woensdag, juli 31, 2013

Hague Academy (slot)


Vorige week was de laatste in Den Haag. Na mijn enthousiaste eerste en tweede posts bleef deze wat uit, maar dat lag geenszins aan de kwaliteit van de verder verstrekte lezingen. De tijd ontbrak eenvoudigweg. Intussen zijn er weer andere prioriteiten, waardoor een extensiever verslag voorlopig uitblijft.

James Crawford eindigde vorige vrijdag met een gedicht, gecomponeerd op de Kadi-zaak (te raadplegen op de Blog van het European Journal of International Law). Op 18 juli sprak de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de EU zich opnieuw uit over de vraag van een privé-persoon, de Saoedi Kadi, om de beslissing van de Europese Commissie waarbij zijn vermogen werd bevroren, te vernietigen. Kadi viel de verordening van 27 december 2001 aan, waarbij de Europese Commissie uitvoering gaf aan het sanctieregime dat de VN-Veiligheidsraad op 28 september van dat jaar had ingesteld (Resolutie 1373), kort na de terreuraanslagen van 11 september. De VN-resolutie gaf aan een commissie de bevoegdheid om personen waarvan vaststond dat ze banden hadden met Al Quaeda of Bin Laden te beroven van de mogelijkheid hun vermogen in te zetten om terrorisme te steunen. Tegen de beslissing van de VN-Veiligheidsraad bestond evenwel geen beroepsmogelijkheid. Individuen konden dus zeer zwaar in hun rechten getroffen worden, zonder voorafgaandelijk te worden gehoord, of zonder de mogelijkheid foutieve beslissingen te laten corrigeren. De zaak was in 2005 behandeld door het Gerecht van Eerste Aanleg (dat Kadi ongelijk gegeven had), en op 3 september 2008 door het Hof van Justitie, dat daarbij Kadi wél gelijk gaf, en de beslissing van het Gerecht van Eerste Aanleg vernietigde.

De kern van het probleem zit in artikel 103 van het VN-Handvest (cf. eerdere post over de les van Kolb uit Week 2): als de verbintenissen die voortvloeien uit het VN-Handvest moeten voorgaan op andere verbintenissen uit andere overeenkomsten die een staat heeft aangegaan (bijvoorbeeld: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, of de Grondrechten die in de EU-Verdragen vervat zitten), dan kan een staat, of de EU, niet anders dan doen wat de Veiligheidsraad vraagt. Het Hof van Justitie is in 2008 uitdrukkelijk teruggekomen op deze redenering, en heeft gesteld dat het recht om te worden gehoord, het recht op eerbiediging van eigendom, het evenredigheidsbeginsel en het recht op effectieve rechterlijke toetsing moeten worden gegarandeerd binnen de EU, omdat deze grondrechten deel uitmaken van de constitutionele beginselen van de EU. Met andere woorden: het Hof (orgaan van de EU, regionale organisatie van staten) verklaarde zich bevoegd om zich uit te spreken over de wettelijkheid van handelingen bevolen door de VN (universele organisatie van staten).

Daar eindigde het verhaal evenwel niet. Het Hof had de gevolgen van de vernietigde verordening uit december 2001 voor drie maanden gehandhaafd, met de bedoeling tijd te laten om een oplossing te vinden. De Commissie heeft op 28 november 2008 de aanwezigheid van Kadi op de lijst bevestigd, in strijd met wat het arrest had opgedragen.

Gevolg: in februari 2009 trok Kadi opnieuw naar het Gerecht van Eerste Aanleg, dat zijn vraag om vernietiging van de nieuwe verordening inwilligde. Nog eindigde het verhaal niet (Kadi was intussen al jaren de controle over zijn vermogen kwijt): de Raad van de EU, de Commissie van de EU, Frankrijk, het VK, Tsjechië, Denemarken, Ierland, Spanje, Oostenrijk, Bulgarije, Italië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Slovakije en Finland vroegen het Hof van Justitie om het arrest te vernietigen. Als lidstaten van de VN dreigen de EU-lidstaten immers de gevangene te worden van twee tegenstrijdige verbintenissen: uitvoering geven aan de VN-Resolutie en de beslissingen van het listingcomité, dan wel aan hun verbintenissen onder de EU-verdragen. De lidstaten vonden dan ook dat de EU-rechters zich veel terughoudender dienden op te stellen, en vonden dat Kadi in de periode van drie maanden tussen de uitspraak van het Hof in september 2008 en de bevestiging door de Commissie van de verordening uit 2001 voldoende de mogelijkheid had gekregen om de tegen hem ingeroepen aantijgingen te weerleggen. Bovendien had de VN-Veiligheidsraad intussen een periodieke herzieningsprocedure in het leven geroepen in 2008 en een Ombudsman opgericht in 2009.

Het Hof weerlegde op 18 juli 2013 deze argumenten door te stellen dat een naar EU-recht juridisch correcte uitvoering van een VN-resolutie niet noodzakelijk een foutieve uitvoering betekent. Bovendien voorziet het VN-herzieningsmechanisme niet in een volwaardige toegang tot de rechter: er blijft een sterke ongelijkheid tussen de overheid die de beslissing neemt, en de persoon die erdoor geraakt wordt.

Met andere woorden: de belangrijke uitspraak uit 2008 wordt bevestigd. De VN-Veiligheidsraad is niet "legibus solutus" (los van wettelijke beperkingen aan zijn macht, zoals vorsten in het Ancien Régime pleegden te stellen): bij uitvoering door een EU-lidstaat zijn alle organen van de EU-lidstaten gebonden door het respect voor het Unierecht. Het is geen toeval dat Prof. Crawford ook in deze zaak actief was (cf. eerdere blogpost: hij pleitte ook -tijdens de Hague Academy- in de Australië/Japan "Walviszaak" voor het Internationaal Gerechtshof, liet bij de voorbereiding van de les over fragmentatie in het internationaal recht de ICSID-arbitrage Cargill/Mexico lezen, waar hij de Mexicaanse staat vertegenwoordigde, of nog de Oost-Timorzaak tussen Portugal en Australië uit 1989, waar hij deze laatste staat verdedigde).

