woensdag, november 04, 2009

Random London



(National Army Museum)




(Gunnersbury)




(Waterstone's Piccadilly)


(Royal Academy of Arts)


(The European Council, an impression)


(Anish Kapoor, wash shooting gun)










(Shaftesbury Avenue)




(Good service... in your dreams)


(Selfridges)


(St-Pancras)








Leven, dood en verrijzenis van John Maynard Keynes (Peter Clarke)



Gisteren was ik op de "book launch" in het LSE van Peter Clarke, emeritus professor Nieuwste Geschiedenis in Cambridge, over de "meest invloedrijke econoom van de twintigste eeuw: John Maynard Keynes". Zoals de titel van zijn bijhorende lezing ("The Rollercoaster Reputation of JM Keynes") het aangeeft, wouClarke vooral terug naar de "historische" Keynes: een man die handelde binnen een specifieke context en door specifieke ervaringen tot bepaalde inzichten is gekomen.

Op zoek naar de historische Keynes
Het heeft immers geen zin te zeggen dat "Keynes" vandaag terug is. We weten niet wat hij vandaag zou gezegd hebben: ofwel was hij meer dan honderd jaar oud, ofwel was hij geboren na de tweede wereldoorlog, wat al een wereld van verschil zou gemaakt hebben. Keynes' ideëen zijn bovendien ook duchtig veranderd gedurende het interbellum, de tweede wereldoorlog en (het korte stukje) daarna.

Zo vindt Clarke dat er te weinig wordt gekeken naar de invloed van Roosevelt's New Deal op Keynes, in plaats van omgekeerd. Hij vindt dat de originaliteit van Keynes' analyse erin bestaat om de psychologie in het economisch handelen in rekening te brengen. Individueel rationele strategieën kunnen collectief zelfvernietigend uitdraaien. Er bestaan risico's waartegen je je niet kan indekken door ze te kwantificeren. FDR keerde een stuk van de economische situatie van de Depressie om door opnieuw vertrouwen te creëren: "We have nothing to fear but fear". Precies dat begrip is de kern van de financiële crisis vandaag. Als de geaggregeerde vraag wegvalt, doordat niemand nog wil investeren, is het aan de overheid om dat te doen.

Doctrine en praktijk
Uitspraken als Nixons "we zijn allemaal Keynesianen" hebben weinig van doen met de Keynesiaanse "doctrine", als die al bestaan heeft. Keynes vond zelf bij een bezoek aan Washington na WOII dat hij aan een tafel met economen de enige "niet-Keynesiaan" was... Het is uiteraard onvermijdelijk dat briljante ideeën, wanneer ze in contact komen met de realiteit van het politieke handelen, worden gevulgariseerd. Anders zouden technocraten de wereld kunnen regeren. In die zin moet je ofwel het fenomeen van Keynesiaans "politiek" handelen ontkennen, ofwel het bestaan ervan aannemen, maar het niet vereenzelvigen met de stichter van een denkrichting. Het probleem van de jaren '70 en '80 (hoge inflatie en werkloosheid), dat de Keynesiaanse recepten niet konden oplossen, was weldegelijk reêel. De vraag is alleen of die Keynesiaanse politiek wel heeft gevolgd wat Keynes heeft geschreven. Je kan dus moeilijk zeggen dat zijn ideeën fout of juist zijn, op basis van het gevoerde beleid. Zo is Keynes tégen een begrotingsdeficit in economisch goede tijden, hoewel dat een van de meest gebruikte kritieken op hem is.

Cyclische reputatie
Wanneer het gaat over de reputatie van Keynes, eerder dan om wat hij geschreven en gezegd heeft, zijn er drie fases: "the making" (van de jaren '30 tot de jaren '60), "the unmaking" (met de aanvallen van twee alternatieve paradigmata: Schumpeter en Hayek, jaren '80-'90) en nu "the remaking" (met een politiek van massale fiscale stimuli, zoals in Frankrijk/Duitsland/de VS, om uit de financiële crisis te geraken).

1/ Keynes raakt bekend door zijn pamflet "The economic consequences of the Peace" (1920), waarin hij de herstelbetalingen van het verdrag van Versailles aanvalt. Hij is dan nog geen veertig, maar wordt al gelezen in de VS (onder andere door de New York Times, die hem een slechte recensie op een volledige bladzijde wijdt, altijd mooi meegenomen als je wil verkopen). Keynes beschikt dus op dat moment al over een platform waarop hij later zijn "echte" economische ideeën kan verspreiden.

Wanneer Winston Churchill beslist om terug te keren naar de goudstandaard (= de koers van het pond sterling vasthaken aan de goudprijs, wat tijdens de oorlog tijdelijk was opgeheven), gekoppeld aan een vrijhandelsbeleid dat de lonen moet drukken, chargeert Keynes op "The economic consequences of Mister Churchill" (1925). Grote overheidsinvesteringen zijn nodig om de werkloosheid aan te pakken op korte en middellange termijn. Keynes vindt aansluiting bij de liberale partij en krijgt in de jaren '30 een bevoorrechte functie als adviseur van de minister van Financiën. In 1944 kan hij tijdens de coalitieregering die Churchill leidt de pen vasthouden voor de economische ontwikkelingsplannen van de jaren '50 en '60, die inzetten op volledige tewerkstelling. Om dat je zo op de geaggregeerde vraag inspeelt: wie werk heeft, kan consumeren. En dat verdient zichzelf terug op de lange termijn, omdat er groei wordt gecreëerd.

