dinsdag, juni 21, 2016

Afbeeldingen van de Slag bij Oudenaarde

Accéder au site de la Bibliothèque nationale de France
(bron afbeelding:BnF)

Ik dacht de Slag bij Oudenaarde (11 juli 1708) vrij goed te kennen, na een eindwerk middelbaar, een bachelorpaper, een masterpaper, een boek, twee artikels en een hoofdstuk in een boek.

De Slag bij Oudenaarde was een massaconfrontatie tussen de legers van Lodewijk XIV zijn kleinzoon Filips V en diens landvoogd, keurvorst Maximiliaan Emmanuel van Beieren, enerzijds, en een bonte internationale coalitie tussen de Keizer van het Heilig Roomse Rijk (Jozef I), de Koningin van Groot-Brittannië (Anne) en de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Provinciën, anderzijds. In totaal 170.000 soldaten stonden geposteerd op de hellingen van de Vlaamse Ardennen, van de hoogten van Edelare (denk aan de Wolvenberg, een vast element in de Ronde van Vlaanderen), door de vallei van de Schelde omhoog naar de volgende heuvelrug, die van de dorpen Lede en Huise. 

Oudenaarde was strategisch belangrijk door de ligging op de Schelde. In een tijd van bijzonder slechte landwegen was het water essentieel voor grote logistieke operaties als de bevoorrading van een leger of het onderhouden van een belegering. In de weken voor 11 juli had het Franse leger een bijzonder lonende operatie uitgevoerd. Zowel Gent als Brugge hadden hun poorten geopend voor het leger van Lodewijk XIV.  Op die manier bedreigde het Franse leger de communicatie met Engeland (via de haven van Oostende) en met De Republiek (door de Schelde in Gent te controleren). 

Het leger van de "Grote Alliantie" (samengebracht in september 1701 tegen het dreigende Franse machtsoverwicht in Europa) werd aangevoerd door John Churchill, de hertog van Marlborough. Deze voorouder van Winston Churchill (en prinses Diana) kende in 1708 een van de hoogtepunten in zijn militaire carrière. In 1704 had hij keurvorst Maximiliaan Emmanuel van Beieren verjaagd uit zijn erflanden, door met Eugenius van Savoye, aanvoerder van de Keizerlijke troepen, de slag bij Blenheim ("Blindheim") verpletterend te winnen. In 1706 versloeg Marlborough opnieuw het Franse leger, ditmaal in Ramillies (in Waals-Brabant). Hierdoor kon hij in snel tempo het grootste deel van het toenmalige hertogdom Brabant (Brussel, Antwerpen, Leuven) en Vlaanderen (Gent, Brugge, Menen, , Oostende, Dendermonde) innemen.

In 1708 controleerde het Franse leger nog Nieuwpoort en Ieper, maar bijvoorbeeld ook nog Doornik, Henegouwen (Bergen, Charleroi, Aat). De geallieerde overwinningsroes van 1706 leidde tot hoofdpijn in 1707. Lodewijk XIV had na de nederlaag van Ramillies zijn meest getalenteerde generaal, de hertog van Vendôme, naar de Zuidelijke Nederlanden gezonden. Vendôme was de kleinzoon van een bastaard van Hendrik IV en genoot als dusdanig een bijzondere positie in het Franse leger. Hij had Eugenius van Savoye verslagen bij Cassano in 1705. Vendôme werd overgeplaatst van het Italiaanse theater van de oorlog, naar de Nederlanden. Parijs werd veel meer bedreigd vanuit Oudenaarde of Gent, dan vanuit Turijn of Milaan. Vendôme slaagde er in 1707 in om een confrontatie met Marlborough te vermijden. 

1708 zou zeker een veldslag brengen. Frankrijk wou het momentum terug bemachtigen in de militaire campagnes. Bij een succes in de Nederlanden zou de positie van Marlborough in het gedrang kunnen komen. Het Britse parlement bestond uit de sociale groepen die de belastingen moesten opbrengen voor een (dure) oorlog op het continent. Bovendien had Frankrijk grote diplomatieke arbeid verricht in de winter in de Verenigde Provinciën. Bij onderhandelingen in Den Haag waren een aantal concrete pistes verkend om de Noordelijke Nederlanden los te wrikken uit de alliantie tegen Frankrijk. Onder andere de verstoring van de handel met Frankrijk was een stevig argument. De Republiek was een handelsconcurrent van Groot-Brittannië. En ook in Amsterdam of Rotterdam betaalde men niet graag belastingen om oorlogsschulden af te lossen. Op termijn zouden economische motieven met succes worden uitgetest op Groot-Brittannië om de oorlog te beëindigen. 

