't change his mind and won't change the subject.' België telt almaar meer fanatiekelingen die weigeren van mening of van onderwerp te veranderen, hoewel het voor dat laatstse na drie jaar politieke stilstand hoog tijd is. Drie jaren van ongezien economisch stormweer nota bene, waarin burgers en bedrijven meer dan ooit houvast zoeken bij de overheid en internationale spelers zenuwachtig toekijken op de budgettaire haalbaarheid ervan.

Wie in Brussel of Wallonië nog gelooft dat dit spektakel de solidariteit ten goede komt, vergist zich schromelijk. Wie in Vlaanderen nog volhoudt dat dit een redelijke zaak van goed bestuur is, waar Vlaamse burgers of bedrijven alles bij te winnen hebben, die maakt zichzelf iets wijs.

Dit is iedere logica al lang voorbij.

En we mogen dan al van analyse verschillen over de taalgrens heen, de funeste gevolgen zullen netjes over alle burgers verspreid worden.

Intussen doet België het verrassend goed tot uitstekend als voorzitter van de Europese unie en vragen ze zich, volgens de VRT-verslaggever in Pyongyang, tot in Noord-Korea af wat er aan de hand is en of België gaat splitsen…

KAREL DE GUCHTWie? Voormalig vicepremier, nu Europees Commissaris voor Handel. Hij schreef deze bijdrage in eigen naam. Wat? De communautaire patstelling is gebaseerd op een foute perceptie langs weerszijden van de taalgrens. Waarom? De onderhandelaars voelen zich te snel aangevallen en onderschatten tegelijk hoe agressief ze zelf.

vrijdag, oktober 22, 2010

Riots in France

My current research leads me oft into unforeseen areas. Although one expects to find nothing but international politics and court gossip in diplomatic correspondence, the sources are considerably richer. As with almost every other societal sphere of the Ancien Régime, the theatre "high politics" is an intermixed entanglement of themes the modern reader tends to separate.


For instance, in 1720, commercial interests appear as the spearhead of the writers' focus, alongside dynastic and territorial interests. France and Britain just managed to reconcile Spain and the Emperor through the former's accession to the Treaty of the Quadruple Alliance, which pacified the Italian peninsula and the whole Mediterranean. All of a sudden, the economic foundations of both nation's stability faltered. After the War of the Spanish Succession (1702-1715), in Britain as well as in France, public debt had been "resorbed" by the creation of colonial trade companies. Shareholders bought the debt back by their investment, bearing the entrepeneur's risk as the detainers of the corporation's capital. Speculation on the huge profits promised by American trade created a bubble. Debt came rolling back, not on the government, but directly on its wealthier subjects, potentially destroying economic life.


In Britain, the main "South Sea Bubble" victims were leading Whig politicians. The French disaster mainly touched the "parlementaires" (jurists acting as lawyer, attorney or judge in the country's sovereign court), but had wider implications as well. The Scottish minister John Law, instigator of the "Système" of the "Compagnie des Indes", had acquired the right to have his Bank serve as as the country's National Bank. He could thus issue paper money, with the Company's assets underwriting their value.


With stock prices tumbling down, hyperinflation paralysed the country's economic system. Philip of Orléans, Regent until Louis XV reached 13 years of age (1723), had to strike down the crisis with severe measures. They remind of the "Operation Gutt" the Belgian government held after the Second World War. Frenchmen holding stock in foreign overseas trade companies (e.g. the Habsburg Ostend Company) were obliged to withdraw their investments. Whoever owned banknotes worth over 500 livres tournois had to give them back to be destroyed.

The consequences were drastic. The "Compagnie" was virtually bankrupt, the Bank would inevitably have to close. While the former problem could be solved by assigning the "ferme" -or private exploitation of tax revenue-, the latter operation led to the fall of John Law.

The letter reproduced in this blogpost is a dispatch from Robert Sutton (Secretary to the British Embassy in Paris) to James Craggs, Secretary of State for the Southern Department ("Minister of Foreign Affairs") in Whitehall. An angry mob assaults the Palais Royal where the Regent holds his court, people are queueing up before Law's Bank, the army is sent in, the Parliament exiled to Pontoise. Somehow, it reminds us of protests in France today. Just change the Regent and the mob for Sarkozy and the CGT... Or Robert Sutton for the BBC's Gavin Hewitt.

Paris 26 July N.S. 1720
Sir
I have now the honour of your letters
of the 4th & 7th Inst to acknowledge _ I
omitted giving you an account by last post
of the tumult, which happened here on the
17th Current, because the Reports of it were so
various, that it was impossible of a sudden
to distinguish reality from rumours. I shall
now therefore give you a succinct but certain
relation of that matter _ Befor day
several small troops of people were observed
walking thrô the streets & complaining of
their miserable condition, and it being
market day there appeared a greater concourse
than usual before the Bank to receive money
v
for notes of 1 livres, which the guards
within having remarked, they put themselves
in order with their bayonets in the mouths
of their pieces _ at the opening of the Gates,
the first, that crowded in, being frighted to see
the guards in that posture, fell back, & those
who were behind, pressing forward at the
same time, about 15 people were either stifled
or trodden under foot & previously bruised.
Upon this the mob carried three of the dead
bodys to the Palais Royal with design to
shew them to the Duke Regent & move his
compassion & endeavoured to enter with
them into the Court of the Palace, but
were hindred by the Swiss guard. Monsieur le Blanc went to them at the Gate & appeased
233r
them in a great measure by good words and
money wch he distributed to them. Thence
they went to the church of quinze vingt,
which is near the Palais Royal in the same
street, tot get the corps buried, but the curé
refused to allow it 'till a proces verbal should
be drawn up. While they were discoursing
upon the matter Mr Law chanced to come by, and
his coachman driving briskly with much ado
made his way thro' the crowd. But one of the
mob urging out, let us pursue the author
of our misfortunes, they ran after the coach in
such confusion, that mr law very narrowly
escaped into the Palais Royal. The Coach
being sent away some time after the Coachman
seeing a number of people still assembles before
v
the gates, cried out aloud, il faudroit faire
pendre une vingtaine de cette canaille, upon
which they fell apalling him with stones, wch
bruised him &  broke the foreglass of the
Coach. Thence they went to mr Law's
house, where, the Gates being shut, they
broke the Windows towards the street with
stones, but were driven away & dispersed by
the Guards before they cou'd do any more
mischief. One of those, who were stifled
had above 100 livres, &  the others about 80
livres a piece in silver money about them,
which made it plain that they made a trade
of getting specie for small notes, & were employ'd
by the agioteurs, who discounted bank notes
at about 30 pr cent upon the place of Vendome
234r
___ The whole riot seems to have been
purely accidental & without any previous
concert, neither do I perceive that upon
enquiry any person of note is found to have
encouraged it or to have been privy to it,
tho' the general discontent is come to a
great height. __ The morning after the
tumult an arret was published to forbid the
people's assembling or gathering together
unlawfully in great companies & the guards
were doubled everywhere, as they still remain.
But no great search hath been made after
the principal actors in the Riot, nor hath
anybody, that I hear of, been punished on
that account ____ It was judged necessary
for Mr Law's security that he shou'd remain
v
in the Palais Royal, where he hitherto continued
in a small apartment of monsr coche, one of
the Regent's valets de Chambre ___ The Bank
hath been shut ever since the 17th but tis
given out it will be opened again very
suddenly to pay off notes of 100 livres.
The Parliament having of late
refused to register the several ordonnances
& arrêts made for redressing the affairs of the
Bank & East India Company, particularly
that which is here inclosed in manuscript,
and the first president, as well as some other
consellours having plainly told the Regent
that the only way to remedy the present disorders,
wou'd be to remove mr Law, and it being
further apprehended that by their example
235r
of opposing the measures of the court, their
credit & discourses, they contributed much to
harden & confirm the people in their distrust,
and lastly there being plain grounds of suspicion
if not certain proof, that a good number of that
body were concerting measures to declare the
king major, the Regent thought fit to transfer
their session hence to Pontoise. Accordingly
on Saturday the 21th inst. About 3 a clock in the
morning a large detachment of the guards
seized upon the palais, & the same day lettres
de cachet were sent to each particular
president & counsellors ordering them to
remove to pontoise, which they obeyed with
great submission on Monday last ___ The
Prince of Conti, who was in a correspondence
v
with them, hath been forced to make his
submission & peace with the Regent to prevent
the Resolutions, which would otherwise have
been taken against him. When he Regent
had an explanation with him & reproved him
for his violent language in council against
the measures proposed for reestablishing the
publick credit, telling him he is a young man
& could not understand those matters, & asking
him if he was willing that mr law should
want on him to inform him of them, he
answered that he would have nothing to do
with mr law, but was willing to be instructed
by the chancellour. He afterwards desired
that his name might not be inserted in any
ordonnances or arrêts to which he had not
236r
consented, which the Regent told him should
be granted &
observed.
The Duke Regent has caused some
troops to enter & quarter in the town &
others to advance as far as charenton to
the number of 8000 men, which keeps the
town in so great awe, that it has remained
very quiet without the least disturbance
since the bustle of the 17th Inst. Nevertheless
these measures & the arrêts come out since,
are so far from restoring credit by causing the
general distrust, that we are hitherto at a
morse pass & in greater streights than before,
in so much that it is really matter of wonder
how people subsist. The discount upon bank
notes for mony in the place of vendome is come
v
to 50 or 55 cent, & the notes will not pass
in payment for Goods without a greater loss
but many people will not receive them at any
rate, & there are several hands of provisions,
which cannot be procured without ready mony.
These circumstances breed such a confusion
as cannot easily be conceived by those, who do
not bear a share in it. The only thing which
affords some case & relief is the general
disposition rather to give credit than receive
payment in bank notes, which the debtor will
be sure to pay very dear for at long run.
All the arrets & ordonnances, that have
come out since my arrival here, have been so
far disregarded, that they have produced little
or no effect; nay they are grown into so great
237R
neglect & contempt, thrô the distrust & obstinacy
of the people, hitherto invincible, that many do
not think it worth their while to buy them,
when they are cried in the streets. You will
/
find herewith those, which have been publish'd
since my last.
I have obtained the Brevet for the sale
of My Lord Gallaway's estate; and the English
artificers imprisoned at Roan have been
enlarged by vertue of an order, which mr law
delivered me & I dispatched down for that
purpose.
Before I received their excellencies the
Lords Justices commands in your letter of
the 4th Inst relating to the protestants
condemned at Nimes, who are 19 in number,
v
I had spoken to M. de la Vrilliere, & Mr Law
about them. The Duke Regent had commanded
the pain of the Gallys, to which they were
condemned pursuant to the Ordonnances and
Declarations, into that of Transportation
into the Country of Mississipi. The latter
of those gentlemen assured me, he had all
along dissuaded the Regent from using
severity to the Reformed, whom he looked
on to be usefull subjects & well affected to
his Royal Highness; that he did not desire
any of them should be sent to the mississipi, &
would give his advice for releasing those
above mentioned. The Regent has been
so busy for some days past, that I have not
found an opportunity to discourse with
238r
him upon this subject. As soon as I have
seen him, I shall acquaint you with his
answer.
The Duke of Liria eldest son to the
Duke of Berwick came to me 3 days ago
desiring me to ask your favour in procuring
him a Pass from the Lords Justices to go into
Ireland to see his grandmother who is very
rich &old. He is willing to see England in his
way, & says the dispositions his father & he
are in are so well known that he believes he
shall be liable to no suspicion.
I am with all imaginable respect
Sir
Your most Humble
& most obedient servant
Rob. Sutton