2/ Al in 1974 neemt de Labour-minister van financiën officieel afstand van de Keynesiaanse recepten (Keynes zelf is al dood in 1946). In 1979 verklaart Thatcher Keynes "dood". Twee jaar later verklaart Reagan dat de overheid niet de oplossing is, maar het probleem. Ook eerder centrum-linkse reg bewindslieden als Clinton en Blair volgen de recepten van de monetaristen van Friedman, die de "publieke opinie" in economische zaken beheersen."Niemand neemt Keynes nog serieus", aldus Robert Lucas van de Chicago School in de jaren '80.

3/ En dan komt de grote meltdown van 2008-2009. De markt faalt. En kan zichzelf niet corrigeren, bij gebrek aan vertrouwen. Een "self-inflicted crisis of confidence" is onoplosbaar zonder overheidsinterventie. Of, op zijn Keynesiaans: je kan de werkelijkheid niet wegtheoretiseren. Het is een illusie dat je alle risico's kan incalculeren. De markt is theoretisch pafect, maar de realiteit is dat niet, ze is zelfs radicaal onzeker. "We simply do not know..." (doet wat denken aan de opmerkingen van John Crombez over Paul Dhoores "179 procent" beurswinst). De programmeurs in Wall Street en de City zijn de duidelijkste voorbeelden van Keynes' waarschuwing. Ze voelden zich onaantastbaar in hun vermogensbeheer, "because they did not know what they did not know".

De essentie: economie is geen exacte wetenschap
Dezelfde Lucas die in de jaren '80 verklaarde dat Keynes niet meer serieus werd genomen, verklaarde onlangs dat "we're all Keynesians in the foxhole". Ook Ben Bernanke, die als een monetarist te klasseren valt, heeft zich in de praktijk niet kunnen beperken tot louter monetaire interventies, die enkel de rentevoet en de geldaanvoer betreffen. Of, hoe een kritische analyse van de markt valabel blijft. Economie is in de eerste plaats een menswetenschap. En geen exacte wetenschap. Wie het tegendeel beweert, doet dat uit ideologische redenen. Daar is niets mis mee, maar dan moet je dat wel durven zeggen. Anders is er geen debat meer mogelijk. En doe je ook niet aan wetenschap.



Clarke's boekvoorstelling deed me sterk denken aan Jacques Généreux' "Les vraies lois de l'économie", waarin hij van leer trekt tegen de impliciete economische consensus in mediatieke en politieke kringen. Hij vindt bijvoorbeeld dat de "homo economicus"-hypothese en vele andere klassieke premissen op complete nonsens berusten. Er is voor Frankrijk natuurlijk de erfenis van het mislukte Mitterrand-avontuur in de jaren '80, dat radicaal ander economisch beleid nu nog discrediteert, maar intellectueel kan je moeilijk anders dan hem gelijk geven: kunstmatige schema's, die uitgaan van onbewezen axioma's, kunnen geen reële problemen oplossen en draaien op lange termijn altijd verkeerd uit.

Het wegcijferen van de overheid in de economie heeft enkel destructieve gevolgen voor de gemeenschap. De markt is een middel om schaarse hulpbronnen te alloceren mensen die een bepaalde behoefte hebben. En geen doel op zich. Hoe je die behoeften voldoet, moet het voorwerp kunnen uitmaken van een maatschappelijk debat. En niet worden opgesloten in de ivoren toren van zij die zichzelf wetenschappers noemen, maar geen fundamentele kritiek op hun werk dulden (kijk ook naar het interview van Paul De Grauwe in De Standaard van zaterdag: economisten dachten volgens hem de afgelopen decennia in "there is no alternative"-termen, wat een fundamenteel onwetenschappelijke houding is). Daarom ook zijn economische debatten niet alleen relevant voor de ingewijden, omdat economisch beleid iedereen raakt.

dinsdag, november 03, 2009

Van Rompuy president ?



Vrij naar Hyacinthe Rigaud, portret van Kardinaal André-Hercule de Fleury (1653-1743). Raakte op latere leeftijd als voormalig praeceptor van de kleine Louis XV "par la seule bonté du roi" aan  een kardinaalshoed en aan de post van eerste minister in Frankrijk (1726). Iedereen dacht dat zijn carrière toch al voorbij was. Heeft de scepter desondanks nog 17 jaar vastgehouden, tot zijn negentigste...  Door zijn vijanden een na een op hoofse wijze te elimineren. Geprezen door zijn tijdgenoten omwille van zijn raffinement en diplomatieke gaven. Was naar verluidt voortreffelijk op het besluiteloze Congres van Soissons. Bewaker van de Europese consensus. Het zegt veel over Europa dat men eventueel bij onze premier zou kunnen landen, maar de stijl-Fleury is misschien inderdaad ook de zijne :-).

donderdag, oktober 29, 2009

La peur, la grippe A et l'histoire

L'émission de "Concordance des temps" (France Culture) de samedi passé mérite d'être réécoutée. Invité: Jean Delumeau, professeur honoraire au Collège de France. Une autorité pour l'histoire des mentalités d'Ancien Régime. Au menu: son ouvrage sur la peur en Occident entre les XIV et XVIIIe siècles. Peste (Guerre de Cent Ans, 1348, Londres 1665, Marseille 1720), guerre (peur du Turc en Allemagne/Autriche/Hongrie, XVIe-XVIIe), psychologie individuelle et collective, la peur comme arme du pouvoir... autant de liens avec les "peurs" contemporaines et l'utilisation que peuvent en tirer des gouvernants mal intentionnés.

woensdag, oktober 28, 2009

Wilfried Martens



Gisteren kwam Wilfried Martens, negenvoudig ex-premier van België, maar ook lang voorzitter van de EVP, een aan een internationaal publiek aangepaste versie van zijn mémoires "Luctor et emergo" voorstellen in LSE. Ik heb de Nederlandstalige (dikkere) versie en de theatermonoloog in het NTGent in 2006 erg geapprecieerd en ben dus een kijkje gaan nemen.