Het was een buitenkans om een bijzonder gereputeerd academicus en praktizijn zijn persoonlijke visie op het internationaal recht te zien geven in 15 kernachtige punten, die een wandeling door een berg rechtspraak en doctrine mogelijk maakte. De tekst van de lessen verschijnt eind dit jaar in het prestigieuze Recueil des Cours de l'Académie de droit international de La Haye en in de pocketreeks van de Academie, zowel in het Frans als het Engels.



woensdag, juli 17, 2013

Recensies boek (BMGN/Biekorf)



Mijn boek werd recent besproken in twee tijdschriften:

  • Bijdragen tot de Geschiedenis der Nederlanden-Low Countries Historical Review CXXVIII (2013), No. 2, 69-71 (bespreking door dr. D. Onnekink, organisator van het "Utrechtse" congres over de Vrede van Utrecht in april) fulltext
  • Biekorf. West-Vlaams Archief voor Geschiedenis, Archeologie, Taal- en Volkskunde CXIII (2013), No. 2 (bespreking door J. Van Acker) website
Zie ook de eerdere besprekingen hier, hier en hier. Het werk werd inmiddels ook opgenomen in het VABB (= Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand: verzamelt alle publicaties van onderzoekers in de menswetenschappen aan de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap, met het oog op hun onderlinge financiering).

maandag, juli 15, 2013

Hague Academy, Week 2


Vandaag begon de tweede week lessen in Den Haag. Zoals eerder vermeld, is enkel de les van James Crawford permanent in alle drie weken. Anna Wyrozumska (Lodz) en Robert Kolb (Genève) vervangen Eyal Benvenisti (Tel Aviv) en Jean-Marc Sorel (Paris I). Ik keek vooral uit naar het optreden van Kolb, die vijf jaar geleden een bijzonder sterke indruk liet.



Die verwachtingen zijn vooralsnog niet gefnuikt: in een zeer literair Frans drapeert Kolb crescendo-golven van nuances en schakeringen om tot een prikkelende synthese van ogenschijnlijk eenvoudige problemen te komen. De vijf lessen worden opgehangen aan de betekenis van artikel 103 van het VN-Handvest, dat in het Nederlands als volgt luidt:

"In geval van strijdigheid tussen de verplichtingen van de Leden van de Verenigde Naties krachtens dit Handvest en hun verplichtingen krachtens andere internationale overeenkomsten, hebben hun verplichtingen krachtens dit Handvest voorrang."
Het lijkt zeer eenvoudig. Net als in een staat de Grondwet boven alle andere wetten staat, zou dit artikel het VN-Handvest als Grondwet van de wereldgemeenschap proclameren. Zo lijkt de VN als globale internationale organisatie sterk op een staat. Artikel 103 is dan de "primus movens" of stuwende kracht achter een federale organisatie, en geldt dan als een "federal primacy clause", zoals ook in de Amerikaanse Grondwet. Alle andere verdragen zijn ondergeschikt. Er ontstaat met andere woorden een normenhiërarchie: lex superior derogat lege inferiori. Op die manier kan een staat niet ontkomen aan het Handvest, dat hem bijvoorbeeld verplicht om zijn geschillen vreedzaam te beslechten (art. 2(3) VN-Handvest) en verbiedt om in interstatelijke betrekkingen geweld te gebruiken (art. 2(4)). Een later verdrag, dat strijdig is met het Handvest, moet dus door de staat in kwestie genegeerd worden.


Het verhaal is evenwel complexer dan dat. In de eerste plaats kent het internationaal recht andere rechtsbronnen dan verdragen. Wat indien een verbintenis haar basis vindt in het internationaal gewoonterecht? Wat met resoluties aangenomen op basis van het Handvest ?

Kolb vindt dat je enkel kan uitgaan van een beperkte interpretatie: artikel 103 is een "traffic regulator" of een collusieregel, die enkel geldt om een conflict tussen twee verdragen in een concreet geval op te lossen. Hij ziet een "règle de priorité", maar zeker geen "règle de supériorité": het VN-Handvest gaat als eerder norm voor op een latere norm, en niet als een hogere op een lagere.

Vanuit het perspectief van artikel 20 van het Volkenbondpact moet artikel 103 gezien worden als een afwijzing van de erg juridische/legalistische definitie die men toen poogde te geven aan conflicten tussen statuut van de organisatie en andere rechtsnormen. Kolb is overigens de editor van een commentaar op het Pact (het boek zou nog dit jaar bij Bruylant moeten uitkomen). Schroom verhinderde een expliciet verbod om via latere akkoorden af te wijken van het Volkenbondpact. Het op voorstel van de Amerikaanse delegatie op de conferentie van San Francisco aangenomen artikel was enkel bedoeld om concrete conflicten te verhelpen, waar de traditionele regels te kort schoten. De Volkenbond kon in de praktijk worden genegeerd, zoals bij de Italiaanse inval in Ethiopië in 1935. Men wou absoluut vermijden dat de maatregelen van de Veiligheidsraad onder hoofdstuk VII zonder gevolg zouden blijven (dit zijn de verplichtende resoluties die elke staat moet respecteren).

Toch is er geen ex ante-reglementering opgelegd. De "trait de plume flamboyant" waarmee de regeling uit de Volkenbond werd afgeschaft, verschoof het probleem van het primaire (normen), naar het secundaire vlak (verbintenissen die uit normen voortvloeien, en de concrete conflicten). Oplossingen dienden pas gevonden te worden "wanneer de problemen zich stellen", eerder dan op het ogenblik van de conferentie (bij het einde van de tweede wereldoorlog) de alliantiebanden van de voornaamste staten op abstract niveau te toetsen aan het nieuwe model van de VN. Vandaar het woord "krachtens" (in het Frans: "issus de") in de verdragstekst.

Precies deze tijdelijke regeling past zeer goed bij het evolutieve karakter van het internationaal recht. Het is natuurlijk juist dat bepaalde verplichtingen niet erg veranderen (je moet bijvoorbeeld altijd bijdragen aan het VN-budget als lidstaat), maar veel normen komen pas later tot stand in de statenpraktijk, of zitten in het ongeschreven recht. Zo was het zelfbeschikkingsrecht in 1945 nog geen deel van het gewoonterecht (ondanks vermeldingen in de preambule en het eerste artikel van het Handvest), maar twintig jaar later (onder andere door de statenpraktijk in de dekolonisatie) wel.

Kolb weerlegde verder de bewering van de Oostenrijkse jurist Hans Kelsen, dat artikel 103 overbodig zou zijn geweest. Kelsen is bekend voor zijn Grundnorm-theorie. Eenvoudig gezegd komt die erop neer dat hij maar één rechtssysteem ziet op alle etages, van lokaal tot globaal, waarbij elke uitgevaardigde norm of rechtshandeling gebaseerd is op een andere, en ultiem terug te voeren op een basisprincipe of "Grundnorm". Kelsen leidde de voorrang en de superieure positie van het Handvest af uit de artikelen 108 en 109, die de amenderingsprocedure bevatten. Een verdrag dat afwijkt van het Handvest, moet dan gezien worden als een formeel niet correcte amendering van dat Handvest. Kolb is absoluut niet akkoord met deze zienswijze: amendementen aan het Handvest zijn een interne zaak, verdragen gesloten door lidstaten met derde partijen staan buiten het Handvest. Bovendien is het Handvest meermaals op informele wijze geamendeerd, waarbij de lidstaten stilzwijgend akkoord zijn gegaan met het voorbijgaan aan de artikelen 108 en 109. Of, in het Frans: "déroger n'égale pas modifier".


Anna Wyrozumska, Jean Monnet professor Europees (en internationaal) recht in Lodz, behandelt een onderwerp dat de laatste jaren schering en inslag is in onderzoeksprojecten en publicaties: nationale rechters en internationaal recht. Weze het vanuit een omgekeerd perspectief: hoe kan internationaal recht beïnvloed worden door beslissingen van nationale rechters ? De vraag lijkt onlogisch, als je uitgaat van de staat-analogie die hierboven is beschreven. Toch is ze dat niet: het internationaal recht is primair een spel tussen staten. Dit betekent dat in de overweldigende meerderheid van gevallen, individuën zich tot de nationale rechter moeten wenden om in een concreet geschil hun belangen te laten erkennen, schadevergoeding te verkrijgen of op te komen tegen hun eigen Staat. De deur van het Internationaal Gerechtshof of van het Beroepspanel van de Wereldhandelsorganisatie blijft gesloten voor personen of ondernemingen, hoewel ook zij geraakt kunnen worden door regels van internationaal recht. Zo is er het voorbeeld van de Hiroshima- en Nagaski-slachtoffers, die naar de rechter trokken in Japan, om schadevergoeding te eisen van de Japanse staat voor het Amerikaanse kernbombardement. De rechtbank die in 1963 uitspraak deed, kwam 33 jaar voor de advisory opinion van  het IGH over kernwapens. In algemene termen bevestigde de Japanse rechter de algemene principes van het oorlogsrecht. Ondanks een duidelijke weigering om schadevergoeding toe te kennen, werd duidelijk gesteld dat een kernwapen gooien op een onverdedigde stad, een schending is van het internationaal recht. Wie een wapen gebruikt, moet immers steeds een onderscheid maken tussen militaire en burgerlijke doelen. Bovendien moet de slagkracht van het wapen in verhouding staan tot het verweer dat men kan verwachten (beide steden waren onverdedigd). Wyrozumska bracht in herinnering dat deze vraag centraal stond bij de creatie van de International Law Reports door Hersch Lauterpacht en Arnold McNair in het interbellum vanaf 1929.

Wanneer nationale rechters in hun oordelen internationaal recht toepassen of interpreteren, scheppen ze een body (corpus) of authority waarnaar kan gerefereerd worden door latere juristen. En dat dus bijgevolg het internationaal recht zelf kan veranderen. Als het House of Lords (nu: UK Supreme Court), het Bundesverfassungsgericht, het Supreme Court in de VS of het Franse Cour de Cassation een uitspraak doen, kan dit worden aangegrepen als een bewijs van een statenpraktijk, maar ook als een inhoudelijk argument. Academici kunnen deze diverse uitspraken bundelen en door middel van een comparatieve, rechtsvergelijkende benadering systematiseren. Uiteraard is dit moeilijker wanneer een dualistische opvatting wordt gehanteerd in een staat (= strikte scheiding nationaal/internationaal recht; nationale omzettingsnorm nodig voor een verdrag kan worden toegepast tussen burgers), of wanneer de rechter ervoor terug deinst om een uitspraak te doen die potentieel ingrijpt op de absolute vrijheid van de uitvoerende macht om het buitenlands beleid te voeren (dit argument wordt overigens gebruikt door Posner om rechterlijke terughoudendheid te bepleiten, bijvoorbeeld in de Guantanamo-zaken).

Op diverse terreinen hebben nationale rechters mee de koers van het internationaal recht bepaald: jurisdictie (= rechtsmacht van een staat over vreemdelingen, schepen...), staatsimmuniteit (diplomatieke privileges, zie ook eerder op deze blog) of mensenrechten (bijvoorbeeld door in het herenigde Duitsland internationaal recht toe te passen om mensenrechtenschendingen in Oost-Duitsland voor de val van de muur te bestraffen). Vooral in dit laatste gebied is de rechtspraak aanzienlijk. Zo besliste het US Supreme Court in 2006 dat de chauffeur van Osama bin Laden, Hamdad, wel degelijk onder artikel 75 van het eerste Additionele Protocol bij de Conventies van Genève viel, en dus recht had op toegang tot een onafhankelijke rechter.

Denken rechters in zo'n gevallen dan als een orgaan van hun staat, of als orgaan van de internationale gemeenschap ? Georges Scelle, belangrijk Frans figuur uit de tussenoorlogse doctrine (en auteur van een doctoraat over de Asiento de Negros in de nieuwe tijd), hoopte dat rechters in een "dédoublement fonctionnel" konden werken. Met andere woorden: zichzelf loyaal gedragen tegenover twee types relevante achterban: de eigen staat en de wereldgemeenschap. Antonio Cassese (intussen overleden Italiaans specialist internationaal (straf)recht) zag voor de nationale rechter een rol als bewaker van "meta-nationale" zorgen op lange termijn, in contrast met korte termijn-problemen: anti-terrorisme, mensenrechten, standaarden van behoorlijke procesvoering.

Hoven en rechtbanken zouden zich -naar door Wyrozumska geciteerd onderzoek- ook steevast verantwoordelijk voelen voor de "Internationale Rule of Law". De vraag is natuurlijk in welke mate ze legitiem zijn om het recht mee te veranderen. Deels komt hun optreden voort uit een gebrek aan internationale aanspreekpunten (lees: rechtbanken) voor klachten. Dat kan verwonderlijk lijken, omdat steeds meer gesproken wordt over een ongecontroleerde explosie aan internationale rechtbanken, maar dat is het natuurlijk niet, gezien de eerder aangehaalde essentie van het internationaal recht als een statenrecht. Rechters spreken dan natuurlijk wel weer recht met de soevereiniteit van hun staat als beperking. Denk maar aan de controverses in België rond de universele jurisdictie die mogelijk was onder onze Genocidewet: onder Amerikaanse druk is de wetgeving zo aangepast, dat de Belgische rechterlijke macht zich niet kon inlaten met kwesties die geen aanknopingspunt met ons grondgebied hebben. Bovendien geldt natuurlijk altijd dat een rechtbank slechts op basis van de Grondwet of eventuele bijzondere wetgeving bevoegd kan zijn.