Historische tijdschriften in België en Nederland

Gisteren woonde ik in Gent het door Wetenschappelijke Tijdingen (ADVN) georganiseerde symposium over de toekomst van historische tijdschriften in België en Nederland bij. Aan de orde twee problemen:
- Digitalisering
- De sandwich tussen Angelsaksische globalisering en erfgoed-hobbyisme

1. Digitalisering
De wetenschapsbeoefening wordt kwalitatief ingrijpend veranderd door het internet. Als ik mijn eigen werkwijze vergelijk met die van twintig jaar geleden, is het nu veel eenvoudiger om snel aan informatie te raken
- "out-of-copyright"-werken staan op Gallica of Google Books, tijdschriftartikels op JStor, Cairn... Je klikt, downloadt, en het staat op je harde schijf; zelfs previews van werken die onder copyright staan, kunnen al volstaan om een voetnoot te verifiëren of om snel iets op te zoeken
<=> vroeger: je gaat naar een bibliotheek, raadpleegt er de "fichenbak", haalt het boek uit het rek en racet tegen de tijd om nota's te nemen (voor de eigen "fichenbak")
- Je kan op korte tijd enorm veel informatie uit een archief meenemen door te fotograferen (indien toegestaan). Het is niet meer nodig om dure kopies of reproducties op (slecht leesbare) microfilm aan te schaffen, je zet alles gewoon terug op je harde schijf.

Op die manier beschik je over een volledig mobiel bureau, in de vorm van je laptop. Zo komt er veel meer tijd vrij om echt aan onderzoek te doen.

Probleem: digitalisering is een tweesnijdend zwaard. De consument van informatie kan actief alle bibliotheken ter wereld  afspeuren en op zijn harde schijf het materiaal verzamelen voor een oneindig aantal doctoraten. Eens hij zich aan het schrijven zet, komen de nadelen snel boven:
- Internet geeft de mogelijkheid om snel en gratis te publiceren (blogs, papers posten op netwerken als SSRN...), en door veel mensen te worden gelezen. Probleem: dit leent zich dikwijls tot repetitief en onorigineel werk, dat de moeite van het klikken en downloaden nog niet waard is (helaas is dit ook bij "grote namen" het geval). 
- Publiceren bij een "gerankt" tijdschrift wordt moeilijker. Aangezien de meeste tijdschriften overschakelen op Engels als paritaire of enige taal, komt er een stortvloed aan manuscripten van auteurs over de hele wereld binnen. Om zich nog te kunnen onderscheiden van de andere mogelijkheden van kenniscommunicatie, gaan tijdschriften ook vaker over tot het publiceren van themanummers, die kunnen terugvallen op een "ons-kent-ons"-systeem, rond een (al dan niet niche-)debat draaien...

- Wie een groter werk kwijt wil, wordt  steeds meer om commerciële redenen gevraagd om te reduceren (indien het om een gedrukt boek gaat), maar zit ook verveeld met de "mentale tijd" van het internet, die zich niet leent tot intellectuele producten met een langere concentratieboog. 30 pagina's is zowat het maximum voor een te downloaden artikel. Lezers maken een selectie op basis van een diagonale lezing op hun scherm. Is het dan niet interessant, vliegt het de prullenbak in.

Daarnaast ondergaat de discipline ook de druk van het algemene wetenschappelijke evaluatiemodel, dat geschoeid is op de leest van de positieve wetenschappen:
- Geschiedenis lijkt een wetenschap te worden die zich beperkt tot het cumuleren van metadiscours dat binnen een niche of subniche van het veld dominant is (voorbeeld: "Genderstudies in Noord-Europa tijdens de Volle Middeleeuwen", "Sociale ongelijkheid rond de Middellandse Zee in de 17de eeuw"), en (ironisch) "geen tijd" heeft voor het vertellen van een verhaal of het ontsluiten van bronnenmateriaal. Je moet met andere woorden meeheulen met een mode van het moment.
- Op die manier wordt de individuele wetenschapper/"kamergeleerde", die zich aan een origineel werk wijdt, gemarginaliseerd, als hij niet in een netwerk zit. We evolueren naar toestanden als die in de sociale of harde wetenschappen, waar artikels door een veelheid aan personen worden ondertekend, om toch maar op het cv te kunnen prijken. Wetenschap als "the social network"...

Los van deze bedenkingen, is het misschien nuttig te vermelden dat een aantal prestigieuze tijdschriften online in open access beschikbaar zijn:

- Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/Low Countries Historical Review (klik hier): moving wall van twee jaar, de rest is gratis downloadbaar en doorzoekbaar, A op de ESF-lijst.
- Tijdschrift voor Geschiedenis: betalend, want werkt met commerciële uitgever (hier). Op de Thomson en de ESF A-lijst.
- Revue belge de philologie et d'histoire/Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis (°1922): komt binnenkort gratis online op persée (klik hier), de open access-site van het CNRS (waar ook andere prestigieuze tijdschriften als de Annales, Annuaire français de droit international, Revue internationale de droit comparé, Histoire, Économie et Société, Vingtième Siècle, Revue française de science politique... hun archief geparkeerd hebben). Het tijdschrift is normaal A1, maar is blijkbaar intussen van de Thomson-Reuterslijst gedonderd (klik hier). Op de ESF-lijst staat het als A (als dit bestand up-to-date is).

Niet in het panel gisteren, maar wel op internet aanwezig in open access: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis (Thomson Reuters A1, ESF B, hier).

2. Tweestromenland
Zoals te verwachten, waren de tijdschriften in drie groepen op te delen:
- Internationale, peer-reviewed, meertalige publicaties
- Nationale, op een breed publiek gerichte publicaties (Brood & Rozen, Wetenschappelijke Tijdingen)
- Regionale tijdschriften (Gent, Waasland, Leiegouw...)

Het beleid in Vlaanderen creëert een tweesporenbeleid voor publicaties
1) Internationale tijdschriften met peer-review
Worden gebruikt om universitaire carrières te evalueren. Gevolg: auteurs schrijven niet meer voor wat niet gerankt is, en ook bijna niet in het Engels.
- Positief < zorgt voor meer internationale contacten en een zo breed mogelijke kwaliteitscontrole. Zorgt ook voor meer comparatief onderzoek.
- Negatief < kwantitatief evalueren (in essentie is peer-review kwalitatief, want verricht door de meest competente professionals uit het veld, maar door het rankingsysteem kom je tot een eerder bureaucratisch optellen van stukken en stukjes).

2) Lokale tijdschriften:
Worden opgeslorpt door het "erfgoed"-beleid, dat eigenlijk neerkomt op "recycleren" van onderzoek. Dreigen het werkterrein van amateurs te worden, omdat het beleid professionele historici de ivoren toren injaagt.

Vulgariserende/generalistische/niet-A Nederlandstalige tijdschriften worden door het beleid vergeten, omdat ze noch op het lokale, noch op het internationale spoor zitten, en kunnen enkel werken dankzij de centen van een archiefinstelling (Amsab, ADVN, SOMA...).

Probleem:
- Lokale tijdschriften hebben veel abonnees en zijn eigenlijk een interessant forum om de maatschappij (lees: de Vlaamse belastingbetaler) te betrekken bij wat historici doen. Je kan er als onderzoeker je resultaten breed verspreiden. De vertegenwoordiger van de Leiegouw merkte sarcastisch op dat in een modale centrumstadbibliotheek de wetenschappelijke tijdschriften amper gelezen worden, maar de regionale des te meer. (categorie 2)
- Hoe stroomt onderzoek nog door naar het onderwijs ? Lezen bijvoorbeeld leerkrachten geschiedenis de wetenschappelijke tijdschriften wel ? (cf. categorie 3) In Frankrijk wordt dit opgevangen door boekreeksen als "Que sais-je" of gewoon de doorsnee boekhandels die de monografieën van "grote namen" verspreiden. Historici kunnen kritiek hebben op de media, omdat ze onvoldoende aandacht geven aan geschiedenis. Maar eigenlijk is dat hun eigen schuld, als ze niets aanleveren dat zich kan lenen tot vulgarisatie... Welke krant zit te wachten om een Engelstalig werk voor de incrowd te recenseren ?

donderdag, oktober 21, 2010

Pour un rattachisme historiquement correct (bis)

Magnette suit ma petite pièce satirique (cf. post précédent). Tiens.

Jacobite Parisian pub fight...

(The Old Pretender)

Le samedy 8e juin N.S. jour de la naissance du Roy
de la Grande Bretagne, le Chevalier Buckworth,
le Major Gordon (du regiment d'ottway) et le
capitaine de la melloniere, tous les trois officiers dans
les troupes de sadite majestè, furent jusques à 9 heures
du soir chez my lady stair, où il y avoit grand monde.
De là nous fûmes au caffèe de gregoire, qu'on apelle le
caffè anglois étant le rendezvous des messieurs de la
nation britannique, où nous trouvâmes trois messrs
de nos amis, sçavoir messrs Jennins, Hornby et
Hamilton, mais comme il s'y trouva nombre de
Jacobites qui examinoient nos habits, et faisoient mine
comme portez à nous dire des choses que nous auroient
pû faire naître des affaires facheuses, nous jugeâmes
unanimément à propos, pour les eviter (les Jacobites) d'aller
au caffé allemand, où nous passâmes près d'une heure
de temps. Dudit caffèe allemand nous allâmes tous
les 6 au Cabaret à l'enseigne de la ville de Londres rüe
Dauphine, où il y avoit tous les soirs une Chambre
retenuë pour le Chevalier Buckworth et sa compagnie.
Vers les 11. heures du soir nous y soupâmes, et après


(rue Dauphine, 6th Arr. Paris)

souper, bûmes à la santè du Roy et de S.A.R. monsr
le Prince et made la Princesse de Galles, &c et quelques
autres santès suivant la coûtume en angleterre à
pareil jour. Nous n'eûmes pas fini nôtre chanson
Vive le roy George &c. que nous fûmes repondu
par des jacobites dans la chambre attenante à la nôtre,
qui chantoient le plus haut qu'ils pouvoient, les chansons
pleines d'injures et d'invectives contres sa majestè et la
famille royalle, avec des voeus pour l'elevation du
Pretendant sur le trône de la grande bretagne. Ce qui
nous fit conclure à tous, que ces messieurs ne chantoient
des pareilles chansons, qu'à dessein de nous faire insulte,
puisqu'ils ne commençerent qu'après nous eûmes finis, et
qu'ils entonnerent d'un ton si peu ordinaire leurs chansons.
Nous ne leur dîmes pourtant mot. Mais comme ils
recommençoient leurs chansons, nous fûmes d'avis de les
prier de discontinuer. Le capitaine de la melloniere
entra dans leur chambre pour les en prier, mais au
lieu de l'écouter, ils luy dirent des injures et l'un d'eux
se saisit d'une bouteille, pour la luy jetter à la teste.
Sur quoy le dit capitaine luy lança un coup de canne.
(il avoit à sa main la canne d'un des messieurs de sa
compagnie, avant que de sortir de la chambre, pendant



quelque temps, et est sorti en veste et sans epèe) les
deux jacobites mirent d'abord l'epèe à la main contre luy,
et le pousseren vivement. Il para leurs coups en se
retirant hors de leur chambre, et le long du passage qui
mene à l'autre d'où il étoit sorti. Ces messieurs le
serrerent fort, et comme il ètoit arrivè à la porte,
de nôtre chambre, le chavelier buckworth, qui avoit
pris son epée sur le bruit qu'il entendit d'epèes dans
ledit passage, et vouloit aller separer les messieurs
qu'il croyoit aux prises, n'ayant pû sortir de la
prote de la dite chambre le passage dehors étant
etroit et bouchè, les jacobites luy porterent quelques
coups d'epèe, dont l'un luy perça la veste seulement,
mais un autre le blessa de quelque profondeur au ventre,
sur le seuïl de la porte. En meme instant l'un de
nos messieurs ayant portè une chandelle, le capitaine
de la melloniere fit sauter l'epèe à l'un des Jacobites.
Ce qui mit fin à l'affaire, et le chevalier buckworth
ayant dit (parlant auxdits jacobites) vous m'avez
blessé, messieurs, qui n'ay point eu de part à cette
affaire, n'ayant mis l'epèe à la main qu'à dessein
de prevenir un accident en vous separant. Sur quoy



l'un des jacobites repondit. Je suis blessé aussi. Le
capitaine de la melloniere sortit de nôtre chambre
comme est dit cy dessus, en veste et sans epèe. Le
major gordon qui etoit logè au susdit cabaret avoit
monté à sa chambre avant souper, et quitte son epère,
et nous avoit rejoint en veste et bonnet de nuit.
Monsr hamilton s'étoit retiré vers son logis avant
que la susdite affaire est arrivèe. Les exprès à
messrs hornby et jennins et au capitaine de la
melloniere ont demeurèes penduës à leur chambre
jusqu'après que tout fut fini; et personne de nôtre
compagnie n'a mis l'epère à la main que le seul
chevalier buckworth./.

(State Papers Kew, 68-168, France June-September 1720, ff. 45r-46v)

zondag, oktober 17, 2010

"Het leven zoals het is: ambtenaar in Frankrijk"


Dit boek is de "Bridget Jones' Diary" van een jonge topambtenaar bij een lokaal bestuur in Aquitanië, onder het pseudoniem Zoé Shepard. De tekst is ingeslagen als een bom. In een mum van tijd was de auteur (wiens identiteit na een radio-interview op internet is onthuld door een collega die toevallig meeluisterde) bij de Conseil Régional (in het boek vermomd als een gemeente) geschorst in het belang van de dienst. "Mademoiselle, vous êtes très méchante...", aldus regiopresident Alain Rousset (PS).

Het verhaal is dan ook vrij waanzinnig. Op 26 jaar slaagt het hoofdpersonage voor een staatsexamen. Na acht jaar studies, waaronder twee jaar op Sciences Po en twee jaar in een ambtenarenschool voor regionale besturen, denkt ze eindelijk te kunnen beginnen aan een carrière aan de top van de Franse staat.

Grote vergissing. De ondertitel van het boek luidt terecht "comment faire les 35 heures... en un mois!". Ze komt terecht op de dienst "affaires internationales et européennes" van een bescheiden gemeente, die wordt bestuurd door de plaatselijke burgemeester en zijn ranzig incompetente cabinetards ("le Gang des chiottards"). De ambtenarij zit er eigenlijk voor spek en bonen bij. Afgezien van wat rivaliteit tussen diensthoofden ("L'intrigante" versus "The Boss") gebeurt er niks. Stagiairs (personage: "Le Bizut", of "het groentje) hebben niets te doen, vastbenoemd personeel telefoneert met de diensttelefoon naar vrienden en familie over allerlei ingebeelde ziektes ("Monique"), verstuurt de verkeerde faxen ("Coconne")...

Ondanks het parcours dat Zoé heeft moeten afleggen, krijgt ze de meest onnozele taakjes. Op de eerste werkdag moet de dynamische jonge hooggediplomeerde "camemberts" maken van een cijferrapport (taartdiagrammen in Excel). Wanneer ze met verbazing reageert op een aanbod van "the Boss" om er twee dagen over te doen, krijgt ze er vijf voor...

De situatie loopt helemaal uit de hand wanneer een delegatie Chinezen op bezoek komt. De plaatselijke politici zijn -uiteraard- amper op de hoogte van wie hun gasten zijn of welk voordeel ze kunnen halen uit de operatie. De Chinezen zijn dan weer enkel geïnteresseerd in het fotograferen van echte Franse koeien. Helaas zijn de landbouwers tegen Zoé opgezet (de Chinezen zouden hun koeien wel eens willen klonen), omdat de Intrigante (hoofd van de afdeling economische zaken) vindt dat hààr dienst het bezoek moet verzorgen, en niet de internationale betrekkingen.

Het kabinet van "Monsieur le Maire" of "the Don" brengt uiteindelijk de genadeslag toe aan de dienst "AIE". Alix, het hopeloos incompetente blackberriënde nichtje van de burgemeester (zes jaar gestudeerd op een DEUG, of een kandidatuur, in de kunstgeschiedenis) krijgt de de facto leiding in handen. Zoé wordt met de Eurostar op vergadering gestuurd naar Londen, maar blijkt naar de verkeerde meeting te zijn geleid door haar administratie. Er wordt een liaisonbureau opgericht in China. Enige kandidate: een kennis van de nicht van de burgemeester die na vijf jaar studeren nog steeds zonder diploma zit en geen woord Chinees spreekt. Op vergaderingen in Parijs krijgt Zoé dan ook de wind van voor van de andere lokale besturen, waar de zaken wel goed draaien...

Uiteindelijk beslist "de heldin" van het verhaal, wanhopig op zoek naar iets wat een begin van een uitdaging kan inhouden, een jaar onbezoldigde vakantie te nemen om in Senegal als vrijwilliger een school te helpen bouwen...
Zoé Shepard (Aurélie Boullet) heeft intussen bot gevangen bij de administratieve rechtbank in eerste aanleg van Bordeaux. Het boek is in elk geval een echte aanrader: vlot geschreven, met veel literaire verwijzingen en kleine knipoogjes naar de dagelijkse gewoonten en onhebbelijkheden van de Fransen, in een meesterlijk cynisme. Vooral de beschrijvingen van eindeloos nutteloze vergaderingen, waarop niets beslist wordt en de ambtenaren in een hopeloos slecht "franglais" allerlei efficiëntie-termen proberen toe te passen op hun activiteiten, zijn een stilistisch hoogtepunt. Het bevat ook allerlei "tips" om de indruk te geven dat je druk bezig bent (alle dossiers op tafel uitspreiden in de grootst mogelijke wanorde; door de gangen hollen (vooral niét wandelen), mensen opzij duwen en zeggen dat je "absolument dé-bor-dé" bent en de toevloed bijna onmenselijk is).

Une certaine idée de l'Europe


Peu de personnages de l'histoire de France ont été couvert d'autant opprobre moral et nationaliste que le cardinal Dubois (1656-1723). L'homme était pourtant aux manettes de la politique extérieure du Régent Philippe d'Orléans (1715-1723). Il a réussi à perpétuer le consensus franco-anglais de la paix d'Utrecht (1713) et à pacifier l'ensemble de l'Europe avec son homologue anglais James Stanhope. Avec soixante ans d'intervalle (1661-1723), il est le successeur de Mazarin comme cardinal-premier ministre (1723).

Dans le cadre de mes recherches actuelles, j'étais obligé de lire la biographie de Guy Chaussinand-Nogaret (EHESS), grand historien du XVIIIe. L'auteur fait la synthèse de mémoires de contemporains (Saint-Simon, Barbier, d'Argenson, Villars) et de travaux d'historiens du XIXe-XXe siècle (Bourgeois, Baudrillart, Blanc, Wiesener) pour réhabiliter le personnage.

L'image négative de Dubois est due à trois types de critiques:
(1) Il aurait sacrifié les intérêts "nationaux" de la France aux Anglais et à ceux du Régent, sans véritable contrepartie
(2) Son comportement personnel aurait enfreint les moeurs
(3) Il était autoritaire et absolutiste

1. Les attaques du deuxième type proviennent de chez Saint-Simon et les autres auteurs du XVIIIe: pour eux, Dubois était un parvenu de province, qui était monté trop vite sur l'échelle politique et sociétale. Grossir les traits de ce personnage en l'attribuant un comportement frôlant la débauche permanente était alors un atout bienvenu. Le cardinal aurait passé son temps à chasser les femmes et aurait ainsi influencé le duc d'Orléans (dont il était le précepteur). Il aurait en quelque sorte été responsable des orgies du libertinage de la Régence, hérité de la cour de Monsieur (le frère de Louis XIV, père du Régent).
L'abbé Dubois était un petit homme maigre, effilé, chafouin, à perruque blonde, à mine de fouine, à physionomie d'esprit, qui était en plein ce qu'un mauvais français appelle un sacre, mais qui ne se peut guère exprimer autrement. Tous les vices combattaient en lui à qui en demeurerait le maître. Ils y faisaient un bruit et un combat continuel entre eux. L'avarice, la débauche, l'ambition étaient ses dieux; la perfidie, la flatterie, les servages, ses moyens; l'impiété parfaite, son repos; et l'opinion que la probité et l'honnêteté sont des chimères dont on se pare, et qui n'ont de réalité dans personne, son principe, en conséquence duquel tous moyens lui étaient bons. Il excellait en basses intrigues, il en vivait, il ne pouvait s'en passer, mais toujours avec un but où toutes ses démarches tendaient, avec une patience qui n'avait de terme que le succès, ou la démonstration réitérée de n'y pouvoir arriver, à moins que, cheminant ainsi dans la profondeur et les ténèbres, il ne vit jour à mieux en ouvrant un autre boyau. Il passait ainsi sa vie dans les sapes. Le mensonge le plus hardi lui était tourné en nature avec un air simple, droit, sincère, souvent honteux. Il aurait parlé avec grâce et facilité, si, dans le dessein de pénétrer les autres en parlant, la crainte de s'avancer plus qu'il ne voulait ne l'avait accoutumé à un bégayement factice qui le déparait, et qui, redoublé quand il fut arrivé à se mêler de choses importantes, devint insupportable, et quelquefois inintelligible. Sans ses contours et le peu de naturel qui perçait malgré ses soins, sa conversation aurait été aimable. Il avait de l'esprit, assez de lettres, d'histoire et de lecture, beaucoup de monde, force envie de plaire et de s'insinuer, mais tout cela gâté par une fumée de fausseté qui sortait malgré lui de tous ses pores et jusque de sa gaieté, qui attristait par là. Méchant d'ailleurs avec réflexion et par nature, et, par raisonnement, traître et ingrat, maître expert aux compositions des plus grandes noirceurs, effronté à faire peur étant pris sur le fait; désirant tout, enviant tout, et voulant toutes les dépouilles. On connut après, dès qu'il osa ne se plus contraindre, à quel point il était intéressé, débauché, inconséquent, ignorant en toute affaire, passionné toujours, emporté, blasphémateur et fou, et jusqu'à quel point il méprisa publiquement son maître et l'État, le monde sans exception et les affaires, pour les sacrifier à soi tous et toutes, à son crédit, à sa puissance, à son autorité absolue, à sa grandeur, à son avarice, à ses frayeurs, à ses vengeances. Tel fut le sage à qui Monsieur confia les moeurs de son fils unique à former, par le conseil de deux hommes qui ne les avaient pas meilleures, et qui en avaient bien fait leurs preuves.

(Mémoires de Saint-Simon, 12, V, medusis.rouvroy.com)
Or, son ascension fulgurante (grâce à la carrière ecclésiastique, qui permettait de sortir de l'ordre social où on était né, pour ensuite intégrer la Maison d'Orléans) n'était possible que parce que Dubois était extrêmement doué, soutient Chaussinand-Nogaret. Il est vrai que Dubois côtoyait un milieu assez débauché à Londres et à Paris, mais il n'était certainement pas plus pêcheur que les autres. La jalousie de Saint-Simon était due à son origine "basse", qui -pour le mémorialiste- ne justifiait pas sa place à la cour.

2. La première critique, que Dubois trahissait les "véritables intérêts de la France", sont le fruit des analyses d'historiens du XIXe et début XXe siècle (ex. Émile Bourgeois dans son "Le secret du Cardinal Dubois"). L'abbé n'aurait pensé qu'à son chapeau de cardinal (attribué par le pape après proposition d'un monarque catholique) et à sa position au gouvernement, pour lesquels il lui était indispensable de flatter les autres monarchies européennes.

Chaussinand-Nogaret soutient par contre que Dubois ne visait pas l'agrandissement territorial, mais l'intégration de l'Europe en un système cohérent, dominé par une conscience des intérêts communs de tous les États. Ainsi, Dubois soutient la cause de l'Empereur contre le Roi d'Espagne, quand ce dernier envahit la Sardaigne en 1717. Ceci malgré le fait que Philippe V d'Espagne est le petit-fils de Louis XIV et qu'un parti considérable à la cour (l'ancien ministre de Louis XIV Torcy, le maréchal d'Huxelles, Saint-Simon...) préfère l'alliance avec le Bourbon d'Espagne.

Certes, Dubois comptait sur ses amis autrichiens pour être nommé cardinal par le pape. Il a fait l'alliance "contre-nature" avec la Grande Bretagne pour consolider à la fois la position du Régent (menacé par le parti espagnol à la cour) et celle de George Ier (menacé par les jacobites catholiques) et ainsi se rendre indispensable. Cependant, il a indéniablement apporté à la France une stabilité dont elle avait besoin après la Guerre de succession d'Espagne.

3. La troisième critique, que Dubois -par la tenue d'un lit de justice pour briser les arrêts du Parlement de Paris contre la politique financière du ministre écossais John Law- ait été un ministre autoritaire, n'est pas réfutée. Dubois, "âpre sectaire de l'absolutisme", tenait à l'organisation centralisée de la monarchie la plus puissante d'Europe. Pas question de transposer le modèle anglais, où il n'était même pas clair si la parole du monarque engageait le Parlement.

Cette biographie succincte, mais riche, est intéressante à lire parce qu'elle met l'époque de la Régence clairement à part dans l'histoire européenne, "jusqu'alors qu'une succession de conflits". Dubois est vu comme l'apôtre de la paix, qui va déjà à Londres en 1699 pour négocier les traités de partage de la monarchie espagnole et qui utilise son réseau à nouveau pendant la régence. L'ascension fulgurante du personnage est attribué à ses qualités exceptionnelles, plutôt qu'à un esprit de vulgarité ou de décadence régnant à la cour du Régent.

Néanmoins, l'auteur ne s'appuie que sur des études secondaires, ce qui rend son analyse parfois un peu légère et trop intuitive. Les qualités de Dubois sont affirmées en niant ce que disent ses critiques, en s'appuyant sur ce qu'il vient de démontrer pour des épisodes précédents dans le livre, mais sans document ou indice concret à l'appui. Une analyse plus fouillée des vastes fonds d'archives devrait permettre de révéler beaucoup plus sur ce personnage.

vrijdag, oktober 15, 2010

Beurscrash

Financiële crisis anno 1720. Britse ambassadeur Stair aan Craggs (Secretary of State, 28.II.1720, Kew State Papers 78-167).

[...] les
actions vont en diminuant tous les jours, au point
que les soumissions ont été aujourdhuy offertes à
625, et les Primes à 15 de perte. La consternation
a été generalle sur la place. Tous les juifs ont
desertez, et les François ont commencé à se
pendre. Plusieurs ont deja fait banqueroute,
et bien d'autres menaçent ruine par les Engagemens
qu'ils ont contractez pour la fin de ce mois icy, et
pour le commencement du mois de Mars; La
Rage et la Desoluation du peuple est inconcevable.
Il faut esperer qu'on trouvera bientôt des moyens

129r

pour calmer les Esprits du peuple, et pour remettre
la tranquillité et la confiance.

België in Afghanistan


Gisteravond woonde ik in Brussel een zeer geslaagde les ("masterclass") van Dirk Van Der Maelen over de oorlog in Afghanistan bij. In tegenstelling tot wat blijkt uit de berichtgeving in de media, beschikt dit zeer goed geïnformeerde en belezen parlementslid wel degelijk over een bredere strategische visie op het conflict en kent hij zeer goed de achtergronden. Zijn les was een uitgebreidere versie van een artikel in Samenleving & Politiek (2010/4, 58-63, zie website sampol.be).

Een aantal opvallende "facts":
- Het Amerikaanse voordeel bij de oorlog is geostrategisch: het terrein bezetten in Centraal-Azië voor de Chinezen dat kunnen => goed voor (hoofdzakelijk US-)bedrijven die daarmee willen verdienen, maar wat heeft de Belgische belastingbetaler daaraan ?
- De coalitie wil een Afghaans leger van 400 000 man opleiden, maar de facto zijn die troepen volstrekt onbetrouwbaar (40% deserteert, families sturen zonen naar zowel Taliban- als regeringstroepen, om zelf niet geplunderd te worden)
- De facto zal Afghanistan na de oorlog verder draaien zoals het altijd al gewerkt heeft
- Daarom: Van Der Maelen is zelf voorstander van de oplossing van het type dat Henry Kissinger (durf hem nog eens een pacifist te noemen) onlangs lanceerde: politiek overleg 1) in een gedecentraliseerd model 2) waar in de bredere regio ook India (pro-Karzaï), Pakistan (pro-Taliban) en Iran in betrokken worden
(cf. Kissinger:
The military effort should be conducted substantially on a provincial basis rather than in pursuit of a Western-style central government. The time scale for a political effort exceeds by a wide margin that available for military operations. We need a regional diplomatic framework for the next stage of Afghan strategy, whatever the military outcome. Artificial deadlines should be abandoned.)
- België heeft (met een kleine uitbreiding onlangs) 625 soldaten op het terrein in Afghanistan, dat kost ons... 109 miljoen euro (voorzien voor 2011, maar waarschijnlijk te laag); heeft het zin dit bedrag te investeren in een hopeloze zaak ?

Argumenten die toch wat meer debat verdienen dan nu in België het geval is, niet ? Als er in Frankrijk, Duitsland en Engeland over gesproken kan worden, waarom bij ons dan niet ?

Verkiezingen ?

(bron: De Standaard Online, 15 februari 2010)
Armand De Decker: 'De Wever heeft er nooit in geloofd'


* vrijdag 15 oktober 2010, 08u39 Bron: belga

reuters

BRUSSEL - Meteen na de verkiezingen heeft N-VA-voorzitter en huidig koninklijk verduidelijker Bart De Wever duidelijk gemaakt dat hij nooit in een regering zou stappen met meer linkse dan centrum-rechtse ministers. Dat zegt toenmalig Senaatsvoorzitter Armand De Decker (MR) in de kranten van Sud Presse.

'De Wever zei me: gezien het Vlaamse politieke landschap, zou ik als ik de Wetstraat 16 zou binnenstappen met een centrum-linkse regering, er met 16 procent buitenstappen. Dat is niet mogelijk',
zegt De Decker. Hij suggereert dat De Wever reeds van bij de start van de onderhandelingen met zeven partijen - N-VA, PS, SP.A, CDH, CD&V, Ecolo en Groen! - overtuigd was dat deze zouden mislukken.

Voor Armand De Decker is het onaanvaardbaar dat de grondwet aangepast zou worden zonder de MR, de oudste partij van het land. Hij sloot ook uit dat de Franstalige liberalen een staatshervorming zouden ondersteunen vanuit de oppositie.

Om uit de politieke crisis te geraken, pleit hij net als zijn partijvoorzitter voor een formule met de liberalen en zonder de groenen. Hij stelt ook voor om de hypothese te onderzoeken van een regering van nationale eenheid zonder de N-VA.

loa

zondag, oktober 10, 2010

Een tragedie uit het leven van Lodewijk XIV


Even uw aandacht voor een zeer mooi geschiedenisboek: L'année des quatre dauphins van Olivier Chaline (prof 17de en 18de-eeuwse geschiedenis aan de Sorbonne). Zoals de rode band rond het boek het aangeeft, vertelt de auteur een "tragedie uit het leven van Lodewijk XIV" over een goede 200 pagina's A5.

Lodewijk XIV is op veel vlakken een "grand homme". Als je naar de sociale omstandigheden van zijn tijd kijkt, valt ook zijn fysieke duurzaamheid op: Lodewijk regeert van 1643 tot 1715, of gedurende 72 jaar. In een periode waar de levensverwachting laag ligt en de geneeskunde het bij bloedzuigerskuren houdt, is dat eerder uitzonderlijk. Als regerend vorst ziet Lodewijk meerdere collega's sterven: de ongeveer even oude Leopold I van Oostenrijk verdwijnt in 1705, diens zoon Jozef in sterft in 1711, Willem III van Engeland/Nederland in 1701, Anna van Groot-Brittannië in 1714, de jongere Karel II van Spanje in 1700, diens vader Filips IV in 1665, de Grote Keurvorst van Brandenburg in 1688... Hij verslijt meerdere generaties generaals (Condé-Turenne, Luxembourg-Catinat, Villars-Vendôme) en ministers (Le Tellier-Lionne, Louvois/Colbert, Torcy/Chamillart/Pontchartrain).

Bij een dergelijke reeks is het natuurlijk onvermijdelijk dat je ook je eigen kinderen en kleinkinderen overleeft. 1712 is voor Lodewijk XIV een persoonlijk "annus horribilis": eerst sterft zijn zoon, de eeuwige troonopvolger Monseigneur of "Grand Dauphin" (1662-1712). Snel daarna volgen zijn oudste kleinzoon de hertog van Bourgondië (1682-1712) en diens echtgenote Marie-Adélaïde van Savoye. Kort daarna ook nog eens hun eigen oudste zoon, de amper vijfjarige hertog van Bretagne (1707-1712). Uiteindelijk blijft de 74-jarige koning over met de kleine en ziekelijke achterkleinzoon Lodewijk van Anjou (twee jaar). Hij is nummer vier in de rij, vandaar de titel van het boek.

Het Hof van Lodewijk XIV telt meerdere beroemde schrijvers: de kroniekschrijver Dangeau, de memorialist Sourches en natuurlijk de hertog van Saint-Simon. Chaline vergelijkt hun verhalen, put uit de correspondentie van Lodewijks maîtresse en morganatische echtgenote Madame de Maintenon en graaft nog een paar andere getuigenissen van functionarissen en geestelijken op. In verschillende lagen pelt hij vervolgens de lagen van de ui af, beginnend met de naakte feiten, naar de religieuze componenten (Monseigneur sterft zonder de communie te hebben ontvangen, wat Lodewijk traumatiseert tot zijn eigen overlijden in 1715), de formele reacties van de monarch en de verkeerde interpretaties van Saint-Simon (die hem als een hautain en gevoelloos figuur afschildert), tot de politieke context.

1712 is immers ook staatkundig geen gemakkelijk jaar voor Lodewijk. Zijn kleinzoon Filips van Anjou (1682-1746) zit wankel op de troon van Spanje en Frankrijk moet alleen het hoofd bieden aan een grote Europese coalitie, die het liefste de veroveringen van Lodewijk ongedaan zou maken. Sinds november 1711 heeft hij de Engelsen kunnen losweken uit het vijandelijke kamp, maar een Oostenrijks-Hollands leger klopt nog altijd aan de deur. Pas met de slag van Denain zal Villars de geallieerden van Eugenius van Savoye kunnen terugwijzen...

Chaline brengt met veel zin voor detail een heel mooie "zoom" op de oudere Lodewijk XIV. In de portretten van de monarch evolueert de Zonnekoning van een triomferende Augustus tot een Bourgogne-drinkende grijsaard die in een rolstoel door de tuinen van Versailles wordt geduwd. Dit heeft onvermijdelijk implicaties voor 's mans psychologie en de manier waarop hij zijn koningschap ziet. Wie Lodewijk politiek wil analyseren, kan niet voorbij aan zijn menselijkheid. Chaline doet dit in een boek zonder pretentie (zonder voetnoten), in een mooie literaire stijl, gericht op een groot publiek. Direct en aansprekend, zoals de lessen die ik bij hem kon volgen in 2007-2008...

Chaline schreef ook een zeer gesmaakte Règne de Louis XIV, die in eenzelfde verhalende stijl thematisch het Frankrijk van de zeventiende en vroege achttiende eeuw tot leven brengt. Bekroond met een prijs van de Académie en intussen ook uitgekomen in pocketeditie. Evenzeer een aanrader.

"BHV, the sequel of the sequel"



We waren het alweer glad vergeten, maar BHV is nog steeds niet gesplitst. Zeven jaar na het arrest 73/2003 van het Grondwettelijk Hof en allerlei dure Vlaamse eden om "onverwijld" de zaak op al dan niet eenzijdige wijze op te lossen.

Gezien de ontbinding van de Kamers het verval van alle vorige wetsvoorstellen heeft meegebracht, moet het dossier terug op de agenda van de Kamer worden gezet. Gerolf Annemans (VB) wil dit dinsdag doen. Politiek zal hij waarschijnlijk achter de feiten aanhollen. N-VA kan pas overgaan tot agendering en stemming van de voorstellen, als het de andere Vlaamse partijen achter zich heeft. De kans is bovendien klein dat De Wever het Vlaams Belang (in alle peilingen leeggezogen door N-VA) het plezier zal laten om de agenda te bepalen.

Juridisch is het evenmin waarschijnlijk dat de parlementaire procedure een splitsing zal te weeg brengen:
1° de belangenconflicten staan nog steeds ter beschikking van alle wetgevende vergaderingen (Waals Parlement, Parlement van de Franse gemeenschap, COCOF, Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, eventueel Brussels Parlement en Verenigde Gemeenschapscommissie indien daar een meerderheid van 3/4 wordt gevonden, art. 32 §1-§1quater wet 9 augustus 1980 = vier x (60 + 30 + 30 dagen) = 16 maand)
2° de alarmbelprocedure kan slechts één keer per legislatuur gebruikt worden, maar men kan wachten tot vlak voor de finale stemming in de Senaat (art. 78 G.W.: evocatie door minstens 15 senatoren) om de zaak nog wat extra te vertragen
3° bij gebreke van een Federale regering (art. 54 G.W.) is het niet duidelijk wat dan moet gebeuren. De Grondwet schrijft voor dat de regering een advies moet uitbrengen binnen de dertig dagen. Het is maar de vraag of je dit kan doen binnen
- een regering in lopende zaken (die het vertrouwen van de nieuwe Kamer niet gekregen heeft en dus geen volheid van bevoegdheid heeft)
- een collegiaal orgaan (de Franstalige ministers kunnen en bloc tegen zijn; eigenlijk moeten de Vlamingen vriendelijk vragen of ze niet willen komen opdagen)
4° wordt het voorstel gestemd zonder advies, dan stelt zich de vraag of de regering de tekst kan bekrachtigen en afkondigen (art. 109 G.W.); de regering oefent de wetgevende macht gezamenlijk uit met het Parlement (bekrachtigen), enkel voor het afkondigen handelt ze als uitvoerende macht (en is ze gebonden door de beslissing van de wetgevende); leest men dit als "de Koning + minister", met contraseign van een minister ? Of als "de Koning + regering", als collegiaal orgaan ?

De kans is dus groter dat N-VA dit gebruikt om de gemoederen nog wat op te stoken in het geval men toch besluit tot herverkiezingen, in de hoop dat de PS verliest en de MR wat recupereert. Een gevaarlijk spel, want de Franstalige partijen zullen bij deze optie, waarin opnieuw een Vlaamse meerderheid hen eenzijdig beledigt, het veel moeilijker hebben om toegevingen te doen. Di Rupo was in de zomer akkoord om BHV te splitsen in ruil voor extra geld voor Brussel. Kan hij zo terug naar de kiezer, als de campagne begint met een incident van jewelste ?

BHV moét in een grote staatshervorming worden opgelost, want het dossier kan enkel nog verder een wig drijven in België. Het is ironisch dat het nu terugkomt. De onderhandelaars leken er een akkoord over te hebben. Maar N-VA wil blijkbaar nog véél verder dan dat.

Je kan twee houdingen hebben tegenover de harde opstelling van N-VA:
1° Een staatshervorming heeft pas zin als ze fundamenteel is en daadwerkelijk een nieuw model voor België presenteert, dat meerdere decennia kan meegaan.
2° N-VA speelt het hard, zonder te letten op zijn Vlaamse of Franstalige partners. Wat er ook wordt binnengehaald, het zal toch nooit genoeg zijn.

De voorstellen rond Brussel die N-VA had afgeschoten, kwamen van... sp.a, niet van de Franstaligen. De Wever speelt cavalier seul en toetert uit dat hij 80% van de Vlamingen vertegenwoordigt, maar doet dat enkel om te verbergen dat hij nog steeds geen flauw idee heeft van een plan dat een kans op slagen heeft.

"There's politics, there's hard politics... and there's Belgian politics...". Zal ons consensuele en ingewikkelde systeem erin slagen om De Wever te ontmaskeren ?

zaterdag, oktober 09, 2010

Zetels VRT/De Standaard

Misschien moet Albert zich nu een beetje voelen als Hindenburg in 1933 (grapje, uiteraard, Wallonië en Brussel waren liggen nog naast de Vlaamse Weimarrepubliek)...

Groen ! 5 (=)
Ecolo 6 (-2)
sp.a 15 (+2)
PS 29 (+3)
CD&V 16 (-1)
cdH 8 (-1)
N-VA 34 (+7)
openVLD 10 (-3)
MR 18 (=)
LDD 0 (-1)
PP 1 (=)
VB 9 (-3)

Los daarvan: door de lichte vooruitgang van sp.a komt het socialistische blok op 44 zetels of bijna 30% van de zetels in de kamer. Anderzijds zitten CD&V en N-VA samen aan 50... De bipolarisatie gaat verder. Samen komen deze twee blokken bijna aan twee derden (94 op 150). Zouden de liberalen bij herverkiezingen eigenlijk nog wel nodig zijn voor een staatshervorming ?

vrijdag, oktober 08, 2010

Uitstekende inleiding in de rechtsgeschiedenis


Even reclame maken voor een uitstekende (Franstalige) inleiding in de rechtsgeschiedenis: het nummer "Histoire du Droit" in de prestigieuze "Que sais-je?"-reeks van de Presses Universitaires de France, van de hand van Jean-Marie Carbasse (Univ. Montpellier, voorzitter van de Société d'histoire du droit). "Que sais-je" is een geniale manier voor de geïnteresseerde leek om in contact te komen met wetenschappelijke onderwerpen of disciplines, die door een specialist in kort bestek krachtig en inzichtelijk worden uiteen gezet.

Het boekje (ongeveer 120 p., iets kleiner dan A5) leest als een trein, legt de verbanden tussen de belangrijkste gebeurtenissen en figuren (Hammurabi, Justinianus, Irnerius, Bartolus, Cujas, Domat, Pothier ...) en bevat een reflectie over de eigenheid van de rechtsgeschiedenis als discipline ("toujours en chantier, comme tout autre champ de l'historiographie"). Uiteraard ligt de nadruk op Frankrijk (Carbasse staat als mediëvist bijvoorbeeld wat meer stil bij de Frankische en Karolingische periodes, omdat die belangrijk zijn voor de vorming van het Franse publiekrecht en de idee van een territoriale staat), maar gezien de "ius commune"-traditie in Europa en de sterke verwantschap tussen Frans en Belgisch recht (Franse revolutie, code civil, Frankrijk als modelland...) toch bruikbaar als aanvulling op, of verduidelijking bij, de traditionele cursussen in België (Publiekrecht/Privaatrecht).

Kost: € 9, verschenen in 2008 als nr. 3828 (cf. daarnaast zijn er ook boekjes over de geschiedenis van het privaatrecht, Jean Imbert, nr. 924; over het publiekrecht, Henri Legohérel, nr. 755, over het strafrecht, André Langui, nr. 690). Meer informatie op de site van de PUF.

zondag, oktober 03, 2010

Tea-party idioten

Jean-Noël Jeanneney behandelt deze week met André Kaspi (emeritus Amerikaanse Geschiedenis Sorbonne) de eigenaardige "Tea Party"-beweging in de VS, die een loopje neemt met de Geschiedenis. Te beluisteren bij France Culture.

Petit détour parisien

De afgelopen drie dagen was ik in Parijs om een colloquium bij te wonen in de École normale supérieure. Tijd voor een kleine boekenstrooptocht bij Compagnie in de Rue des Écoles en uiteraard de kans om wat Franse kennissen te bezoeken, het nieuwe "trendy" 10de arrondissement (tussen Grands Boulevards en Gare du Nord) te ontdekken... en een typisch Franse betoging tussen Place de la République en Place de la Nation te monsteren.

(Falung Gong-manif aan het Hôtel de Ville)


(Librairie Compagnie, mijn favoriet)

(good old Sorbonne)


(Louis XIV op de Place des Victoires)

(de Cité internationale, waar ik terug zes maand zal doorbrengen vanaf januari)





(ENS binnenkoer, GSM-foto's toch niet optimaal)


(collège Sainte-Barbe, waar de rechtshistorici van Paris II arbeiden)



Tijdens mijn Parijse studiejaren (2007-2009) ben ik wat gefascineerd geraakt door deze optochten van bont gekleurde protestlegers, die mentaal vrij ver staan van België. Frans links is vrij utopistisch. Het mobiliseert mensen door een half-mystiek discours te gebruiken. Veel begrippen zijn eigenlijk quasi-sacraal ("pacte républicain", "lutte sociale") en komen voor buitenstaanders erg fetisjistisch over. In de Franse politieke cultuur is het echter perfect logisch dat ze mobiliserend zijn.
De protestbeweging tegen de pensioenhervorming gaat deels over harde, rationele argumenten (Is het aanvaardbaar om pas een volledig pensioen op 67 toe te kennen, als je weet dat jongeren pas laat aan een job raken en ouderen de laatste jaren van hun carrière in de werkloosheid doorbrengen ? Kan je de financiering van de pensioenen enkel laten rusten op werkgeversbijdragen op het loon ?) en over het mindere belang dat men in Frankrijk hecht aan materiële waarden (geld en werken zijn voor de meeste mensen geen doel, maar een middel om zich te ontplooien in hun privé-leven). Dat is de reden waarom nu ook studenten en werknemers uit de privé-sector hebben mee betoogd. Op de vorige actiedag, midden in de werkweek, trok vooral het overheidspersoneel de straat op (onderwijs, openbaar vervoer).



De harde kern van de betogers, echter, keert altijd terug. De Franse vakbonden zijn minder representatief dan de Belgische en moeten hun gelijk op straat halen. Ze zijn dus erg links georiënteerd en zitten eigenlijk nog steeds in een klassenstrijdlogica. Ze zien hun belangenbehartiging los van politieke partijen en leven in een compleet antithetische verhouding met "het patronaat". Zo is het nog maar vrij recent (sinds 2008) dat de Parti Socialiste prominent mee paradeert in Parijs.

Ondanks die sterke tegenstelling raken de grotere vakbonden ingekapseld in het systeem, zoals bij ons. Sarkozy deed in het begin van zijn termijn een hervorming in die zin (beperken van het aantal gesprekspartners, criteria voor representativiteit vastleggen) en probeerde ook de vakbonden aan zich te binden door apart met hen te onderhandelen in 2005, toen het land plat lag tijdens de protesten tegen het Contrat de Première Embauche van zijn aartsrivaal Villepin. De CFDT, bijvoorbeeld, is een vakbond van de "tweede generatie" en leunt eerder aan bij het Belgische ACV (christen-democratisch, centrum-links). Zelfs de grote communistische CGT is de facto een deel van het economisch beslissingsproces. Niets kan dit beter illustreren dan de zwartgeldschandalen die een paar jaar terug aan het licht kwamen in de metaalsector, waar miljoenen Franse frank in enveloppen werden toegeschoven aan de vakbonden door de patrons. Twee partijen die elkaar op de tv naar hartelust de huid vol schelden.

Dat het discours desondanks zo fel en antithetisch blijft, ligt voornamelijk aan de kleinere vakbonden, zoals Sud, dat een fel anarchistische inslag heeft. De hevigste slogans en onaangekondigde stakingen (voornamelijk in het openbaar vervoer of de elektriciteitsmaatschappijen) komen steevast van hen (cf. de gekleurde vlaggen op de foto's). Het is in elk geval een fascinerend schouwspel om honderdduizenden mensen te zien defileren over brede boulevards. Dat bestaat in België gewoon niet meer. De betoging die zaterdag in Parijs uitging, was helemaal niet uitzonderlijk. Toch had ze evenveel deelnemers als de Witte Mars in 1996, en drie keer meer dan de "Europese" vakbondsbetoging in Brussel van de vorige woensdag.

Ik denk dat Frankrijk nog wel een paar weken over-en-weergeroep zal kennen. Misschien zelfs met een "grêve reconductible", die openbaar vervoer en onderwijs voor opeenvolgende dagen plat legt.


Zonder twijfel zal Sarkozy al een paar toegevingen in de achterzak zitten hebben. Met als potsierlijk décor de joelende verkozenen in het Palais du Luxembourg (waar de Senaat zich moet uitspreken over de pensioenwet, maar parlementairen hebben in Frankrijk zo goed als niets te zeggen, alle macht zit in het Élysée) zal er wel een compromis uit de bus komen. PS en UMP zijn het bijvoorbeeld eens over het principe dat je langer moét bijdragen, als je langer in gezondheid leeft . De discussie over pensioen op zestig jaar is een pure symboolkwestie. Alleen radicale partijen als de Nouveau Parti Anticapitaliste vinden dat je op 60 met een volledig pensioen wegkan. De PS wil de zestig jaar (die Mitterrand in 1981 heeft ingevoerd) behouden... voor wie voldoende heeft bijgedragen (45 jaar). De facto gaat dit over mensen die al op hun vijftiende zijn beginnen werken.

De échte discussie in Frankrijk is, opnieuw, de jongerenwerkloosheid. Er wordt te lang gestudeerd (tot 26,27...) zonder dat dit noodzakelijk uitzicht geeft op een job. De schuld hiervoor ligt deels bij het universitaire systeem: een "leerkrediet à la française" zou bijvoorbeeld al een goede stok achter de deur zijn om mensen sneller te heroriënteren. Toch lijkt het me vrij duidelijk dat ook de werkgevers misbruik maken van het relatieve overaanbod aan arbeidskrachten en van het algemene gebrek aan zelfvertrouwen in de Franse samenleving. De verhalen over opeenvolging van niet-betaalde stages (waarbij de stagiair goed geëvalueerd wordt, maar geen job aangeboden krijgt, omdat een andere stagiair zijn plaats overneemt) zijn legio. Werkloosheid wordt aanvaard als een fataliteit. Wat trouwens absoluut niet aan de uitkeringen ligt (in Frankrijk is de uitkering beperkt in de tijd, waardoor de welvaartsval zeer steil kan worden als de situatie niet opgelost raakt).
Ik vind het in elk geval opvallend hoe zwartgallig en weinig dynamisch doorsnee Franse jongeren denken over hun eigen professionele toekomst. Meestal voelen ze zich opgesloten in hun eigen specialisatie, die -behoudens slagen voor een concours bij de overheid- geen uitzicht biedt op een job. (dit is natuurlijk niet van toepassing voor de gelukkigen die het circuit van de grandes écoles volgen...)









(verklaring: andouillette AAAA = bloedworst; AAA = notering van Frankrijk bij de ratingbureau's, de regering schermt met dit argument om een hervorming door te voeren < met een veel grotere schuld en dito deficit dan Duitsland, heeft Frankrijk momenteel nog dezelfde rating)

(Minister Woerth, de man van het Bettencourt-schandaal, had in de Assemblée Nationale een socialistisch kamerlid uitgescholden voor "collabo")

(dat bedoel ik dus, met irrationele, half-mystieke en door hun polarisatie mobiliserende woorden)






(Fouquet's = duur restaurant op de Champs Élysées, waar Sarkozy zijn verkiezingsoverwinning in 2007 ostentatief en met veel "bling bling" is gaan vieren met de belangrijkste "patrons" uit de Franse beursindex CAC 40)






(de "mannen van de Sud")

(het woord "grêve reconductible" betekent dat je de komende weken Frankrijk beter vermijdt)






(de massa beneden aan République)