vrijdag, januari 16, 2015

Editorial "The League of Hanover (3 September 1725): Safeguarding the European Balance" (Oxford Historical Treaties)

(Herrenhausen Palace in Hanover (now Germany), where the League of Hanover was signed on 3 September 1725; image source: art prints on demand)
 
Oxford Historical Treaties, an online database (Oxford UP) containing a digitized and searchable version of Clive Parry's famous Consolidated Treaty Series, has been launched for a couple of months now. Prof. Randall Lesaffer (Tilburg/KUL), editor of the project, asked me to comment one of the documents contained in the 231 physical volumes. I opted for the League of Hanover, a perfect illlustration of the predominance of European multilateral relations of bilateral or confessional quarrels. 

Further information can be found in my articles 'So Great A Revolution: Charles Townshend and the Partition of the Austrian Netherlands, September 1725' (Dutch Crossing, March 2012, see earlier on this blog), 'Delenda Est Haec Carthago ! The Ostend Company as a Case of European Great Power Politics (1722-1727)' (see SSRN), 'Law on the Diplomatic Stage: the 1725 Ripperda Treaty' (Yearbook of Young Legal History, see earlier on this blog), 'German or European? Jülich and Berg between Imperial and Public International Law' (Beiträge zur Rechtsgeschichte Österreichs, cf. earlier on this blog) or in the published version of my dissertation (Brill/Martinus Nijhoff, 2015, forthcoming).

Read the editorial here.

dinsdag, januari 06, 2015

Kardinaal Dubois door Hyacinthe Rigaud (1723). Een insider's view op een bibliotheek van de macht in de Grand Siècle (Pro Memorie: Bijdragen tot de Rechtsgeschiedenis der Nederlanden. XVI (2014), No. 2, pp. 45-54)


Met de jaarwisseling verscheen een themanummer "Rechtsgeschiedenis verbeeld" van het Belgisch-Nederlandse tijdschrift Pro Memorie: Bijdragen tot de Rechtsgeschiedenis der Nederlanden, onder redactie van Georges Martyn, Paul Brood en Louis Berkvens. 

Uw dienaar verzorgde een bijdrage over het beroemde portret van Kardinaal Dubois door Hyacinthe Rigaud in 1723 (pp. 188-198). Dubois was toen op het toppunt van zijn wereldlijke en kerkelijke macht, als eerste minister en kardinaal. Rigaud beeldt hem af met hoed, brief en schrijftafel, maar ook met vier volumes, die leiden naar de indrukwekkende bibliotheekcatalogus die na zijn overlijden verscheen. Het schilderij, nu bewaard in het Cleveland Museum of Art, staat symbool voor de prominente rol van het recht als legitimatievector in het machtsspel na de Vrede van Utrecht tussen Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje en de Keizer. 

Presentatie themanummer:
Lange tijd was de aandacht voor de band tussen recht en beeld of tussen recht en kunst vooral een gelegenheidszaak. Naar aanleiding van een herdenking of verjaardag werd vaak een tentoonstelling met bijbehorende catalogus gemaakt en daarbij werkten juristen, rechtshistorici en kunsthistorici samen. Deze rijk geïllustreerde uitgave over de meest uiteenlopende aspecten van ons rechtshistorisch verleden laat zien dat er veel is veranderd. In Rechtsgeschiedenis verbeeld staan de rechtsiconografie en de rechtsiconologie centraal. Vijftien bijdragen geven de resultaten weer van speurtochten vanuit verschillende disciplines naar de relaties tussen recht en kunst. Die ontdekkingstocht leidt tot pareltjes van rechtscultuur.
Inhoudsopgave:
MATTHIAS DESMET, ‘De allegorie van het schepengerecht van Gedele in Gent’. Een legitimerende rechtssymboliek ontward   
SEBASTIAAN ROES, Testeren door testateurs te bedde. Drie voorbeelden uit de cultuurhistorische collectie der Notariële Stichting te Amsterdam   
CLEMENS HOGESTIJN, De decoratie van het stadhuis van Deventer   
FREDERIK DHONDT, Kardinaal Dubois door Hyacinthe Rigaud (1723). Een insider’s view op een bibliotheek van de macht in de Grand Siècle   
WIJNAND VAN DER SANDEN, Galgen in het Drentse landschap   
MARTIJN VERMEERSCH, Terechtstellingstafereel voor het Landhuis van het Brugse Vrije   
ALAIN WIJFFELS, Historia iuris in nummis. Een gedenk- en propagandapenning naar aanleiding van de Vrede van Fontainebleau (1785)   
GEORGES MARTYN, Hubert Parez, kustvriend of ijdeltuit? Bedenkingen bij twee juristenportretten van het Gentse Museum voor Schone Kunsten   
PAUL BROOD, Het doodshemd van de laatste Groningse terdoodveroordeelde   
STEFAN HUYGEBAERT/SEBASTIAAN VANDENBOGAERDE, Ètes-vous Justice, Minerve ou Themis? Een tijdschriftlogo als numen mixtum en symptoom van de versmelting van kunst en recht in het Belgische fin de siècle   
AMÉLIE VERFAILLE, Het schilderij De goede rechters (1891) van James Ensor   
MAURICE VAN STIPHOUT, ‘Et ecce plus quam Jone hic!’ De Nederlandse canonist Hubertus van Groessen (1892-1986)   
BRUNO DEBAENST, Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Het gebruik van beeldmateriaal in strafrechtelijke procedures inzake arbeidsongevallen op het einde van de negentiende eeuw in België  
JAN SMITS, Juridische filatelie. De verbeelding van recht en jurist op postzegels   
J.E. SPRUIT, Een ontmoeting tussen Themis en Apollo bij de invoering van het NBW