"Doctor Martens"
Je vraagt je als Belg natuurlijk af hoe de perceptie van Martens is in het buitenland. De inleiding voorspelde niet veel goeds: de prof Europees Recht die Martens moest introduceren, presteerde het te zeggen dat hij ook een "distinguished academic career" heeft gehad. Quod non. In zijn tijd was iedereen gewoon doctor in de rechten (zelfs Coveliers is dat, bijvoorbeeld). Daar hoefde je dus al geen doctoraat voor te schrijven. En het toont aan dat de prof in kwestie de mémoires zelfs al niet gelezen had.

Martens' toespraak was er een uit de oude doos. Duidelijk, voldoende luid voor een eventueel hardhorig publiek en met referentie aan de sporen van de oorlog en de christen-democratische auteurs die invloed op hem hebben gehad. Uiteraard een pleidooi voor Europese samenwerking, aangepast met een sausje subsidiaireit (met obligaat citaat van de Gasperi), ten behoeve van het Britse publiek. Ik denk niet dat Yves Leterme hetzelfde zou kunnen doen, maar briljant was het nu ook weer niet te noemen.

Le secret du prince
Tijdens de vragen excelleerde Martens vooral in het ontwijken van duidelijke antwoorden. De vraagstellers hadden het over de nakende aanduiding van een president voor de Europese Raad en een Hoge Vertegenwoordiger voor het buitenlands beleid. Het was misschien interessanter geweest om Martens te horen over eerdere periodes uit zijn drukke politieke loopbaan. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat hij nog steeds plezier haalt uit "le secret du prince". Hij is nog steeds (al is het niet duidelijk in welke mate hij echt invloed kan hebben) actief op het Europese niveau, met als gevolg dat hij er genoegen in schept om niet in zijn kaarten te laten kijken.

De bedoeling van de mémoires is ongetwijfeld nobel: inzicht geven in zijn politiek handelen, waarvan hij (al dan niet a posteriori geprojecteerd) vindt dat het een ideologische coherentie vertoont. En daardoor mensen aansporen om zich zelf verdienstelijk te maken voor de publieke zaak: politici zijn -in zijn woorden- als "civil servants" en dienen steeds verantwoording af te leggen voor hun daden.

Het is natuurlijk maar de vraag of je in het België van de jaren '80 dit soort opinies over Martens zelf zou gehoord hebben. Ik denk -met mijn beperkte kennis over de periode- dat dat toch niet echt het geval zou geweest zijn. Kan je van de eerste minister die eerst met socialisten, dan met liberalen, en uiteindelijk weer met socialisten regeert, eigenlijk wel zeggen dat hij een duidelijk afgelijnde ideologische overtuiging heeft ? Het personalisme dat hij gisteren probeerde te verkopen, is vaag. Christelijk, maar openstaand naar andersgelovigen en zelfs -horresco referens- niet-gelovigen. Ontplooiing van de menselijke vrijheid in verantwoordelijkheid...

Het lijkt me correcter te stellen dat Martens in een soort "verantwoordelijkheidsethos" gehandeld heeft als eerste minister. Hij moest aan de macht blijven om aan de macht te blijven, omdat hij dat als zijn plicht zag. "CVP, op ons kunt ge rekenen", "CVP, de goede weg"... met Martens als boegbeeld duikelde de CVP structureel onder de 40, en in 1991 onder de 30 procent van de stemmen in Vlaanderen. Tegelijk heeft hij wel mee de staatshervormingen gemaakt die het land politiek leefbaar hebben gehouden. Zeker verdienstelijk, maar ik zie daar niet echt een ideologische overtuiging in tot uiting komen.

Martens kreeg overigens een vraag over de opkomst van extreem-rechts in Europa en de reactie van de EVP daarop. Er kwam -alweer- niet echt een duidelijk antwoord. Wist de vraagsteller iets over Zwarte Zondag in 1991 ?

Het is wel positief dat hij de globalisering aanhaalt als argument voor een echt politiek Europa. Maar concrete voorstellen over wat Europa in de nieuwe multipolaire wereld moet uitrichten, heeft hij niet. Hoe kan het ook anders, als je ziet wie er lid is van de EVP... Martens insinueert af en toe dat de huidige nationale leiders in Europa niet zijn opgewassen tegen de uitdagingen die zich aandienen, aangezien ze niet dezelfde morele dwang of drijfveer hebben als de voorgaande generaties, die de oorlog nog hebben meegemaakt. Dat kan correct zijn, maar Martens is nooit erg duidelijk over wat hij precies bedoelt met "het bouwen van Europa". Je hebt de indruk dat hij vooral wil beklemtonen dat hij er óók bij was, op de Europese Raden van het Kohl-Mitterrandtijdperk.

Martens als olie in een zanderige machine
Mangelt er bovendien niet iets aan de ideologische analyse ? Martens wil het laten voorkomen alsof "conservatieven" (wat dat ook in concreto mag betekenen) en christen-democraten veel waarden gemeen hebben. Hij stelt de stichtende vaders van de EEG voor alsof ze tot die eerste beweging behoren. Maar alvast voor Frankrijk is dat toch al moeilijk te rechtvaardigen. Het is makkelijk om over Robert Schumann te praten, zonder Guy Mollet (SFIO) te vermelden. Staat de UMP vandaag voor de (veel kleinere) christen-democraten van Schumann van voorheen ? Akkoord dat het niet meer om een puur gaullistische partij gaat, maar ik zie toch niet veel overeenkomsten met bijvoorbeeld CD&V. De DC in Italië is volledig weg na de corruptieschandalen van begin jaren '90. Kan "vriend Berlusconi" tot een "conservatief blok" worden gerekend ? Deelt hij de waarden van Martens' gevierde Paul Ricoeur ? In Duitsland, België, Oostenrijk en Nederland kan je zeker stellen dat de christen-democratie nog in vorm zit. Maar kan je uit dat bonte allegaartje de wil tot integratie afleiden die Martens zelf preekt ?