Tot slot: hoe kan men een internationaal bewustzijn creëren bij rechters, die hun opleiding genieten in het nationaal recht, aan een nationale universiteit ? De namiddag voorzag een paneldiscussie over de Hague Academy en haar 90-jarige rol in het onderwijs van het recht over de hele wereld. Onder de disputanten waren niet toevallig de Chinese rechter in het IGH, Xue Hanqin en haar Braziliaanse collega Antonio Cançado Trinidade. De laatste is een vurig verdediger van universalisme (= internationaal recht verenigt mensen en zal met het voortschrijden van de tijd meer en meer de norm worden, rond de gedeelde waarden van de mensheid), de eerste houdt mordicus vast aan particularisme en regionalisme (= als China de mensenrechten lijkt te schenden, dan gaat het eerder om een andere orde van prioriteiten; Xue wees ook graag op de verkiezing van de leden van het IGH per regio door de Algemene Vergadering, wat al een institutionele erkenning betekent voor de regionale tradities). Ongeacht persoonlijke sympathie is de aanwezigheid van een controversieel standpunt een verademing voor het debat. Op die manier vermijdt men een sterilisatie van de discussie. Bovendien kan men de realiteit niet verhullen, dat internationaal recht cultureel bepaald is, en ook de uiting vormt van een globale (Westerse) dominantie (ik verwijs in dat verband naar twee boeken die ik een paar jaar terug besprak door Onuma Yasuaki/Tokyo en Emmanuelle Tourme-Jouannet/Paris I).

Hoewel Xue Hanqin sceptisch staat tegenover de mogelijkheid om tot een universele interpretatie van normen te komen, toonde ze zich een groot voorstander van de Hague Academy, waarvan ze een Aziatische versie oprichtte (Xianmen Academy). Cançado Trinidade zong dan weer de lof van het externe programma van de Academie, dat sinds de jaren 1960 naar Latijns-Amerika en Afrika trekt. Door scholing en interactie met de "grote namen" bereikt men immers tweerichtingsverkeer: studenten leren bij, maar beïnvloeden elkaar en hun lesgevers ook, wat leidt tot een rijker debat... en uiteindelijk ook tot een betere vertegenwoordiging van alle rechtstradities.



Intussen loopt ook de algemene les van Crawford verder. Hoewel de lesgever momenteel ook pleit namens Australië in de walvis-zaak (zie vorige post), wat aanleiding geeft tot doceren in toga of omwisselen van lessen, worden de lezingen geenszins afgehaspeld. Het ambitieuze overzicht dat hier geboden wordt, is het typevoorbeeld van wat de Academie in 1923 wou bereiken met de "algemene les": een ambitieuze interpretatie van een bijzonder divers veld door een topacademicus (met enorme praktijkervaring). Ook vandaag herhaalde Crawford zijn idee dat internationaal recht een sociaal proces tussen staten (en andere personen) is. Het gaat niet om een "systeem", gebaseerd op abstracte (Kelseniaanse) gedeelde principes tussen alle rechtsstelsels, maar om de concrete praktische logica van interacties tussen bestaande entiteiten, of het coherent opereren van een gedecentraliseerd systeem zonder echt passend institutioneel kader.

Rechtssystemen zijn immers niet los te zien van de samenleving waarbinnen ze gelden. Crawford ging met de hakbijl door initiatieven als UNIDROIT ("pure confection") of het project (op vraag van het Europees Parlement) om tot een eengemaakt Europees Privaatrecht te komen ("demonstrably untrue" om door rechtsvergelijking tot een eengemaakt systeem van principes te komen; "het is alsof je een nieuw natuurrecht wil uitvinden, maar dan zonder God"). "Proffenrecht" is in Crawford's ogen maar een "superstructuur" in de Marxistische zin. Als het niet overeenstemt met de realiteit van de sociale interacties tussen actoren, is het gedoemd om te verdampen.  "Professors, undeterred by other professors" leren evenwel niet uit eerdere geflopte projecten, en willen desondanks bewijzen dat het toch kan werken...

Wie deelneemt aan het internationale leven, tenslotte, wordt bepaald door het "internationaal persoonlijkheidsrecht". Na een kritische analyse van de positie van verenigingen met internationaal karakter (het Rode Kruis, bijvoorbeeld), individuen of bedrijven (zie de Kiobel-case van het Supreme Court) concludeert Crawford evenwel dat het nog steeds om een "law of exclusion" gaat, ten voordele van de Staten, en ten nadele van alle andere actoren. Staten blijven de "gatekeepers" van het internationaal recht: als bedrijven en fysieke personen enkel rechten kunnen hebben, maar niet internationaal aansprakelijk kunnen worden gehouden, zijn ze -wat hem betreft- geen volwaardige rechtssubjecten.

Het contrast met de optimistische "Global Administrative Law"-benadering van vorige week zal de aandachtige lezer van deze blog wellicht niet ontgaan zijn... Vrijdag sabelde Crawford ook de deconstructivisten van de "critical legal studies"-beweging neer, omdat ze recht met politiek verwarren. Dat het internationaal recht tot soms zinloze of vage uitspraken komt, is geen reden om de scheiding tussen recht en politiek op te heffen. De dialoog tussen rechters en academici  is terzake evenmin een aanleiding om te spreken over non-recht ("The main function of academics is to accuse judges of being silly. The function of judges is to ignore academics"). Als alles evenwaardig is, en je als jurist eender welke positie kan verkondigen als recht, kom je tot de positie van de glimlachende Duitse juridische adviseur op de foto bij het Molotov-von Rippentroppact, of ga je foltering beginnen goedpraten. Recht is het kader rond de politiek, en niet de politiek zelf. Internationaal recht wordt gemaakt door de machtigen, maar dat gebeurt... traag. Vandaar dat het soms moeilijk te bepalen is, zoals ook donderdag gesteld in de les over het verdragenrecht en de zogenaamde "Baxterparadox" (hoe meer staten partij zijn bij een multilateraal verdrag, hoe minder gewoonterechtelijk de regels die erin staan): gewoonte is een "conversatie door de tijd". Zoals goede koffie moet die gebrouwen worden. Of nog: "International Law is the capacity to sustain a position across time".

woensdag, juli 10, 2013

Hague Academy (revisited)


Ik verblijf momenteel voor drie weken in Den Haag, voor mijn tweede bezoek aan de Hague Academy of International Law. Sinds het interbellum spreken de meest befaamde grote namen uit het internationaal recht er een bont gezelschap van toehoorders uit de hele wereld toe, en dit op amper twee uur trein van Brussel of Gent. Hans Kelsen, Hersch Lauterpacht, Charles De Visscher, Alfred Verdross, Robert Redslob, Georges Scelle, Antonio Truyol y Serra, Philip Jessup, Charles Rousseau, Pierre Pescatore, René-Jean Dupuy, Serge Sur, Jules Basdevant... en zelfs de befaamde rechtshistoricus Meijers waren er actief. Ook Belgische professoren als Marc Maresceau (Gent), Jean Salmon (ULB) of Jan Wouters (KUL) spraken er de afgelopen jaren. De uitgegeven versies in de Recueil des Cours de l'Académie de Droit International (Brill/Martinus Nijhoff) zijn een soort eeuwige bijbel van het internationaal recht en een geweldige bron voor de volkenrechtshistoricus.