Meer informatie op de website van uitgeverij Verloren.

vrijdag, november 28, 2014

"Catalonia, the European State System and International Limits to Self-Determination" (BelConLawBlog)

The Belgian Constitutional Law Blog (an initiative of the Public Law-department at Ghent University) published some historical reflections by your most humble servant on the relationship between Catalonia and Spain. Click here.

maandag, november 24, 2014

Geografie en demografie

Twee interessante podcasts rond voor Fransen intrinsiek met geschiedenis of internationale betrekkingen verbonden sociale wetenschappen: demografie en geografie:
- Concordance des temps van afgelopen zaterdag met Hervé Le Bras (co-auteur met Emmanuel Todd van een uitstekende socio-geografie van Frankrijk, die wijst op de positieve elementen van de Franse bevolkingssamenstelling): de uitzending behandelt de territoriale opknipping van Frankrijk van Ancien Régime tot vandaag, naar aanleiding van de herindeling van de Franse regio's door Hollande (link hier)
- Les enjeux internationaux: over de demografie van de EU, waarmee het slecht gesteld is. Uitgenomen Frankrijk en Groot-Brittannië is er een tekort aan immigratie. Sinds de crisis is de migratie naar Europa gehalveerd. Vooral de Oost-Europese lidstaten hebben een zeer lage vervangingsratio. De spreker (Pierre Verluise) koppelt demografie snel aan militaire en andere grootmachts-veerkracht, maar er zijn ook links met economische dynamiek (link hier).

maandag, november 17, 2014

Just War (Concordance des temps)

(Urbanus II roept op tot de eerste kruistocht; afbeelding: herodote.net)
 
Concordance des temps wijdde afgelopen zaterdag een uitzending aan een klassieker van het volkenrecht: de doctrine van de rechtvaardige oorlog. Of beter, correctie, de theologische wortels. Hoe kan het gerechtvaardigd zijn om geweld te gebruiken, terwijl het christendom zich daar principieel tegen afzet ? 

De Kerk ontwikkelde in de middeleeuwen een leer die de bedoeling had om de inzet van geweld te beperken. Uiteraard kon de Paus oproepen tot een kruistocht tegen ongelovigen. Uiteraard konden vorsten oorlog voeren tegen een agressor... Maar wie was voldoende soeverein om oorlog te mogen voeren (= in te schatten hoe moreel fout de tegenpartij zat en hoe gerechtvaardigd het was om actie te ondernemen) ? Enkel de Keizer ? De Koning van Frankrijk ? Die van Spanje ? Wat met de grote vazallen ? Naarmate de politiek-confessionele eenheid van de christelijke wereld verbrokkelde, had ook het morele kader minder en minder zin. In de Nieuwe Tijd evolueerde het recht om oorlog te voeren de facto tot een arbitraire bevoegdheid van elke vorst en een normaal middel om ruzies te beslechten.

Toch zijn veel argumenten van de hedendaagse jus ad bellum-(recht om oorlog te voeren)-doctrine terug te voeren tot de theologie:
- proportionaliteit (niet meer geweld gebruiken dan de agressor tegen jou)
- auctoritas of bevoegdheid (in het hedendaagse oorlogsrecht is het gebruik van geweld in principe verboden, behoudens toestemming van de VN-Veiligheidsraad, of behoudens gewettigde zelfverdediging), 
- recta intentio of intentie (enkel vergelding, geen haat), 
- justa causa of gerechtvaardxigde oorzaak (geen loutere veroveringsoorlog)

Naast de morele functie die de paus vervult aan het hoofd van een wereldgodsdienst (cf. inleiding van de uitzending: situatie van de christenen in Irak), is dus ook het juridische kader waarin de Kerk het gebruik van geweld als gerechtvaardigd ziet, niet zonder betekenis. De hersengymnastiek die ermee gepaard gaat, is ook voor de jurist als redeneermachine relevant. Jean-Noël Jeanneney overloopt met André Vauchez (Institut de France) een aantal interessante themata uit dit bijzonder uitgebreide leerstuk.

woensdag, oktober 22, 2014

"Actualité de Socrate" (Concordance des Temps, 18 oktober)

Een zeer aangename uitzending van Concordance des Temps (France Culture) over Socrates. Voor iedereen die wat Griekse filosofie heeft gekregen, op welk niveau dan ook, een herontdekking (Wie was Socrates ? Wat weten we over hem ? Welke invloeden hadden zijn leerlingen op ons beeld ? Zijn er nog andere bronnen dan die van zijn navolgers ? Hoe zat het met zijn proces ? Welke band tussen het Humanisme en Socrates, de Verlichting en Socrates ?). Podcast en meer informatie hier.

vrijdag, oktober 03, 2014

New paper on SSRN: "Delenda Est Haec Carthago ! The Ostend Company as a Problem of European Great Power Politics (1722-1727)" (Forthcoming in: Revue Belge de Philologie et d'Histoire/Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, CXIII (2015), No. 2)



With the kind permission of the journal, I posted a paper on the Social Science Research Network, forthcoming as an article in the Revue Belge de Philologie et d'Histoire/Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis. The text discusses the legal debate between the Dutch Republic and Emperor Charles VI of the Holy Roman Empire on the right of the inhabitants of the Austrian Netherlands to participate in trade on the High Seas. The Ostend Company, a joint stock corporation, had been recognised by the Emperor in 1722. Its tea imports from the East Indies drove down prices and harmed the market share of Dutch and British competitors. The Maritime Powers protested against this intrusion and obtained the suspension and then suppression of the Company, first at the Parisian Preliminaries (31 May 1727), and finally at the Treaty of Vienna (March 1731). Traditionally, historiography sees this as a question of power politics, a symbol of the sorry fate of present-day Belgium as an object of Great Power Politics. The Ostend Company was not a priority for Emperor Charles VI, a far-away monarch ruling from Vienna, who preferred international recognition of his Pragmatic Sanction. Lawyers, on the other hand, tend either to reproduce the victors' position and ignore arguments brought forward by the 'Belgians', or fail to perceive the impact of multilateral diplomacy on practical legal reasoning. My contribution challenges these idées reçues from the angle of contextual legal history. Law is not a pure autoreferential textual science. Studying big names is often a synonym for what is in fact a disguised study of political thought or legal philosophy, and not of international law. Conversely, history should not ignore the systematic thinking common to European lawyers, as an essential element of political culture and communication, as well as a way to structure life in society.

First, big names as Jean du Mont de Carels-kroon (compiler of a treaty collection of major importance, the Corps Universel Diplomatique du Droit des Gens) and Jean Barbeyrac (translator of Pufendorf and Grotius, professor of public law in Groningen) showed an impressive display of legal reasoning, using a broad array of sources of the Ancien Régime's pluralist and multi-layered normative order. If their writings are explored in detail, the debate comes across as much more nuanced than usually projected. The traditional Dutch argument stated that the High Seas were fundamentally common to mankind. No sovereign could claim a property right or a right of exclusion, since the High Seas are essential to commercial intercourse between all nations on earth. Hugo Grotius had proclaimed this principle in the early 17th century, drawn from the Digest, against Spanish, Portuguese or British claims to exclusive dominium on the High Seas. Yet, in order to counter an unwelcome commercial competitor, the lawyers of the Dutch East India Company argued a century later against the Ostend Company that every state could dispose of this right by treaty (mare liberum, pactis clausum).  In other words, what had seemed peremptory for Grotius, as an essential right for any sovereign, had now become a mere faculty in the eyes of his countrymen. The latter opposition is traditionally taken as the essence of the discussion. From the Dutch side, it was argued that Philip IV had forever abandoned a right guaranteed in peremptory natural law, creating a permanent limitation on the Southern Netherlands, irrespective of the identity of their future sovereign. The Imperial side, on the other had, argued that such an exception was contrary to the essence of the right of navigation on the High Seas: even if it had not been exercised, the right was inalienable.

However, even if we accept that a state can renounce its right to navigate on the High Seas, the 1725 Treaty of Commerce between Philip V of Spain and Charles VI utterly destroyed the Dutch argument: if a state can auto-limit its access to the High Seas by a convention, the reverse should be true as well: mare liberum, pactis apertum. The Treaty of Munster (1648) was seen by the Dutch Republic as an auto-limitation imposed by Philip IV of Spain on the inhabitants of the Southern Netherlands, transmitted to his successor at the end of the War of the Spanish Succession.  In 1725, Charles VI, as Philip IV's successor in Flanders, Brabant, Mechelen, Hainault... obtained exactly the opposite from Philip IV's successor as King of Castille: access to the Spanish colonies. Whoever has the competence to impose restrictions, can lift them again (ejus est solvere, cujus est ligare). In other words, the discussion on the modalities of the peremptory law of nature-norm 'Mare Liberum' had become irrelevant. Even if a 'renunciation' of the right to navigate on the High Seas were to be admitted, this renunciation had just been cancelled out by a new treaty ! Charles VI dropped the Ostend Company at the Parisian Peace Preliminaries of 31 May 1727 (confirmed in 1731), but had a strong case during his (albeit short-lived) alliance with the King of Spain.

Secondly, lawyers often see the multilateral diplomatic process leading to the Ostend Company's elimination as a game of tough and crude politics of interest, aloof from any normative arguments or systematic reasoning. This is in part due to the relative research gap concerning diplomatic practice in legal history. The suppression of the Ostend Company is not a product of short-term politics, but is a logical consequence of the Franco-British dominated legal order imposed at the end of the War of the Spanish Succession. The treaties of Utrecht (April 1713), Rastatt (March 1714) and Baden (September 1714) constituted the core of international order and the constant point of reference in further negotiations on international problems. Subsequent treaties of guarantee (Franco-British Treaty, 1716; Triple Alliance, 1717; Quadruple Alliance, 1718) installed a normative hierarchy. Between treaty law and fundamental norms (in the case of Philip V of Spain's renunciation to the French throne, or in that of the successions in the Italian Imperial fiefs of Parma, Piacenza and Tuscany), but also within the normative order of treaty law itself. Utrecht, Rastatt and Baden became the touchstone for any territorial or political claim. The 1725 Treaty of Commerce concluded between Charles VI and Philip V was stillborn, in the sense that it accompanied a monstrous alliance. The Empire of Charles V, uniting the Habsburg possessions in Italy, Belgium, Spain, the Holy Roman Empire and the Indies, was virtually resuscitated through a secret marriage clause in the main treaty of alliance. The spectre of Universal Monarchy haunted European diplomacy again ! As a logical annex to the political provisions of the alliance, the treaty of commerce had no realistic chance of survival. The Ostend Company was not a bilateral affair in essence. Calculations in broader European politics were not the product of 'selfishness' or 'crude calculation', but were structured according to legal thinking. Diplomats and bureaucrats had received a schooling in either classical languages, Roman law or German public law, and structured the horizontal interactions between sovereigns according to common normative understandings. If the Pragmatic Sanction had more priority than the Ostend Company, this was not a consequence of Charles VI's arbitrary personal taste, but an application of the international system of guarantee for national succession orders which had already been used by France and Great Britain, conformable to the Utrecht logic.

Text on SSRN (click here, e-journal Conflicts Studies: International Relations Theory; e-journal Legal History), or in the second issue of next year's RBPH-BTFG.