De meest oorlogszuchtige partij aan geallieerde zijde was de Keizer. Het huis Habsburg maakte aanspraak op de gebieden van de Spaanse monarchie. De laatste Habsburger als koning van Spanje, Karel II (1661-1700) had bij testament zijn hele erfenis vermaakt aan Filips van Anjou, tweede kleinzoon van Lodewijk XIV. De Oostenrijkse tak van de Habsburgers aanzag dit als een vernedering en wou met de wapens tot een eerlijkere verdeling komen. Naarmate de Franse generaals nederlagen leden, zwollen deze ambities aan. Oostenrijk controleerde sinds 1707 het grootste deel van Italië (met uitzondering van Sicilië). De Zuidelijke Nederlanden (ongeveer het huidige België, zonder het prinsbisdom Luik) werden gezien als het stamland van de Bourgondiërs. De Habsburgse kandidaat wou onze gebieden te allen prijze controleren. Door de nederlaag van Ramillies was er een de facto interimbestuur ontstaan: Hollandse en Britse gezanten deelden de lakens uit, in naam van Karel van Habsburg, broer van keizer Jozef I. Het deel van de Zuidelijke Nederlanden dat in Franse handen was, werd uit naam van Filips V (Filips van Anjou) bestuurd door Maximiliaan Emmanuel van Beieren. 

De Slag bij Oudenaarde moet gezien worden op dit Europese schaakbord. Niet zozeer de militaire ontwikkelingen zijn van belang, als wel de enorme internationale uitstraling van het gebeuren. De Europese "Who's Who" van de vroege achttiende eeuw defileerde op het slagveld. Lodewijk XIV stuurde zijn kleinzoon en vermoedelijke troonsopvolger, de hertog van Bourgondië, naar de Nederlanden. Bourgondië overleed in 1711, maar zijn oudste zoon zou in 1715 Lodewijk XIV opvolgen als Lodewijk XV. Bourgondië's jongste broer, de hertog van Berry, was ook aanwezig in Oudenaarde.

Daarnaast bevond Jacobus Stuart zich in het gezelschap. Deze prins was de zoon van de verjaagde katholieke koning van Engeland en Schotland, Jacobus II. In 1688 had het Engelse parlement deze vorst vervallen verklaard van het recht om te regeren. Lodewijk had deze situatie wel erkend, maar maakte handig gebruik van de aanwezigheid van Jacobus II's zoon om in Ierland en Schotland het gezag van de protestantse koningin Anna, dochter van Jacobus II, te ondermijnen. In tijden van Brexit en vragen over de banden tussen het Verenigd Koninkrijk en het continent is het interessant om te zien hoe de geschiedenis anders had kunnen gaan. In 1707 verenigde de Act of Union de parlementen van Engeland en Schotland en ontstond het "Verenigd" Koninkrijk. In Schotland zelf was hier veel discussie over geweest. Het koninkrijk behield zijn eigen recht (op het continent geïnspireerd) en een eigen calvinistische Kirk. Een deel van de bevolking (in de Highlands) beschouwde evenwel Jacobus "III" ("VIII") als de wettige opvolger van zijn vader. Lodewijk XIV stuurde in het voorjaar een expeditie naar Schotland. Het werd een totale mislukking, maar de beurs in Londen duikelde naar beneden.

Aan de zijde van de geallieerden stonden met Marlborough en Eugenius van Savoye de twee meest befaamde militairen van hun generatie. Eugenius had naam gemaakt in het leger van Keizer Leopold I, tijdens de Turkenoorlogen. In 1683 belegerde Kara Mustafa, grootvizier van de Ottomaanse Sultan, de Oostenrijkse hoofdstad Wenen. Een internationale coalitie onder leiding van de koning van Polen (Jan Sobieski) versloeg de Turken bij de Kahlenberg. Eugenius, die uit de familie Savoye-Carignan kwam, was weggegaan van het Franse hof. Hij verliet de dienst van Lodewijk XIV (die onderhands de Turken steunde) voor die van de Keizer. Eugenius' grote overwinning bij Zenta (1697) was een orgelpunt in de ontplooiing van de Oostenrijkse macht. De Turken werden teruggedreven tot in de Balkan en Griekenland. Ze verloren grote stukken van het hedendaagse Hongarije, Kroatië, Bosnië en Roemenië. De bouwheer van het Belvédère in Wenen was doorslaggevend in de Slag bij Oudenaarde. Hij had het leger van Marlborough vervoegd met een kolonne vanuit Mainz aan de Moezel.

Aan de Britse zijde vocht verder Georg August van Brunswijk-Lüneburg. Hij was de tegenpool van Jacobus "III". Deze Duitse prins was de zoon van keurvorst Georg Ludwig, die was voortbestemd om de kinderloze koningin Anna op te volgen in Londen. De Act of Settlement (aangenomen in het Engelse parlement in 1701) sloot immers alle katholieke kandidaten uit van de Engelse troon. Georg Ludwig werd in 1727 koning van Engeland, onder de naam George II. Hij gedroeg zich bijzonder heldhaftig in Oudenaarde: zijn paard werd onder hem doodgeschoten. