donderdag, juni 20, 2013

Zetelverdeling peiling Ipsos/Le Soir/De Morgen (17 juni)

(De Kamer, afbeelding: historia.over-blog.com)

 De afsluitende peilingen van dit kwartaal kwamen de afgelopen weken binnen. Zowel de VRT/de Standaard- als de La Libre/Dedicated zagen een dipje voor de N-VA en een duik voor de PS. Aangezien alles evenwel binnen de foutenmarge lag, en uw dienaar dringender zaken te doen had, verscheen op deze blog geen zetelverdeling.

Trouw aan de laatste verdeling die ik in maart produceerde, keek ik nu toch wel nog eens naar de Ipsos/Le Soir/De Morgen-peiling. Het blijft uiteraard subjectief, maar ik behoud het vertrouwen in de oude "Libre"-peiling (cf. de Franstalige kranten wisselden van partner), ook al gaat ze door op het internet. Traditioneel staan CD&V en groen wat hoger bij de Standaard/VRT, om maar iets te zeggen.

Goed. Op pagina 3 van Le Soir van afgelopen maandag (17 juni) dook een zetelverdeling op die zowel de PTB als de PVDA een Kamerzetel toedichtte. Ik beschik uiteraard niet over de concrete gegevens, maar misschien is dit voor de Provincie Antwerpen wat overdreven. De 3,5% die de PVDA wordt toegemeten in de totale peiling is waarschijnlijk een optelling van een Antwerpse/Genkse/Gentse piek, met een veel meer afgevlakte aanwezigheid elders. Laat ons evenwel niet vergeten dat de PVDA, die de meeste kans heeft om in Antwerpen een zetel te halen in Kamer (24 zetels) of Vlaams Parlement (33 zetels), niet zomaar kan uitgaan van 1/24ste of 1/33ste van de uitgebrachte stemmen als kiesdrempel.

Ter verduidelijking: in de kieskring Antwerpen werden bij de recentste Kamerverkiezingen in 2010 1.096.182 geldige stemmen uitgebracht. Met 45.674 of 4,16% resp. 33.218 of 3,03% zou je dus een zetel moeten kunnen binnenhalen. Er geldt evenwel een wettelijke/decretale kiesdrempel van... 5%, of 54.809 stemmen. Voor de gemeenteraadsverkiezingen haalde de PVDA 21.720 stemmen in de stad Antwerpen, en 22.318 voor de provincieraad in het met de stad samenvallende kanton. Dat zijn er nog 33.000 te gaan. Waarvan er in oktober 2012 de helft gehaald werd (15.000 stemmen, als je de provinciedistricten Kapellen, Turnhout, Herentals, Lier, Mechelen en Boom samentelt). Door de fusie van Antwerpen en Mechelen-Turnhout tellen ook de landelijke gemeenten van de Kempen mee voor de kiesdrempel. Rest dan nog 18.000 stemmen. In procenten is het niet veel (1,6%), maar de vraag is natuurlijk vanwaar ze moeten komen. Doorbreken is (voor een linkse partij) eigenlijk een pak moeilijker dan voorheen.

Om die redenen heb ik dus de PVDA voorlopig buiten de zetelverdeling gehouden: het zal niet gemakkelijk zijn om de kiesdrempel te halen, door het gewicht van de landelijke gebieden. Een probleem dat ook sp.a en groen altijd parten speelt. De zetelverdeling in de krant zou de situatie moeten weerspiegelen die beantwoordt aan de vraag die men stelt bij de peiling: "als er vandaag verkiezingen zouden zijn, voor wie zou u dan stemmen ?".

In Luik denk ik dan weer wel dat de PTB een zetel kan halen. De partij zat er aan de flatterende score van 4,71% bij de provincieraadsverkiezingen. Een klein extra duwtje lijkt waarschijnlijk. In Henegouwen (2,5% in oktober 2012) lijkt de drempel nog veraf.

De kiesdrempel is wel een vrij wrang verhaal, in die zin dat de quotiënten om een zetel te halen (= deling van stemmenaantal door 1,2,3...) dikwijls lager liggen dan 5% (in deze oefening). Dat is het geval voor 5 van de 20 Oost-Vlaamse zetels, 1 van de 16 West-Vlaamse, 8 van de 24 Antwerpse, 1 van de 15 Brusselse en 7 van de 18 Henegouwse.

Bemerk overigens dat de procentuele duik van de PS (ongeveer 10% eraf sinds 2010) zich niet vertaalt in groot zetelverlies. Deels te verklaren door het disproportionele gewicht van Brussel (veel minder geldig uitgebrachte stemmen dan er inwoners zijn; cf. in 2009 waren er in Brussel 460.688 geldig uitgebrachte stemmen bij de gewestverkiezingen; Brussel krijgt nu 15 zetels = 30.713 stemmen per Kamerzetel, terwijl er dat normaal 40.000 zijn). Deels uiteraard ook door het in rook opgaan van een aantal procenten in deze peiling, die laat uitschijnen dat er eigenlijk geen alternatief is. Zo houdt de PS 10 van de 18 zetels in Henegouwen, zelfs indien ze zakt van 48% naar 34,89%. Een achteruitgang van... één zetel. De rest blijft stabiel. In de provincie Henegouwen was de verhouding geldige stemmen/ingeschrevenen in 2010 4/5.

Nu goed, hier is dan "mijn" zetelverdeling, die eigenlijk niet veel afwijkt van het patroon van de laatste maanden.

Kamer


Nederlandstaligen
groen 5 (gelijk, dankzij kartel in Limburg met sp.a) (5,75%)
sp.a 12 (-1: verlies West-Vlaanderen) (13,79%)
CD&V 14 (-3; verlies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant) (16,09%)
N-VA 38 (+11; overal winst) (43,68% van de zetels met 35% van de stemmen)
openVLD 10 (-3; verlies Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams-Brabant) (11,49%)
VB 8 (-4; verlies Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant) (9,2%)

Franstaligen
Ecolo 9 (+1 Luik) (14,29%)
PTB 1 (+1 Luik) (1,59%)
PS 24 (-2; 1 winst in Brussel, -1 Henegouwen, -2 Luik) (38,1%)
CdH 10 (+1 Waals-Brabant) (15,87%)
MR 17 (+2; +2 Brussel, rekening houdende met de exit van het FDF) (26,98%)
FDF 2 (-1 Brussel) (3,17%)

Families
Groen 14 (9,33%)
Radicaal links 1 (0,67%)
Rood 36 (24%)
Oranje 24 (16%)
Vlaams-Nationalistisch 38 (grootste familie) (25,33%)
Brussels 2 (1,33%)
Blauw 27 (18%)
Extreem-Rechts 8 (5,33%)

Meerderheden
Olijfboom: 74 (geen meerderheid)
Tripartite: 87 (meerderheid)
Oranje-blauw-geel: 89 (meerderheid)
Paars-groen: 77 (meerderheid)

Vlaams Parlement

Zetelverdeling
groen 10 (-1 Limburg, -1 Vlaams-Brabant, +1 Antwerpen)
sp.a 17 (-1 Brussel, -1 Antwerpen)
CD&V 23 (-2 Limburg, -2 Vlaams-Brabant, -3 Antwerpen, -2 Oost-Vlaanderen, -1 West-Vlaanderen)
N-VA 42 (overal winst) (33,8% van de zetels met 35% van de stemmen, cf. oververtegenwoordiging Brussel; anders 35%)
openVLD 19 (-1 Vlaams-Brabant, -1 Antwerpen, -1 Oost-Vlaanderen)
VB 12 (-1 Limburg, -2 Vlaams-Brabant, -3 Antwerpen, -2 Oost-Vlaanderen, -2 West-Vlaanderen)
UF 1 (=)

Samen halen N-VA en VB dus geen meerderheid (54/124)

Meerderheden
Olijfboom 50 (geen meerderheid)
Tripartite: 59/124 (geen meerderheid)
Oranje-blauw-geel: 84 (meerderheid)

Conclusie: de N-VA is rekenkundig incontournable voor een nieuwe Vlaamse Regering, op basis van deze peiling.

woensdag, juni 19, 2013

Delphine Boël et Louis XIV

(La main du roi Léopold Ier sur la constitution belge; image: Wikimedia Commons)

Les médias belges nous rapportent la nouvelle que Delphine Boël, fille naturelle d'Albert II, roi des Belges, tente d'obtenir par une procédure civile la détermination de la paternité de ce dernier. La demanderesse vise son demi-frère supposé, le prince héritier, ainsi que sa demi-soeur supposée, la princesse Astrid. Ceci afin de contourner l'immunité constitutionnelle de la personne du roi (art. 88 Constitution).

Évidemment, cette démarche surprenante suscite des réactions de juristes (De Standaard, 18 mai 2013). Un constitutionnaliste (Marc Uyttendaele/ULB) met le roi à l'abri, y compris en interdisant à Boël les voies indirectes. Un spécialiste du droit de la famille (Frederik Swennen/UA), cependant, se demande si cette immunité royale rend impossible l'exercice des libertés dont devraient jouïr les autres membres de la famille royale, par exemple le droit de la reine à demander un divorce civil.

La procédure intentée par Mlle Boël ressemble en premier lieu à un 'coup de com'. Le fait que nous ayons une monarchie constitutionnelle n'écarte pas que la succession d'un Roi reste liée aux aléas du marriage, des naissances et des décès. Notre constitution précise que l'accession au trône est réservée aux enfants légitimes du Roi (art. 85 Constitution: "descendance directe, naturelle et légitime"). Du coup, toutes les matières concernant la vie familiale du monarque tombent sous la coupe du droit public. La désignation du monarque n'est pas une affaire d'élection, mais de naissance. Or, l'intérêt privé doit céder aux règles fixées dans le contrat fondamental entre le Roi et la nation. Tout comme la responsabilité politique du Roi se substitue toujours à celle du Gouvernement, responsable devant le Parlement élu.

Le monarque sans constitution écrite
 (Louis XIV par Rigaud; image: shafe.co.uk)

Cependant, il n'en a pas toujours été ainsi. La France d'Ancien Régime, par exemple, ne connut pas de constitution écrite. Par conséquent, les "lois fondamentales" (établies -inventées- par la doctrine et le Parlement de Paris) bornant les compétences du monarque furent un sujet de discussion constant. Louis XIV (1638-1715), qui eut plusieurs enfants de ces maîtresses, la duchesse de la Vallère et la marquise de Montespan, utilisa ses bâtards comme une arme politique contre les Orléans (la famille de son frère cadet, Monsieur (1640-1701)). Pendant la jeunesse de Louis XIV, sous la Fronde, la famille de son oncle Gaston (duc d'Orléans lui aussi, comme ce titre fut attribué au frère cadet du roi) intrigua contre sa mère, la Régente Anne d'Autriche et son favori, le cardinal Mazarin.

Deux de ses enfants avec Montespan, le comte de Toulouse (1678-1737) et le duc du Maine (1670-1736) firent leur entrée au Parlement de Paris (la cour de justice suprême du royaume), derrière les princes du sang (les enfants de Louis XIV avec Marie-Thérèse d'Autriche, fille du roi d'Espagne Philippe IV), mais devant les Pairs de France et donc l'ancienne noblesse de sang. Ce dernier groupe vit le régime constitutionnel de l'Ancien Régime comme une continuité avec les institutions médiévales, et ne fut pas enchantée des incursions de Louis XIV sur des privilèges anciens.

A la fin de sa vie, les disparitions successives de son fils, Monseigneur (Louis, 1662-1711), du fils aîné de ce dernier, le duc de Bourgogne (1682-1712), ainsi que de son arrière-petit-fils, le duc de Bretagne (1707-1712), menacèrent la succession de Louis XIV. Après le décès du troisième petit-fils, Charles, duc de Berry (1686-1714), le roi fit proclamer un édit insérant le duc du Maine et le comte de Toulouse dans l'ordre de succession. Les conflits de successions pouvant ravager la stabilité interne ou menacer la France d'une invasion, le Roi ne voulut pas mettre en danger l'acquis de tout un règne (conquête de la Flandre française, cession de la Franche-Comté par l'Espagne, "réunion" de l'Alsace...). D'autant plus qu'il "perdit" son deuxième petit-fils, Philippe d'Anjou, qui devint roi d'Espagne sous la condition de renoncer au trône de France. Là encore, Louis XIV viola les lois fondamentales du royaume en obligeant le Parlement à enregistrer la décision royale: la loi fondamentale d'indisponibilité s'opposa à ce que le serment d'un petit-fils de France vint s'opposer aux liens de sang entre le monarque et ses descendants, considérés d'ordre divin et dont inaltérables.

Escapades privées, conséquences publiques ?
 (Henri IV; image: telegraph.co.uk)
La démarche de Louis XIV s'inspira sur celle d'Henri IV, son aïeul, qui envisagea d'installer son bâtard César de Vendôme au Parlement. L'assassinat du roi par Ravaillac en 1610 empêcha la réalisation de ce plan. Cependant, Louis XIV fut tenté d'accorder ce même privilège à Louis-Joseph de Vendôme, petit-fils de César et donc arrière-petit-fils d'Henri IV. Le 7 juin 1697, en récompense de ses actes de bravoure en Espagne (guerre de la Ligue d'Augsbourg), Vendôme fut admis au Parlement, derrière les princes du sang, mais devant la noblesse ancienne, qui protesta avec véhémence. Un mois plus tôt, le 8 mai 1697, Louis XIV ordonna l'entrée du duc du Maine et du comte de Toulouse au Parlement. Cependant, Vendôme n'obtint jamais la reconnaissance plénière et entière des droits de sa maison dans l'ordre de succession. En 1706, revenu victorieux d'une campagne en Italie contre Eugène de Savoie, il refusa la patente de maréchal-général des armées (donnant le droit de commander aux maréchaux de France) proposée par Louis XIV. Sur les déboires politiques du duc de Vendôme, qui troublèrent sa campagne de 1708 aux Pays-Bas méridionaux (la Belgique actuelle), je réfère à mon ouvrage sur le sujet.

(Louis-Joseph duc de Vendôme, arrière-petit-fils d'Henri IV, image: flickr.com)


La revanche des ordres traditionnels sur l'absolutisme royal
 (Philippe d'Orléans avec le jeune Louis XV; image: larousse.fr)

Dans son testament, Louis XIV prévit également la nomination du duc du Maine au Conseil de Régence. Ainsi, le fils naturel mais légitimé dut contrôler les actions du cousin Orléans (Philippe, fils de Monsieur, 1676-1723), qui obtint la régence par sa parenté légitime avec le feu Roi. En vain. Après le décès de son oncle, le Régent fit amender le testament par le Parlement pour éliminer son rival, en échange pour la restauration du droit du Parlement à faire des rémontrances contre la législation royale. La mort du Roi signifia donc la fin de ses libertés prises avec les lois fondamentales. Plus tard dans la Régence, Maine et Toulouse furent rayés de l'ordre de succession. A la mort du Régent, Louis XV (né en 1710), arrière-petit-fils de Louis XIV, majeur à 13 ans comme tous les Rois de France, n'eut plus besoin d'un régime d'exception (ce qui n'empêcha pas que le Roi déléguât le gouvernement au cardinal de Fleury, mais c'est une autre histoire).

Une seule continuité ?
 (notre souverain bien-aimé Albert II, par Kroll; image: ulg.ac.be)
Ainsi, l'absence de constitution écrite permit à un souverain d'Ancien Régime une tentative de changement des règles fondamentales censées limiter ses pouvoirs (et préserver les privilèges de la noblesse traditionnelle). Par la plume du duc de Saint-Simon, dont les mémoires nous régalent toujours, nous pouvons lire que l'on reprocha à Louis XIV de ne pas avoir fait la distinction essentielle entre la légitimation d'un bâtard d'une personne privée (qu'il appartenait en partie au Roi de dédider) ou celle d'un enfant naturel de son propre sang, une affaire d'état. La filiation du Roi n'est pas une affaire privée, mais intéresse la Nation toute entière. Et nous voilà revenu au cas de Delphine Boël: bâtard royal, affaire publique (constitution). Bâtard privé, affaire entre particuliers (tribunal, code civil).  

Si nous avons réussi à canoniser la chose publique sur l'autel de la souveraineté populaire, au lieu de celui du droit divin, l'objectif essentiel reste le même. Là ou les règles d'Ancien Régime voulurent éviter des prétentions émanant de la famille de telle ou telle maîtresse royale sur la chose publique, il en est de même pour le Roi des Belges. En annulant l'impact des escapades extra-conjugales, ou d'un marriage sans consentement du Parlement (soit, pire encore, avec un membre de la famille d'Orange-Nassau), nous mettons notre bien commun à l'abri de pulsions individuelles de la personne physique du monarque. Pour ainsi rendre possible l'exécution de sa tâche constitutionnelle de chef de l'État.

vrijdag, juni 14, 2013

Le congrès de Vienne (Thierry Lentz)


(afbeelding: amazon.fr)

Het zal de lezer van deze blog wellicht niet ontgaan zijn dat op 11 april 2013 driehonderd jaar Vrede van Utrecht gevierd werd. Het congres van Utrecht (1712-1713) stelde (samen met die van Rastatt en Baden) een einde aan de Spaanse Successieoorlog en meteen ook aan een halve eeuw "oorlogen van Lodewijk XIV". Het beste werk om hier meer over te weten blijft de magistrale thesis van Lucien Bély (verschenen in 1990 by Fayard onder de titel Espions et ambassadeurs au temps de Louis XIV).