De realiteit is misschien, dat Martens maar al te goed beseft dat zijn eigen land zonder Europese integratie veel slechter zou zijn afgeweest. Als het gaat om de kansen die de na-oorlogse generaties (en de daarop volgende) hebben gekregen, tegen of boven het verwachtingspatroon van hun ouders in, is dat daaraan te danken. Maar dat betekent nog niet dat dit perspectief hetzelfde hoeft te zijn in andere Europese staten, die veel sterkere nationale tradities hebben. Voor een Belg heeft Europa de wereld groter gemaakt. Maar niet noodzakelijk voor een Fransman of een Brit, waar de perspectieven altijd al veel ruimer zijn geweest... Het is voor een Belgisch politicus veel gemakkelijker om pro-integratie te zijn, dan voor de anderen. Tegelijkertijd heb je de indruk dat die Belgische politici ook niet veel kaas gegeten hebben van de strategie die de EU moet hanteren naar de buitenwereld. En dat, als het er echt toe doet, de beslissingen niet door hen worden genomen. Is het ene niet met het andere verbonden ?

Martens verdedigt in dat opzicht nogal gemakkelijk het verdrag van Lissabon. Jean-Louis Bourlanges, ex-MEP voor de UDF en prof in Sciences Po, heeft in maart op het transdisciplinair seminarie internationale betrekkingen van de École doctorale, de tekst compleet afgebroken. "Een complot van Aznar, Blair en Chirac om de Commissie volledig lam te leggen". Vermenigvuldiging van de functies, atomisatie van de verantwoordelijkheden. Martens wil een sterke commissie, maar heeft wel vrolijk Barroso gesteund in een tweede ambtstermijn. Opnieuw zegeviert bij hem het machtsdenken: de amoebe federatie van centrum- en rechtse partijen die hij in het leven heeft geroepen, moet haar enige voordeel (omvang) kunnen verzilveren in de belangrijkste post van de EU. Maar helpt dat de burger vooruit ?

dinsdag, oktober 27, 2009

De blauwe strijd

Korte opmerking bij de strijd om het blauwe partijvoorzitterschap: de spreiding van de kandidaten.

Rutten (Vl.Br) - Van Mechelen/Sterckx (A'pen)
Rutten neemt de meest gebuisde blauwe provincie mee (12% in juni... ze komen van 22% in 1999; terwijl LDD zwak gescoord heeft). Ze behoort zelf tot de stal van De Gucht, maar die is niet overdreven geliefd in eigen rangen. Van Mechelen en Sterckx zijn beiden ook wel op hun retour.

Lijkt wel intelligent en capabel. De boodschap over "de kracht van realisme" en de kritiek op de verkiezingscampagne lijkt wel ok.

De Croo (O.Vl) - Ceysens (Vl. Br) - Van Quickenborne (W. Vl)
De Croo jr. neemt zeker een belangrijk stuk van Oost-Vlaanderen mee (VLD op 18% voor het Vlaams Parlement, maar ook bijna 8% LDD-concurrentie). Vlaams-Brabant is traditioneel de andere sterke provincie. In West-Vlaanderen (ongeveer gelijkaardige evolutie als in Antwerpen op 10 jaar) is er de concurrentie van Dedecker, die er groter geworden is dan zijn moederpartij.

De Croo jr. zelf maakt een betere indruk dan de andere blauwe "zonen van". Heeft ook de tijd gekregen om eerst iets anders te doen, buiten de politiek om. Misschien een argument dat wel kan werken in een liberale partij.

Zou je kunnen zeggen (als je de twee naast elkaar legt) dat De Croo mikt op de rechterflank en dus een recuperatie van de verloren LDD-schapen, en Rutten op een eerder centrumkoers ?

Het grootste probleem voor de VLD-voorzitter wordt hoe dan ook de federale regeringsdeelname. De VLD wou niet in de regering met sp.a, maar zit nu met de PS, omwille van de staatshervorming. In de begroting voor 2010 staat nu bijvoorbeeld opslag voor de verpleegsters die nachtwerk verrichten (in volle crisis). Ongetwijfeld een lovenswaardige maatregel van Laurette Onkelinx (gesteund op een efficiënte PS-cdH-ACV-coalitie?). Maar als ik een blauwe zelfstandige zou zijn (quod non), ik stemde meteen voor LDD... Guy Vanhengel geeft in zijn optredens bovendien de indruk dat hij er niets van kent. Eerst zeggen dat we failliet zijn, en dan met de glimlach een gigantisch gat komen voorstellen, dat is slechte komedie. (Vande Lanotte sloeg vroeger ook wel ergens voor de vakantie alarm, maar dat was dan wel om een begroting in evenwicht voor te leggen.)

Nu goed, de VLD heeft onder Verhofstadt ook geregeerd met de PS. Het verschil is nu wel dat er geen gezamenlijk project is. Wie in de federale regering zit, doet dat deels uit "raison d'état". There is no alternative. Er moet een akkoord komen over BHV en de staatshervorming. Het kernkabinet bestaat dan nog uit politici die er zelf wonen (Vanackere, Milquet, Van Rompuy, Onkelinx, Vanhengel... wie had dat kunnen voorspellen in 2007 ?). Allemaal gematigde mensen, maar met matiging zal de VLD niets kopen. De VLD maakt deel uit van een regering die niets doet.

Hoe geloofwaardig is bijvoorbeeld Van Quickenborne, die als minister van Economie moet waken over de eerlijke concurrentie (liberaal dogma bij uitstek) ? Prijzen voor internet en elektriciteit zijn hoger bij ons dan in het buitenland, door toedoen van monopolisten, wiens macht niet gebroken wordt. De mensen pikken de wollige praatjes van de liberalen niet meer. Hij kan er iets aan doen, maar hij vertikt het.


Probleem: de communautaire problemen zijn van die aard, dat de legislatuur voorbij zal zijn voor de liberalen het goed en wel beseffen. Wat gaan ze de kiezer kunnen voorschotelen in juni 2011 ? Ze kunnen in het beste geval hopen dat LDD uit elkaar valt. Het is dan natuurlijk nog maar de vraag of er meer dan een paar opportunistische kandidaten zal te recupereren vallen, die kiezers kunnen zo weer in alle richtingen uiteen stuiven.

Stats (Google Analytics)

Cijfertjes over de blog: tussen 25 oktober 2008 en 25 oktober 2009: 10.000 unieke bezoekers. Rekening houdende met het feit dat er tussen 3 februari en 8 maart 2009 geen data gemeten is (het telscript was veranderd en ik had dat niet door), is dat ongeveer 30 per dag (10.043/332, cf. aantal misgelopen dagen in februari + 1 week maart). Gemiddeld spendeert men hier 45 seconden en bekijkt men 1,45 pagina's.

Nu, er is ook een weigeringspercentage van 70%. Dat betekent dat 30% van de bezoekers (3000 per jaar, of 10 per dag) verder gaan dan de frontpagina.

81% zijn nieuwe bezoekers. Dat wil zeggen dat er ongeveer 6 dagelijkse vaste lezers zijn (1900/332 = 8,7). (er kunnen dus meer vaste lezers zijn, maar hun concentratie per dag ligt gemiddeld op zes)

Belgische lezers (8.133) zijn de grootste groep, gevolgd door Nederlanders (2.200) en Fransen (925). Fransen blijven het langste plakken (1:19, het gaat natuurlijk wel om gemiddelden, cf. 77% van de Franse bezoekers surft weg na de eerste pagina, dus is het logisch dat dit vrij laag ligt). Belgen blijven 45 seconden, met een weigeringspercentage van 71%. Nederlanders 35 seconden, met 65% weigering.

In Brazilië staat de teller op 62,5% (voor 8 bezoekers, gemiddeld 1:19 minuten, d.w.z. er is iemand twee keer vijf minuten deze blog komen lezen). Ook in Australië 8 bezoeken (weigeringspercentage maar 37%, gemiddeld 1:44 op site = 5 keer iemand 2:45 minuten).

Nieuwste bezoekers zijn er het minste in Frankrijk (69%, mm... misschien ben ik dat zelf wel), België (77%) en Duitsland (78%). De gewoontelezer van deze blog resideert dus hoogst waarschijnlijk in 1 van deze 3 gebieden :-).

Maandag 8 juni 2009 was een absolute topdag met 146 bezoekers. De verkiezingsperiode (of toch de week voorafgaand aan 7 juni) was hier vrij druk: 1140 man op de twee weken tussen 30 mei en 13 juni. Goed voor 1737 paginaweergaves (wat dus hoger ligt dan het gemiddele).

Het meest geconsulteerde artikel is "la Belgique pour les nuls" (781 paginaweergaves; gemiddeld spendeert men er 1 minuut en 3 seconden, 70% weigeringspercentage = ongeveer 3,5 minuut voor de 234 die het stuk lezen), voor een pagina over augustus 2006. Dan volgt dat over de destijds "nieuwe" regering-Van Rompuy. Misschien is het daar meer de afbeelding die de aandacht trekt, dan wat anders.

maandag, oktober 26, 2009

Muziek



Nieuwe aanwinst: Ode for the Birthday of Queen Anne (Georg Friedrich Händel). Uitgevoerd door de Akademie für Alte Musik Berlin. Met onder andere Andreas Scholl en Hélène Guilmette. Coup de coeur van France Musique. £9,99, of 33% goedkoper dan op het continent.

Gecomponeerd voor de verjaardag van Queen Anne in februari 1713. Het Verdrag van Utrecht zal in april van hetzelfde jaar worden ondertekend, maar het pre-akkoord tussen Engeland en Frankrijk is al sinds eind 1711 een feit. Händel bezingt hier de koningin als vredesstichter. We weten nu dat Anne niet zoveel invloed heeft gehad op de beslissingen die haar ministers namen, maar wel op hun selectie.

Geholpen door een verkiezingsoverwinning van de Tories bracht ze in 1710 Robert Harley en Henry St-John aan de macht en dumpt ze de belligerente Whigs. De succesvolle Marlborough wordt teruggeroepen uit Vlaanderen. Engeland laat bondgenoot Oostenrijk in de steek, wanneer keizer Jozef I aan de pokken bezwijkt. Het heeft niet veel zin om Karel van Habsburg de nieuwe "Keizer Karel" te laten worden. Een paar jaar later is de kaart van Europa volledig hertekend. Frankrijk, de grote vijand in 1701, bij het begin van de oorlog, en Oostenrijk, de initiële bondgenoot, houden elkaar in evenwicht op het continent. Buffers tussen de Republiek en Frankrijk (de Oostenrijkse Nederlanden) en tussen Frankrijk en Habsburg (Savoye-Piemonte in Noord-Italië, Beieren in Zuid-Duitsland) moeten directe confrontaties vermijden.

Anne valt dood in augustus 1714 en wordt dan opgevolgd door Georg Ludwig van Brunswijk-Lüneburg, keurvorst van Hannover. De koning spreekt... Duits en Frans. De Stuarts (een Schotse dynastie) worden zo dus afgelost door een continentale dynastie. Voor hem en zijn hofhouding schrijft Händel zijn watermuziek. Zijn Engels is vrij gebrekkig. Maar hij is protestant en dus aanvaardbaar voor de Britse notabelen, die het parlement controleren.

Hoewel George zich verraden voelt door zijn voorgangster Anne (die hem samen met de Oostenrijkers heeft laten zitten), volgt hij dezelfde lijn. Engeland bewaart de vrede met Frankrijk tot in 1740. Samen werken de rivalen in iets wat historici kwalificeren als een entente, dan wel een alliantie, aan het stabiele Europese systeem. In de middeleeuwen is de link tussen Normandië, Guyenne en Engeland een "bone of contention" met Frankrijk. Onder George leidt het bezit van Hannover tot een paar fricties, maar dan eerder met Wenen, Stockholm, Sint-Petersburg en Berlijn.

Op die manier verenigt George twee tot dan toe vrij gescheiden politieke sferen: zijn diplomaten ijveren voor een globaal "vredesplan". De wederzijdse afkeer tussen Filips V van Spanje en Karel VI van Oostenrijk, ex-rivalen voor de Spaanse troon, kan het Frans-Engelse koppel niet destabiliseren.

Tegelijk echter wil George een graantje meepikken van het afgekalfde Zweden: Bremen en Verden komen bij Hannover en zorgen zo voor een belangrijke economische en strategische uitweg naar zee. Een keer de Zweden voldoende verzwakt zijn, sluit hij een deal met hen, tegen de Russische tsaar. Aan het einde van de rit heeft George wat hij wil en liggen de machtsverhoudingen, zowel voor het "Southern" als het "Northern" department voor een tijdje vast.

Om maar te zeggen hoe de laatste track van Anne's verjaardagsode, "United Nations Shall Combine", toch niet helemaal tot het rijk van het hofgestroop behoort.

Wat doet een mens zoal in Londen ?

Misschien vraagt u zich af of ik elke dag van mijn Londense onderzoeksverblijf doorbreng in de National Archives in Kew. Dat is grosso modo natuurlijk het geval: de State Papers vormen een zeer rijk en interessant fonds. Het fotograferen van relevante documenten uit de diplomatieke correspondentie tussen 1713 en 1739 alleen al zal me nog wel een tweetal weken bezighouden. Vooralsnog ben ik van 78-154 tot 78-197 gegaan. Wat dat betekent, kan u zelf uitvlooien op de internet-cataloog.





Daarnaast (om mijn ogen ook wat rust te gunnen; als je op een dag 8 "dozen" van 500 folio's hebt doorgenomen, kan je op het einde je ogen niet meer links, rechts, of naar omhoog draaien zonder een lichte pijnscheut te voelen) ga ik ook af en toe luisteren naar uiteenzettingen in Londen-centrum. Zo zijn er de conferenties van LSE, gratis en toegankelijk voor het ruimere publiek. Ik bezocht onder andere de lezing van ene Dr. Deng over "The Power of Comparison in History" (een mager beestje, aangezien hij maar 5 van de 45 minuten besteed heeft aan het eigenlijke, methodologisch en sociaal-wetenschappelijk relevante deel van zijn uiteenzetting en de rest aan algemeenheden over China en Japan) en de voorstelling van het laatste volume van het "UN Intellectual History Project" (zeer interessante talk met twee veteranen van de ILO, IADB etc.).

Via de Belgische afdeling van de International Law Association kreeg ik ook de lijst van (eveneens gratis en voor het publiek toegankelijke) seminaries van de Britse afdeling, die doorgaan in UCL, tegen de British Library (wat het meteen mogelijk maakt om na afloop, hetzij over de middag, even te gaan luisteren). Van de drie lezingen die ik heb bijgewoond, was de tweede (dr. F. Ortini van King's over legitimiteit en argumentatie in de beslissingen van investerings-arbitragepanels) van mindere kwaliteit, maar de eerste en de derde (die vanmiddag plaats had) waren best wel de moeite.

I. Waibel: Help, de staat kan niet meer betalen !

Dr. Michael Waibel, een excellente spreker van Cambridge (Wenen, LLM Harvard, economie in LSE, diploma van de Hague Academy) kwam een paar weken terug spreken over "sovereign insolvency and international law", met IJsland als casus. Uiteraard pleit hij voor een institutioneel framework en zelfs voor internationale faillissementsrechtbanken die staatsschulden kunnen reduceren, gekoppeld aan herstructureringsprogramma's, zoals het IMF dat nu al kan.

Waibel is niet akkoord met de orthodoxe assumptie dat de staat onbeperkt solvabel is: er zijn hoe dan ook genoeg voorbeelden van staten die hun schuld niet betalen (Spanje/Frankrijk in het Ancien Régime), maar daarnaast twijfelt hij aan de effectiviteit van het geweldmonopolie om belastingen binnen te halen (confiscatie is inefficiënt, de bevolking verzet zich tegen afbouw van openbare diensten), of tegen besparingen (de facto besparen staten nooit echt, afbouw van overheidsuitgaven doet ook het BNP zakken en dus ook de solvabiliteit van een staat). De enige oplossing is om de onrealistische verbintenissen te reduceren, want ze kunnen toch niet worden betaald. Net zoals met de Derde Wereld in het verhaal van de Club van Parijs, maar dan wel tussen de top-geïndustrialiseerde staten onderling.

Dat kan aanleiding geven tot onrechtvaardigheden: de Ijslandse banken hebben (via de EER) filialen geopend in Europese lidstaten, waar ijverig spaargeld is opgehaald. Londen en Den Haag hebben de cliënten via het Europese depositogarantiesysteem moeten vergoeden, in de plaats van de insolvente banken. Maar ze schuiven nu de factuur (32 resp 15% van het BNP) door naar IJsland, dat uiteraard niet zoveel wil betalen, de zaak heeft afgetopt en verschoven naar 2016 (vanaf dan bestaat er een jaarlijkse terugbetalingsverbintenis voor de Ijslanders).

Opvallend was wel zijn historische invalshoek, door de vergelijking met de opgehoopte schuldmassa in de periode 1870-1914, die ongever vergelijkbaar (natuurlijk altijd een beladen term) zou zijn met die vandaag. Aangezien veel staten zich binnen 20 jaar in een staat van de facto insolventie kunnen bevinden (bijvoorbeeld: de VS), zullen schuldvorderingen moeten worden afgetopt (cf. Amerika heeft nu "wartime finances without war"). Gebeurt dat niet, dan zal het levensniveau van de bevolking drastisch dalen, omdat de publieke dienstverlening in elkaar klapt (cf Ijsland: BNP van 40 000 euro/inwoner, nummer 1 op de Human Development index in 2008; gebouwd op financiële lucht, maar de realiteit verhindert dat de put volledig gedelgd wordt).

Overigens kunnen er mogelijks alternatieve mechanismen gebruikt worden, zoals het inzetten van het staatspatrimonium. Een vraagsteller gaf het voorbeeld van een eiland dat aan Frankrijk werd gegeven bij "in datio solutum" in de negentiende eeuw. Gaat Amerika binnen 20 jaar een stuk grondgebied(Alaska ?) afstaan aan de Chinezen ?

Om maar te zeggen dat een historische reflex op een positiefrechtelijke lezing toch nog nuttig kan zijn om prospectief te redeneren over situaties waarvan men prima facie denkt dat ze uitzonderlijk zijn. Wat opnieuw de relevantie van onze "branche" rechtsgeschiedenis aantoont.

Vandaag was het dan de beurt aan Prof. Joseph Weiler (NYU), die een analoog onderwerp als Ortini behandelde, maar dan wel beter geargumenteerd.

II. Ortini: Wat is motiveren ?

Het probleem met de lezing van Ortini was dat hij een te tekstuele analyse maakte van arbitragebeslissingen. Zijn analyse ging als volgt: er is een explosie van zaken tussen (niet-Westerse) staten en (Westerse) investeerders voor arbitragepanels. Dat toont aan dat de partijen bereid zijn hun dispuut te onderwerpen aan een methode die meer rechtszekerheid biedt dan de traditionele diplomatieke bescherming (= ambassades gaan bemiddelen voor bedrijven bij nationale politieke overheden, in de hoop daar iets los te krijgen).

Probleem: in de meeste uitspraken redeneert men schabouwelijk. De ratio's voor een beslissing zijn niet duidelijk en er heerst een vrij grote mate van willekeur. Grote issues als het vergoedingsbeginsel bij onterechte onteigening worden geïnterpreteerd in het licht van eerdere "rechtspraak", maar de meeste citaten zijn lukraak en buiten context gekozen. Gevolg: Ortini wil dat de arbiters beter motiveren. Niet alleen "duidelijk" de redenen van de beschikking vermelden, maar er ook voor zorgen dat ze adequaat zijn en rekening houden met onder andere noodzakelijkheid, proportionaliteit...

Probleem met de analyse van Ortini: kan dit soort van kritiek niet gegeven worden op eender welke jurisdictie ? Waar ligt de specificiteit van zijn analyse ? Het publiek was niet erg vriendelijk voor een wat warrige lezing, die eerder de indruk gaf een vertaling te zijn van wat krabbels in voorbereiding op een artikel. De meest interessante kritiek wees op het negeren van het politieke element. Arbitrage in investeringsdisputen moet gezien worden als een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Twee staten maken een bilateraal akkoord, waarbij in algemene bewoordingen bescherming wordt verleend aan ondernemingen die risico's nemen in de hoop een winstgevende investering te maken. Die bewoordingen zijn zodanig vaag, dat je er eender welke kant mee uit kan. Het is dan ook tot op zekere hoogte aanvaardbaar dat dit soort ruzies door onderhandeling, eerder dan door een beslissing van een extern panel, wordt opgelost.

Wanneer staten (die meestal het meest gekant zijn tegen een arbitragebeslissing, aangezien die afbreuk kan doen aan hun soevereiniteit, cf. een onteigeningsbeslissing kan ook bekeken worden vanuit het oogpunt van nationale controle over natuurlijke rijkdommen, vanuit imperatieven van sociaal-economische politiek...) ertoe overgaan om het gezag van een arbitragepanel te erkennen, gaat dat niet om inhoudelijke waarden. Het gaat om de noodzaak aan een politieke oplossing voor een dispuut. De redenering doet er dus eigenlijk niet zoveel toe. Het verdrag waar het panel zich op moet baseren, is een in essentie politieke norm, die de contracterende staten toestaat economische relaties uit te bouwen. Kritiek geven op een gebrekkige precedentenciteerwijze, zoals Ortini doet, heeft dan ook niet zoveel zin.

III. Weiler: Hermeneutische gemeenschappen, of waarom iedereen iets anders leest in de zelfde zin

Weiler ging daarentegen in op de toepassing van artikel 31 en 32 van de Weense Conventie over het verdragenrecht door het "Appelate Body" van de WTO. Deze instelling houdt het midden tussen een rechtbank en een arbitragepanel (onder druk van de VS is er geen permanente rechtbank, daar men vreest dat permanente rechters op 1 plaats uiteindelijk enkel aan de instelling gaan denken, en niet aan het gedelegeerde karakter van hun mandaat). Weiler had het niet over precedenten, wel over de interpretatie van de GATT- en WTO-akkoorden. Daar blijkt een duidelijk verschil tussen het Europees Hof van Justitie en de WTO-instanties, waarbij deze laatste vooral hun argumenten "buiten de tekst" gaan zoeken: ze nemen er het woordenboek bij.