(Portret René-Jean Dupuy, ernaast  James Brown Scott, seminariezaal)

De lessen van bijvoorbeeld Robert Kolb (Genève), Laurence Boisson de Chazournes (Genève) of Ahmed Mahiou (CNRS) maakten in de zomer van 2008 op mij een grote indruk. Ik koesterde dan ook en sourdine het plan om nog eens terug te keren. Nu mijn doctoraat is ingediend valt de reeks van 2013 ideaal. De Academie is gekoppeld aan de bibliotheek van het Vredespaleis. Niet toevallig een van de beste ter wereld voor internationaal recht: het gebouw huisvest al honderd jaar het Permanent Hof voor Arbitrage, de eerste vaste internationale rechtbank, en sinds 1920 het Permanente Hof van Internationale Justitie (de voorloper van het Internationaal Gerechtshof of "World Court" van de VN).

De Academie werkt tweetalig: Frans-Engels. Niet omdat het Frans als handels- of bestuurstaal de kwantitatieve evenknie van het Engels zou zijn, wél omdat de taal als vector van een rechtssysteem begrippen definieert en vastlegt. Minstens een andere vreemde taal naast het Engels beheersen, leidt op die manier de internationale jurist naar een juiste appreciatie van de verschillende denkwijzen die aan juridische argumentaties ten gronde liggen. Voor de ongelukkigen die een van beide talen niet voldoende beheersen, is er overigens simultaanvertaling.


Dit jaar wordt de algemene cursus ("The Course of International Law. Practice and Process of the Law of Nations") gegeven door James Crawford (Cambridge), veruit de meest vooraanstaande van de hedendaagse internationalisten. Deze "algemene" lessenreeks overspant de drie weken en heeft als doel om een gevestigde naam toe te laten zijn licht te laten schijnen over het volledige volkenrecht. Zie overigens ook het bijzonder boeiende overzichtswerk van Robert Kolb (Les cours généraux de droit international public de l'Académié de La Haye), dat een selectie aan bijna 80 jaar algemene cursussen bundelt.

Crawford maakte vorig jaar in de samen met de rechtshistoricus en rechtstheoreticus Martti Koskenniemi uitgegeven Cambridge Companion to International Law zijn uitgangspunten duidelijk. De theoretische continuïteit is in het internationaal recht veel sterker aanwezig dan veel discours over globalisering of het "einde van de natiestaat" doet denken. Soevereine staten waren, zijn en blijven de voornaamste spelbepalers in een gedecentraliseerd recht (d.w.z. een recht waar geen gendarme bestaat, waar de rechtssubjecten zelf de regels scheppen, en zelfs de bevoegdheid van rechtbanken facultatief is). Zelfs mensenrechtennormen binden niet de burger rechtstreeks, maar zijn staat. "There is no alternative", zelfs niet voor tautologische uitdrukkingen als "soevereine staat". Dat betekent dan weer niet dat soevereiniteit impliceert dat een staat eender wat mag doen. Meer dan een "freedom from the law", gaat het om een "freedom with the law".

Dat betekent uiteraard niet dat normen niet gerespecteerd worden, of dat staten zich niets aantrekken van  het recht. Op zich zelf genomen betekent een geïsoleerde staat niets. Het is maar in verhouding tot andere, gelijke actoren, dat verbintenissen kunnen ontstaan en legitimerend juridisch discours nodig is. De specifieke uitdrukkingsvormen waarin normen gevonden worden, zijn net daarom heel divers. Staten kunnen zichzelf expliciet verbinden in een verdrag, maar ook gebonden zijn door het aanhoudende gedrag van de hele statengemeenschap als proto-juridische regel. Wanneer deze laatste door de meeste leden van die gemeenschap als dwingend wordt ervaren, verandert er iets in het recht. Deze internationale gewoontevorming proberen definiëren, is onbegonnen werk en moet dus wel blijven mislukken. Bewijs voor een gewoonte kan overal in gevonden worden. Zelfs een academische consensus kan genoeg zijn voor het IGH. Desalniettemin is het beroep op het collectieve oordeel van de statengemeenschap ("opinio iuris sive necessitatis") noodzakelijk als metafoor om -zonder expliciete wetgeving- het recht tegelijk te laten consolideren en evolueren. Zo is het perfect mogelijk dat een beleidsverandering bij een grote staat een schending van het recht uitmaakt, maar na twintig jaar tot de nieuwe regel is geworden.

Crawford komt in vijftien vraagpunten terug op de grote arresten van het IGH, de doctrine en een paar grote constitutieve verdragen (VN Handvest, Weense Conventie over het Verdragenrecht). Als prof én bijzonder ervaren praktizijn (hij verliet bijvoorbeeld vandaag de les om namens Australië te gaan pleiten in de walviszaak die momenteel voor het IGH aanhangig is) geniet Crawford een bijzonder aanzien. Voor een rechtshistoricus is het een hele opsteker dat hij de nadruk legt op internationaal recht als proces, en dus ook op de geschiedenis van de interacties tussen staten. Voor hem is  het internationaal recht geboren uit de interacties tussen staten in het Vroegmoderne Europa, wat niet toevallig de voorkeursperiode van uw dienaar is.


Vijf jaar geleden sprak dame Rosalyn Higgins, voormalig voorzitster van het IGH, ons toe. Dit jaar was dat de Amerikaanse IGH-rechter Joan Donoghue, voormalig juridisch adviseur op het State Department. Na meer dan twintig jaar in de Amerikaanse buitenlandadministratie kwam ze in 2010 in Den Haag terecht. Ze greep haar functie aan om in de VS de boer op te gaan voor het internationaal recht. Op die manier probeert ze de rechtseconomisch geïnspireerde kritiek op het internationaal recht en de VN tegen te gaan. Veel Amerikaanse politici kijken naar recht als een schaamlapje om de verdediging van fundamentele statenbelangen te verbergen. Het hoeft waarschijnlijk geen verbazing dat net de VS een van de stevigste veroordelingen van het IGH te verwerken heeft gekregen met de Nicaraguazaak in 1986. Donoghue hield in een no-nonsense stijl een pleidooi voor haar instelling en de juridische taal die er wordt gesproken. Ze trok in twijfel dat nationale rechtssystemen efficiënter of "juridischer" zouden zijn, en riep de academici in de zaal op om de effectiviteit van internationale rechtshandelingen te bekijken. Wat doet een winnende partij met een IGH-arrest ? Hoe wordt internationaal recht nationaal uitgevoerd ? Ten dele komen haar vragen wel tegemoet aan bestaande projecten, maar misschien nog niet helemaal waar ze vraagt naar een empirisch antwoord op de theorieën van bijvoorbeeld Eric Posner (Chicago), die een duidelijke primauteit aan het Amerikaanse grondwettelijke systeem toekent ten opzichte van het internationale.

Voor Donoghue had Lucius Caflisch, emeritus professor en lid van de International Law Commission (aeropaag van vooraanstaande professoren, die zich bezig houdt met het codificeren en "progressief ontwikkelen" van het volkenrecht) het spreekgestoelte bestegen.  Ook hij heeft een sterke band met de praktijk (oud-rechter in het EHRM in Straatsburg, meegewerkt aan de redactie van het Statuut van het Internationaal Strafhof). Niet toevallig legde ook Caflisch de nadruk op de duurzame en blijvende primauteit van staten in het internationaal recht, met de nadruk op de regels inzake grensafbakening. Het bepalen van territoriale of maritieme grenzen is traditioneel een taaie brok voor juristen. Een aantal IGH-zaken, zoals de North Sea Continental Shelf (waarin het Hof erkende dat soevereiniteit over het continentaal plat, of de afhellende kust onder water, een gewoonterechtelijke regel is), hadden ook ruimere implicaties voor het internationaal recht op zich.

Grenzen kunnen nooit worden los gezien van staten, en zullen dus ook altijd blijven bestaan: je moet weten waar de ene stopt en de andere begint. Hoewel ze vanuit ideologische hoek kunnen worden gezien als obstakels, die de uitwisseling van cultuur en goederen moeilijker maken, leidt hun uitschakeling tot chaotische migratietoestanden of rechtsonzekerheid. Zonder fysieke bezetting van een grondgebied, geen soevereiniteit. De noodzaak aan grenzen wordt dan weer afgeleid aan de aanvaarding van verkrijgende verjaring voor de bezetting van andermans grondgebied. Grenzen moeten stabiel en veilig zijn, en overleven soms zelfs het tijdelijke karakter van de verdragen die hen hebben gevestigd. Ook het "uti possidetis"-principe, dat bij het uiteenvallen van een staat de interne deelstaat-, kolonie-, of provinciegrenzen houdt als nieuwe natiegrens, is een logisch gevolg van de zoektocht naar stabiliteit, die gewapend optreden om grenzen te verleggen afwijst. Natuurlijke grenzen zijn in dat opzicht verre van ideale grenzen, omdat ze dikwijls symbolisch geladen zijn. Beter de consensus van twee staten over een artificiële grens, dan een afgeleide natuurlijke grens. 


Deze week zijn er twee specifieke lessen: Jean-Marc Sorel (Paris I Panthéon-Sorbonne) spreekt over de internationale normativiteit inzake monetaire en financiële zaken. Eyal Benvenisti (Tel Aviv) behandelt het Globaal Administratief Recht-project.

Sorel startte vanuit de vroege geschiedenis van het geld, om aan te tonen hoe zeer de geldcreatie aan het einde van de twintigste eeuw ontsnapt is aan de controle van de soeverein. Door geld te gebruiken als een financieel product, maken privé-instellingen (banken, fondsen) het tot een verhandelbare commodity op zich. Terwijl er amper een juridisch kader bestaat om kapitaalbewegingen te controleren. Sorel beschreef mooi hoe sinds het loslaten van de aangepaste goudstandaard door de VS in de jaren '70 (maar eigenlijk al daarvoor, sinds de jaren 1950 en de creatie van "eurodollars" en vervolgens "petrodollars"), geldcreatie ontsnapt aan de staat.  

Terwijl de akkoorden van Bretton Woods (1944) eigenlijk een juridische revolutie inhielden. Het interbellum was een periode van monetaire anarchie, waaraan Britten en Amerikanen een einde wensten te stellen. Het gewoonterechtelijk principe, vastgelegd door het PHIJ in 1929 (zaak aangaande Servische en Braziliaanse leningen), volgens hetwelke elke staat het recht heeft zelf zijn eigen muntpolitiek te bepalen, ging door de creatie van het muntfonds en de verplichting tot onderlinge convertibiliteit (art. VIII IMF-Statuut), teniet. Het IMF trad in de eerste vijftien jaar na de oorlog bijzonder verplichtend op: staten dienden om toestemming te vragen voor ze konden devalueren, of de geldkraan ging dicht voor een paar jaar. Daartegenover stond dat de economisch fundamentele beslissing van de Nixon-administratie om uit het systeem te stappen, als een simpele optie in de statuten van het Fonds stond.  In 1971 waren er zeven keer meer dollars in omloop, dan de corresponderende hoeveelheid goud in de koffers van de Federal Reserve (zie ook de poging van de Gaulle om dit aan te klagen, door schepen naar Fort Knox te sturen om de Franse dollars in goud te wisselen). Door de Amerikaanse beslissing ging de kern van het IMF-verdrag eigenlijk teniet. Sorel noemt het IMF-statuut dan ook een hypocriet document. De daaropvolgende akkoorden van Washington (december 1971) leidden tot vlottende valuta, het herstel van de oude gewoonte, en dus veel meer speculatieplezier voor de banken. Eigenlijk was ook dat maar schijn: centrale banken wachtten steeds meer op de financiële markten, en lieten zo hun bevoegdheid uit handen glippen. In Europa kwam dan in 1978 het Europees Monetair Systeem tot stand, op basis van aanbevelingen gericht tot de lidstaten.

In het financieel recht komen allerlei soorten normen samen tot een ad hoc pluralisme. Eigenlijk bestaat er amper nog een hiërarchie tussen internationale verdragen (weinig, en als ze al bestaan, zijn ze uitgehold door de feiten of onvolledig), nationale wetgeving (enkel die van de belangrijkste staten telt), regionale normen (die in het geval van de EU wél verplichtend zijn), privé-contracten (shoppen overal naar het voordeligste rechtssysteem en onttrekken de facto de belangrijkste transacties aan het gezag van één staat) of transnationale gemeenschappelijke praktijken (een soort revival van het veel oudere internationale handelsrecht). Enorme bedragen kunnen zonder al te veel formaliteiten verschuiven tussen banken. Dit kan leiden tot meer efficiëntie in transacties, maar komt maar al te dikwijls neer op het overlaten van de regels aan de spelers zelf. Zo lenen doen banken aan geldcreatie door munten nooit te laten terugkeren naar de centrale bank of land van oorsprong (geval van de euro- en petrodollars, wat neerkomt of "offshore"-constructies), en zelf maar een fractie van de ter beschikking gestelde bedragen in kapitaal te houden. Voor de staten komt dit eigenlijk niet slecht uit, want al het (fictief) geschapen krediet komt ook hen ten goede, aangezien het publieke systeem niet meer volstaat om geld te creëren. Sorel spreekt daarin van een "Pacte faustien" tussen publieke autoriteiten en privé-markten: "on vit avec le diable, on sait que c'est le diable, mais on ne peut plus se passer de lui". De recyclage van de petrodollars leidde bijvoorbeeld tot een grote financiële crisis in de ontwikkelingslanden in de jaren '80. In 1982 trad het IMF op in Mexico: het land was eigenlijk bankroet, maar... zoals zo vaak bij een faillissement kon dit erger uitvallen voor de schuldeisers, Amerikaanse privé-banken, dan voor de schuldenaar. Om de Amerikaanse banken recht te houden kreeg Mexico een "programme d'ajustement" opgelegd, dat de schijn van terugbetaling (en dus: van kredietwaardigheid van de Amerikaanse banken tegenover hun eigen tegenpartijen) moest recht houden.

Dat markten zichzelf niet kunnen reguleren, blijkt maar al te duidelijk uit de subprime-crisis, waar de relatieve anarchie gekoppeld werd aan het herverpakken van kredieten, waardoor op een gegeven moment lucht werd verhandeld. Terwijl het juridisch kader dus veel te weinig verplichtend is. De Basel-III-normen (die de kapitaalvereisten voor banken optrekken) worden door Sorel beschreven als "onbegrijpelijk voor een jurist", gezien de talrijke vrijblijvende en contradictorische formuleringen. Een "gentlemen's club" van privé-ondernemingen of gouverneurs van centrale banken schuift staten regels toe, die dan... al dan niet worden overgenomen. Sorel vindt het ongehoord om, in de woorden van de economist en Nobelprijswinnaar Paul Samuelson, "de aberrante unie van  wiskundige logica en chaotisch menselijk gedrag" zonder regels te laten verlopen. Markten zijn intrinsiek bepaald door irrationele factoren. Het privé-systeem is dus een "non-système": uiteindelijk moeten de staten toch ingrijpen als het ontspoort. Het tragische is natuurlijk dat de overheden niet hebben ingegrepen: de geboorte van het privé-systeem is niet contra, maar praeter legem geschiedt: het was helemaal niet onwettig.

(zie overigens dit radio-interview van EU-commissaris Michel Barnier, bevoegd voor Interne Markt, waar hij gepassioneerd wijst op de grote wetgevende activiteit van de Commissie terzake; Barnier gelooft dus duidelijk meer in een "watershed moment" dan Sorel)

Globaal Administratief Recht of "GAL", komt dan weer over als een restatement-project van het zich opdringende probleem van multi-level governance. Op verschillende juridische trappen komt de burger in aanraking met regionale, nationale, Europese of universele publieke gezagsdragers, of met multinationale ondernemingen. Wanneer deze entiteiten beslissingen treffen die je als individu raken, beschik je vaak niet over het recht te worden gehoord, of over de mogelijkheid de beslissingsnemer aansprakelijk te stellen. In het Belgische nationale recht kan je je wenden tot de hoven en rechtbanken, de Raad van State of het Grondwettelijk Hof. Europees kan je naar het Gerecht van Eerste Aanleg, of, indien een definitieve nationale beslissing je in je fundamentele rechten en vrijheden raakt, naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Maar daar stopt het dus een beetje. Internationale Organisaties genieten immuniteit en kunnen bijna niet aansprakelijk worden gehouden (zie de Nederlandse Srebrenica-processen of de problemen met de anti-terreurmaatregelen die de VN-Veiligheidsraad heeft gevraagd tegen individuën: in Straatsburg of in Londen bevestigd, in Luxemburg afgekraakt).  

De laatste jaren is internationaal samengewerkt tussen instituten en universiteiten om te komen tot een dwarsdoorsnede van gemeenschappelijke best practices in staten en internationale instellingen, die vooral internationale organisaties bewust moeten maken van de noodzaak om "accountable" te zijn (verantwoording af te leggen) en de personen tot wie normen en beslissingen gericht zijn, te laten participeren aan het beslissingsproces. Ook moeten "decision makers" (institutioneel) onafhankelijke en (individueel) onpartijdig zijn, en mogen ze hun bevoegdheden niet overschrijden (vergelijk met machtsoverschrijding of machtsafwending bij de Raad van State bij ons). De les van Eyal Benvenisti probeert een overzicht te geven van de daadwerkelijk aanwezige aanknopingspunten om tot een dergelijke uitbreiding te komen. De structuur van het internationaal recht maakt het evenwel niet evident om dit zomaar door te voeren. Het is gemakkelijk gezegd om dit te poneren vanuit politiek, filosofisch of management-perspectief. Zoals hoger gezegd, staan staten evenwel centraal in het spel. Een rechtstreekse link tussen burger en internationale organisatie is maar mogelijk voor zover staten daarmee in het constitutieve verdrag tot oprichting van die organisatie, hebben ingestemd. Zo kan je als personeelslid van de VN naar het Administratief Tribunaal van de VN stappen, bij de ILO naar het ILO-administratief tribunaal en voorzien de verdragen inzake de EU in een Hof van Justitie en een Gerecht van Eerste Aanleg. Bestaat die mogelijkheid niet, dan heb je pech. Regels van toepassing verklaren op personen die niet met een instemmende staat verbonden zijn, is allesbehalve evident (denk maar aan de moeilijkheden van het Internationaal Strafhof). Ook de erkenning van normen van absoluut dwingend internationaal recht (zoals de genocideconventie) is onderworpen aan erg zware tests.