Binnen amper twee jaar is het alweer zo ver, want een (nog) groter congres viert dan zijn tweede eeuwfeest: dat van Wenen (1814-1815), dat de Napoleontische oorlogen beëindigde. Thierry Lentz, directeur van de Fondation Napoléon, schreef in een vlot leesbaar boek (Paris: Perrin, 2013, 385 p.) het verhaal van het Congres. Er bestaan over deze periode tal van gespecialiseerde werken, waarvan dat van Paul W. Schroeder (The Transformation of European Politics 1763-1848) waarschijnlijk het bekendste is.

Het werk van Lentz is uitstekend als vlotte inleiding op de periode. Hij probeert om de sfeer van het congres (bals, diners, amoureuze verhoudingen, lange openingsuren Weense winkels, pp. 23-34, 49-58) opnieuw op te roepen (pp. 107-126), en gaat niet al te druk in op de details. Grote namen als Talleyrand (Frankrijk; zie eerder op deze blog), Metternich (Kanselier van Keizer Frans I van Oostenrijk), Nesselrode (minister voor Tsaar Alexander), Humboldt (broer van, Pruisen), Gentz (secretaris van het congres), Castlereagh... of de werken van Henry Kissinger (die doctoreerde over het Congres van Wenen) en Albert Sorel (stichter van de Revue d'Histoire Diplomatique) worden nog eens kort en to the point geduid (pp. 59-76).

De negentiende eeuw ligt al een eindje achter me (geleden van een transdisciplinair seminarie in Sciences Po over het interventierecht van de Griekse opstand tot de Balkanoorlogen). Na een intensieve achttiende-eeuwse periode met de redactie van mijn doctoraat was het nu het ideale moment om eens met een ander oog naar het klassieke historische verhaal te kijken.

Zo leerde ik bij dat de creatie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden eigenlijk gekoppeld was aan de cessie van Kaap de Goede Hoop en Ceylon (door de Britten bezet tijdens de Revolutie-oorlogen; een aspect dat ook behandeld wordt in het doctoraat van Raymond Kubben (Regeneration and Hegemony, uitgegeven bij Brill), dat ik recenseerde voor het Journal of the History of International Law). Met andere woorden: Castlereagh won twee keer door de hereniging van "onze gebieden", Luik en Luxemburg (in personele unie) met het Noorden:
  • Bufferstaat met een groter leger tegen Frankrijk (zie ook mijn bijdrage in Tijd voor Oudenaarde over de rol van Oudenaarde als vestingstad tot de afbraak van de Wellingtonbarrière in 1859, of nog de Napoleon-tentoonstelling in het MAS over de revival van de Antwerpse haven onder Frans bewind)
  • Versterking van het Britse handelsoverwicht ter zee => Groot-Brittannië wordt de dominante globale macht in 1815 (bij Utrecht was deze evolutie beginnend, hoofdzakelijk door de handelsovereenkomsten met Portugal en de massale smokkelhandel met de Spaanse kolonies; in 1763, bij de Vrede van Parijs, werden India en Noord-Amerika geconsolideerd)
Het begrip machtsevenwicht (pp. 35-48, zie ook terzake mijn artikel "The 1725 Ripperda Treaty" in het Yearbook of Young Legal Historians) moet dan ook met een flinke korrel zout worden gelezen: het functioneert als een magisch woord, waarin iedereen denkt zich te kunnen vinden, maar wordt natuurlijk vooral aangedreven door het betonneren van de eigen belangen als uitgangspunt. In 1815 zeer duidelijk door de Britten: de verdeling van de macht in Europa is het uitgangspunt dat de continentale machten verzoent, maar op de achtergrond speelt een freewheel-zone voor de dominante maritieme macht. De voorsprong die de Britten hebben op de anderen, wordt hen opgedrongen als de nieuwe norm (zie ook de afschaffing van de slavenhandel, die eigenlijk vooral voor Frankrijk en Spanje problemen stelde).

Een ander interessant weetje is dat Talleyrand het legitimiteitsprincipe (= restauratie van de Ancien Régime-vorsten na de verstoring van de Europese kaart door de Revolutie en Napoleon) op een voor Frankrijk dubbelzinnige wijze heeft moeten toepassen. "Le bouclier du droit et de la légitimité" (pp. 79-89) wordt de andere machten voorgehouden als een quasi-verheven standpunt, dat Frankrijk boven zijn gewicht van verslagen macht doet spelen.  Enerzijds wou Talleyrand absoluut de Bourbons op de troon houden in Parijs, anderzijds had de toepassing van het principe geostrategisch bijzonder nadelige neveneffecten. Pruisen had namelijk Saksen bezet tijdens de oorlog en claimde de opheffing en incorporatie, in een scenario à la polonaise (cf. Polen werd in 1815 nog eens verdeeld tussen Rusland, Oostenrijk en Pruisen). Het legitimiteitsprincipe lineair aanhouden voor iedereen, was natuurlijk onmogelijk, aangezien de feodale aanspraken van vele verjaagde kleinere heersers in Duitsland en Italië helemaal niet meer overeenstemden met de intussen gegroeide organische samenhang tussen gebieden, of met de desiderata van de grotere machten. Legitimiteit speelde dan ook vooral tussen de "Big Four" (Rusland-Oostenrijk-Pruisen-Engeland). Talleyrand kon het containerbegrip handig gebruiken om de verschillende partijen van elkaar los te wrikken en een manoeuvre op te zetten met de Engelsen, de Oostenrijkers dan wel de Pruisen. De Saksische crisis had overigens tot het einde van het congres, en tot oorlog kunnen leiden (pp. 127-140).

Een opslorping van Saksen door Pruisen had kunnen verhinderen dat Pruisen zich had uitgebreid aan de Rijn, wat voor Frankrijk onmiddellijk bedreigend was, zoals ook de Frans-Pruissische oorlog van 1870 en de nederlaag van Sedan duidelijk maakten. Talleyrand heeft evenwel een alternatief scenario geweigerd, waarbij de koning van Saksen werd getransporteerd naar de Rijn, om te heersen in het gebied rond Trier, vlak tegen Luxemburg. Aan het einde van het congres (na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo) werd overigens geopperd om Rijsel (veroverd door Lodewijk XIV in 1667) bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (= bij "ons") te voegen, en in de plaats Luxemburg bij Pruisen te voegen. Hoe anders had de geschiedenis kunnen lopen (er was van Luxemburgse banken in dit scenario waarschijnlijk geen sprake geweest)...

Talleyrand zelf was door Napoleon gebombardeerd tot prins van Benevento in Zuid-Italië. In Wenen gaf hij deze titel en territoriale aanspraak op... in ruil voor fikse betalingen door de Koning van Napels en de Heilige Stoel.  Verder in Italië (pp. 173-195) valt de continuïteit op met wat onder Elisabeth Farnese en Filips V in gang is gezet: de Spaanse ambassadeur (die een Bourbon-vorst vertegenwoordigt, toch niet vergeten) eist de terugkeer van Ferdinand van Bourbon naar Napels, maar wil ook Parma en Toscane, waar Elisabeth Farnese haar zonen don Felipe en don Carlos wou plaatsen in 1717. Omgekeerd installeert keizer Frans I van Oostenrijk (de laatste keizer van het Heilig Roomse Rijk, dat in 1806 ophoudt te bestaan), zijn neef in Toscane (dat in 1737, bij de dood van Gian Gastone de'Medici was overgegaan naar Frans Stefan van Lotharingen, Keizer van het Heilig Roomse Rijk, echtgenoot van Maria Theresia en dus stamvader van de Habsburg-Lotharingen-dynastie). Marie-Louise, de echtgenote van Napoleon, wordt in Parma gezet. Modena krijgt dan weer een Habsburg-Este. Het marchanderen met Italiaanse titels lijkt toch wel heel sterk op het Congres van Cambrai (1722-1725; dat in mijn uiteindelijke doctoraatstekst een goede 110 pagina's beslaat). Evenals de dominantie van de Oostenrijkers (die niet alleen Milaan, Toscane en Parma innemen, maar ook Venetië opslorpen; Genua gaat dan weer in de mand van Savoye-Sardinië... een huis dat pas aan de koninklijke waardigheid is geraakt bij de vredes van Utrecht en Rastatt, en die heeft gewisseld voor Sardinië in 1720).

Het boek van Lentz is zeer aangenaam voor de congresonderhandelingen zelf. Hij toont bijvoorbeeld uitgebreid aan hoe zwaar de knoop rond Saksen en Polen (pp. 141-158) gewogen heeft op de fundamentele verhoudingen tussen tsaar, koning van Pruisen en keizer van Oostenrijk. Voor de ontwarring van dit probleem kon het congres eigenlijk niet verder. Door vast te houden aan het legitimiteitsprincipe -en dus in het Oosten toe te geven- wist hij evenwel Frankrijk incrementeel in alle andere dossiers aan tafel te doen schuiven. De opname van een Franse afgevaardigde in de statistische commissie is daarvan een mooi voorbeeld. Om te vermijden dat een van de spelers benadeeld zou worden in het spel van onderlinge compensaties, had men dit gremium in het leven geroepen, belast met het tellen van zieltjes en inkomens in de verschillende feodale of Napoleontische gebieden.

Inleiding en besluit, daarentegen, vallen nogal tegen. Lentz ziet Wenen als een mijlpaal of toch zeker een keerpunt in het volkenrecht. Ik heb hier zeer sterk mijn twijfels bij. De gehanteerde modus operandi verschilt niet echt van bijvoorbeeld die in Utrecht of Cambrai. Er is inderdaad sprake van een beperkte mate van codificatie door het (beperkt) vastleggen van de préséance-regels: voorrangsregels verdwenen (behalve in het geval van de Heilige Stoel), en voortaan werd de alfabetische volgorde (in het Frans) gehanteerd voor het ondertekenen van verdragen. Dat is evenwel slechts een gedeeltelijke innovatie: om problemen te vermijden, liet men die meestal gewoon vallen bij het begin van een congres, om pas bij de ondertekening van de stukken terug te keren op de historisch gegroeide hiërarchie, zoals die te boek stond bij Abraham de Wicquefort of Jean Rousset de Missy. De stelling van Thierry Lentz (p. 257, ontleend aan een artikel van RIe (1950) uit de Transactions of the Grotius Society), als zou Wenen een echt "droit public de l'Europe" in het leven hebben geroepen, is dan ook betwistbaar. Tussen de vertegenwoordigers van soevereine vorsten lijkt het water met de Société des Princes uit de voorgaande eeuwen niet erg diep. De claims van kleinere vorsten (over het hertogdom Bouillon, of over Avignon en de Comtat Venaissin), bijvoorbeeld, lijken zeer sterk op de ophoping van privé-verzoeken in Utrecht (zoals het voorstel om Madame des Ursins soeverein te maken in de Zuidelijke Nederlanden, of "ergens in Italië").

De (principiële, "onverwijlde") afschaffing van de slavenhandel is zeker een innovatie, te meer daar de introductie van morele principes in verdragen niet meteen de standaard was in de achttiende eeuw. Het invoeren van internationale rivierencommissies (zoals bijvoorbeeld voor de Rijn), en het omkeren van de redenering dat een rivier een grens is, en dus moet leiden tot de exclusie van de buur, is daarentegen wél een grote innovatie. Te meer daar dit regel en uitzondering omkeert, en principieel uitgaat van een verplichting tot vriendschappelijke geschillenbeslechting. In de "trente heureuses" (case 1713-1740 in mijn doctoraat) gebeurt dit de facto wel onder Frans-Britse bemiddeling, maar is er nergens een expliciete verplichting, laat staan voor een specifiek soort contentieux.  

Het werk bevat een gedetailleerde chronologie (305-322) en uittreksels van de slotakte (328-351). De tekst is opgesteld voor een breed publiek, noten bevinden zich achteraan (263-304).

Update: zaterdag 15 juni zond TV5Monde de Secrets d'Histoire (Stéphane Bern) uit over... Talleyrand. Een uitstekende gelegenheid om de sfeer van de periode (kasteel van Valencay, gastronomie, particuliere woonst van de prins achter de Place de la Concorde in Parijs...) te evoceren. Het toeval wil dat de uitzendingen van Bern nagenoeg allemaal op youtube terug te vinden zijn (en in HD).

Histoire du régime parlementaire (La Fabrique de l'Histoire)

(bibliotheek van de Franse Senaat, september 2007, eigen foto)


Een van de onvolprezen geschiedenisuitzendingen op France Culture, "La Fabrique de l'Histoire" (dagelijks nieuwe aflevering), besteedde een paar weken terug aandacht aan de geschiedenis van het parlementaire stelsel. "Britse" oorsprong en interpretatie in Frankrijk in de achttiende eeuw, herbeleven van een groot debat (de decentralisatievoorstellen van Chaban-Delmas in 1972), het anti-parlementarisme, of nog een schitterend interview met "grand témoin" Gérard Larcher, onder Sarkozy voorzitter van de Senaat.

Larcher geeft het mooiste pleidooi dat ik tot nu toe gehoord heb voor een bicameraal systeem (cf. bij ons is dit eigenlijk afgeschaft in de Franse vorm door het Vlinderakkoord: Senaat voortaan enkel voor communautaire kwesties). De verkiezing van de Senaat ontsnapt aan de opslorping door de presidentsverkiezingen sinds de invoering van het quinquennat (2002), waardoor verkiezing van Assemblée Nationale en van de president ongeveer samenvallen. Volgens Larcher zijn de debatten er technisch beter, en leidt het toekennen van (rijkelijke) eigen budgetten tot ondersteuning van wat de Senatoren belangrijk vinden, vanuit hun eigen democratische (lokale) legitimiteit, of vanuit de bijzondere missies (zorg voor het patrimonium, internationale betrekkingen) die de vergadering zich toemeet.

Larcher spreekt met bijzonder tederheid over de lokale mandatarissen die via het Palais du Luxembourg het centrale beleid proberen te inspireren (zo leidde hij zelf onder Sarkozy een missie voor de hervorming van de ziekenhuizen). Ook voor het netelige probleem van de "cumul des mandats" (zeer moeilijk te verdedigen tegenover buitenstaanders) heeft gladde Gérard, burgemeester van Rambouillet ("27.000 habitants, ce n'est pas un village...") een verteerbaar antwoord.

Larcher merkt terecht op dat links, na de machtswissel in 2011-2012, niet meer spreekt over de afschaffing van de Hoge Vergadering. Traditioneel is de Senaat zo samengesteld, dat pas bij een grote verschuiving in kleinere gemeentes (lees: landelijk, traditioneel) rechts de meerderheid kan verliezen. Larcher brengt hier een sterk on-Frans, maar geldig, argument tegen in: het Franse politieke landschap is zo versnipperd (cf. traditioneel zijn er twee of drie rechtse partijen, de UMP is eigenlijk maar een uitzondering), dat geen enkele partij zonder concessies ontwerpen of voorstellen door de Senaat kan krijgen. Larcher heeft persoonlijk een heel ambiguë politieke positie: duidelijk binnen de UMP, maar voortdurend zich beroepend op affiniteiten met het centrum en een "gaullisme social". De Senatoren overtuigen vergt met andere woorden hoe dan ook meer debat dan in de Assemblée. Wat ertoe leidt dat ze zich minder "partisan" (enggeestig-partijpolitiek) opstellen, en gewoon zijn naar compromissen te zoeken. Een ode aan de bezadigdheid van verlichte geesten...  Dat de Assemblée het uiteindelijk haalt in de vierde lezing, is geen nederlaag voor de Senaat. Wel in tegendeel, aangezien de tekst er twee keer zal zijn besproken en dus de uitvoerende macht verplicht zal zijn geweest haar standpunt beter te onderbouwen.

maandag, juni 10, 2013

Rechtshistorische Courant, juni 2013

(afbeelding: rechtsgeschiedenis.be)

Nu het doctoraatsstof wat is nedergedwarreld en mijn verhandeling op het decanaat berust in afwachting van een deskundig juryoordeel dat al dan niet tot een verdediging lijdt, signaleer ik graag nog eens de Rechtshistorische Courant, wiens edities onverdroten zijn blijven verschijnen tijdens het schrijfproces. De brief voor de maand juni vindt u hier.

dinsdag, juni 04, 2013

Rezension "Op Zoek naar Glorie in Vlaanderen" in Historische Zeitschrift CCXCVI (2013), No. 3, 799-801

 (Dubislav Georg von Natzmer, Preussischer Heeresleiter im Spanischen Erfbolgekrieg, Wikimedia Commons)

Gestern bekam ich die Nachricht durch meinem Verlag, dass mein Buch Op Zoek naar Glorie in Vlaanderen. De Zonnekoning en de Spaanse Successie (1707-1708) (UGA, 2011, 518 p.) rezensiert wurde in der Historische Zeitschrift. Auf den Seiten 799-801 des  drittes Heftes vom 296sten Band kommentierte drs. Hans Beelen (Oldenburg) sehr eingehend meine Arbeit. Der Autor des Buches ist sehr verehrt. Online text verfübar hier.