Hoe krankzinnig dit ook mag klinken, in 70% van de beslissingen die Weiler en zijn team analyseerden, blijkt het Appelate Body gebruik te maken van taalwoordenboeken om de betekenissen van juridische termen uit een verdrag te analyseren. Waarom ? Volgens Weiler hanteert het AB een consequent verkeerde interpretatie van artikel 31 van de Weense conventie over het Verdragenrecht uit 1969. "A treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to the terms of the treaty in their context and in  the light of its object and purpose."

"Ordinary meaning" wordt door het AB gezien als "buiten context", wat een heel zware interpretatiefout is. De tekst voorziet namelijk dat je de drie moet samenlezen van in het begin. Waar het AB eerst kijkt naar het woordenboek, vervolgens naar de context (= extra-juridische documentatie rond de feitelijke context) en dan pas naar de context van de juridische tekst (niet meer dan de preambule), moet die test samen gebeuren. Het heeft geen zin in een algemeen woordenboek te gaan kijken, als het verdrag op zich al een specifieke betekenis in het leven roept.

Daarnaast plaatste Weiler, duidelijk een "legal realist", zware kanttekeningen bij de codificaties die de International Law Commission heeft ondernomen. Petit rappel: bij de oprichting van de VN was het de bedoeling dat de ILC een "progressieve codificatie" van het heersende internationale recht zou opstellen. Je combineert verdragen, gewoonte, statenpraktijk en aanvullende bronnen en je komt tot een synthese van het internationale recht, in een rapport. Vervolgens wordt die tekst geanalyseerd en geamendeerd, om uiteindelijk op een conferentie in een verdrag te worden gegoten.

Op die manier hoopte men het internationale recht structuur te geven. Probleem: de internationale gemeenschap is een "anarchical society": de uitwerking van een consensus tussen soevereine leden van die gemeenschap neemt dus veel tijd. Bovendien verandert de samenstelling van die gemeenschap radicaal tussen 1945 (33 landen nemen deel aan de onderhandelingen) en die van nu (bijna 200 lidstaten). Als je een retrospectief onderzoek doet naar de stand van het recht op tijdstip t0, dat uitmondt in een eerste rapport op t1, dat vervolgens wordt besproken, omgetimmerd en in een verdrag gegoten op t2, om uiteindelijk te gelden op t3, is de tekst achterhaald wanneer je hem uitvaardigt.

Gevolg: de interpretatie van de interpretatieregels zelf moet evolutief zijn, om onrechtvaardige toepassingen (die de belangen van wie dertig jaar voor de start van de hele codificatieprocedure "het voor het zeggen had") te vermijden. Zo pleit Weiler voor een interpretatie van het VN-Charter als tekst boven een van de intenties van de "Hoge Contracterende Partijen". De politieke motivaties achter het Charter van Stalin, Roosevelt, Churchill, de Gaulle... zijn niet noodzakelijk nog relevant vandaag. Moeten we de Universele verklaring van de rechten van de mens lezen door de bril van de VS van de jaren '40, waar zwarten pas bediend werden aan tafel na de blanken ?

Tweede opmerking: het internationaal recht heeft nood aan een gediversifieerde interpretatiestandaard. In een nationaal rechtssysteem interpreteer je de Grondwet verschillend van een testament. Dat zo ook zo moeten zijn op een globaal niveau: constitutionele documenten (VN-charter), internationale wetgeving (Conventies van Genève, Conventie van Wenen), multilaterale verdragen van contractuele aard (NAFTA, EU...), bilaterale verdragen (investeringsverdragen) of unilaterale bindende verklaringen (compensatiebeloftes) hebben een verschillende normatieve strekking en moeten dus ook anders worden geanalyseerd.

Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk al het geval: elke normatieve gemeenschap (vb: EU, Raad van Europa) heeft zijn eigen hermeneutiek (= hoe je tot het verstaan, uitleggen en toepassen in een beslissing van een politiek geconstrueerde regel komt), waardoor art. 31 (je moet eerst naar de tekst kijken) en 32 (dan mag je die aanvullen met argumenten buiten de tekst) overal anders worden verstaan. Weiler ziet zo een 12-tal verschillende juridische omgevingen (ILO, WTO...).

Wat dan meteen het verschil maakt met de aanpak van Ortini: Weiler isoleert de specifieke problemen die hij constateert bij de WTO, maar weet ook terug te koppelen naar de politieke context van interpretatienormen in het internationaal recht en naar het fenomeen van hermeneutische "gemeenschappen" die het recht anders lezen. Een andere kritiek die Ortini kreeg, kwam uit een vergelijking met het Franse Cour de Cassation. Ortini beweerde dat de legitimiteit van arbitragepanels onder druk zal komen te staan als ze aan de partijen niet beter uitleggen waarom ze beslissen.

Het Franse Hof van Cassatie houdt er een zeer formalistische motiveringsleer op na: elke beslissing wordt vooraf gegaan door een paar stereotiepe paragrafen, die het de rechtszoekende maar laten raden waarom de beslissing zus of zo is uitgevallen. Toch wordt de legitimiteit van de uitspraak of de instelling niet betwist. Moet je dan van een arbitragepanel hogere standaarden verwachten ? Een analyse van rechtspraak zonder rekening te houden met de fundamentele relatie tussen macht en recht, dreigt te sterven in de "boekengeleerdheid".

zaterdag, oktober 24, 2009

NPG



Nog een geweldige website: de National Portrait Gallery. Groot deel van de collecties online te bewonderen. Je vindt moeiteloos alle publieke figuren uit de Britse geschiedenis terug.

Zoals bijvoorbeeld Horatio Walpole, de minder bekende broer van "first prime minister" Robert Walpole (een zeer belangrijk man als ambassadeur in onder andere Den Haag en Parijs).