De Hague Academy is, tot slot, geen vrijblijvend zomeruitstapje (los van het in Nederland immer regenachtige weer). De organisatie heeft ongeveer een maand op voorhand de voorbereidingsteksten gecommuniceerd aan de deelnemers. Vooral in 2008 heeft dit me een pak werk gekost. Ik kan me dan ook geen betere vuurdoop in het internationaal recht voorstellen dan de voorbereiding voor de algemene cursus in Den Haag, ongeacht wie hem geeft: de voornaamste bronteksten komen hoe dan ook aan bod, en je krijgt meteen te zien wat toonaangevend is in de literatuur, zowel wat betreft de recentste syntheses als voor de canonieke werken (Lauterpacht, Kelsen...). De lessen gaan evenwel door voor groepen van 300 auditeurs, wat interactiviteit aanzienlijk bemoeilijkt. Desalniettemin voorziet elke lesgever een seminarie per week, waar in kleinere groep rond concrete cases gewerkt wordt.

dinsdag, juli 09, 2013

SSRN ("Looking Beyond the Tip of the Iceberg: Diplomatic Praxis and Legal Culture in the History of Public International Law"

 

I posted my forthcoming article "Looking Beyond the Tip of the Iceberg: Diplomatic Praxis and Legal Culture in the History of Public International Law" on the SSRN research network. The article is to appear in the second issue of Rechtskultur - Zeitschrift für Europäische Rechtsgeschichte/European Journal of Legal History/Journal européen d'histoire du droit, dedicated to methodology and sources in European Legal History. This -increasingly popular- method of sharing texts before their actual publication is rather new for me. I previously refrained from using SSRN, fearing copyright issues. Consequently, I obtained the main editor's permission to share this pre-peer-reviewed version, before I went ahead with it.

The contribution in question is a synopsis of the methodological and theoretical issues encountered during my doctoral research on the use of legal argumentation by European Diplomacy in the early eighteenth century and after 1945. Tackling such a subject requires training in international law (of course), diplomatic history, international relations and legal history. Consequently, one tries to avoid both evident and hidden pitfalls and traps. A study of "text in context" requires both the rigour of legal reasoning and the collection of salient details in literary, esthetic diplomatic writing. Moreover, the comparison between two epochs seems at first sight a long shot, and many lawyers have their doubts on the use of history to explain contemporary positive norms. Yet, insights from other social sciences (sociology, cultural history, antropology) can help. If you are curious to find out how I suggest resolving the conundrum, I kindly invite you to read the text at this location.

E-Journals: European Public LawLaw and Humanities, Legal History, Political Institutions: International Institutions, Philosophy of Law.


Update 15 November 2013: In the meanwhile, the journal Rechtskultur - Zeitschrift für Europäische Rechtsgeschichte - European Journal of Legal History - Journal européen d'histoire du droit has published its second issue, containing the abovementioned text on the pages 31 to 42. More information: Edition Rechtskultur.

woensdag, juli 03, 2013

"World University Rankings"

Uw dienaar zag vandaag op de Sciences Po-app het jubelende bericht dat een van mijn voormalige studeerplekken een goed rapport had gekregen van de "QS-World University Rankings". De intrede van Sciences Po op rankings werd indertijd uitgesteld tot een grote inhaalbeweging (meer onderzoeksmiddelen) was uitgevoerd.

Ik ging dan ook geïnteresseerd even kijken naar de website. Na een gratis registratie, en handige pop-ups met "tuition fees" per instelling die me diets maakten dat de website zich profileert voor de internationaal shoppende student, viel mijn oog op de rankings per onderwerp (iets wat blijkbaar sinds 2011 bestaat).

Goed, eens kijken naar de gebieden die ik gestudeerd heb.

Voor rechten bekleden Angelsaksische universiteiten de eerste zeventien plaatsen. Een mooie weerspiegeling van de dominantie van de Engelstalige tijdschriften op het Web of Science of SSRN ? Eerste continentale faculteit is Paris I Panthéon-Sorbonne (18). De tweede... de KULeuven (25), samen met Leiden (26). Dan volgen Utrecht (35), LMU München (37), Heidelberg (42), Hamburg (49) en de Universiteit van Amsterdam (50).  De eerste zeventien universiteiten vragen minimum $ 20 000 aan tuiton fee, voor wie een masterjaar wil studeren. Paris I valt onder het algemene Franse regime (te vergelijken met bij ons).

Quid de andere Belgische "law schools" ? UCL en UGent staan in de groep 51-100, ULB, UA en VUB (opnieuw opgedoken) in 101-150. In Nederland staan Rotterdam, Maastricht en de VU Amsterdam in de 51-100, Nijmegen en Groningen in de 101-150. Hasselt (België) en Tilburg (Nederland) zijn niet opgenomen in de ranking.


Ook voor geschiedenis (verrassing o verrassing) zijn de eerste dertien universiteiten Angelsaksisch. Het zal wel te maken hebben met de focus van mijn onderzoeksgebied, maar doorgaans kom ik toch niet veel Nieuw-Zeelandse (Otago, 24) of Australische literatuur (Australian National Univ, Melbourne, Sydney) tegen.

De eerste continentaal-Europese faculteit is die van de Freie Universität Berlin (14), meteen ook de eerste die minder dan $20 000 tuiton fee vraagt (wie is bereid dit te betalen voor een opleiding geschiedenis ?). Verder probeert de ranking ons aan te praten dat Warwick (16) beter zou zijn dan Harvard (17), of alles wat eronder staat: Paris I (19), Humboldt Berlin (22), Leiden (28). Nog een ander voorbeeld: Mexico (jawel, 31) prijkt er boven Paris IV-Sorbonne (37) en Heidelberg (38), of nog Johns Hopkins (39). Singapore (40) en Peking (41) prijken dan weer boven LMU München (47) en de KUL (48). 

Onze eigen UGent is dan weer de vierde in België, na de KUL (48), in het groepje van de UCL en de ULB. De UA (51-100) volgt in een volgende bunch. Van de VUB geen spoor. Het jubelbericht van Sciences Po vermeldde dat het geschiedenisdepartement, hoewel relatief klein (aangezien het enkel hedendaagse geschiedenis aanbiedt), het derde beste van Frankrijk is. QS plaatst Sciences Po in de groep 51-100, na Paris I en Paris IV, voor Toulouse II (101-150) en drie anderen (151-200: Lille III, Paris VII, Paris-Ouest La Défense, het vroegere Paris-X). Blijkbaar wordt er op veel plaatsen niet aan geschiedenis gedaan voor de QS-ranking.

Voor politieke wetenschappen stormt Sciences Po Paris naar de eerste plaats op het continent (16), voor Paris I (44).  De Belgische faculteiten van Leuven, Louvain en de ULB zitten in de groep 51-100, UA en UGent in de 101-150.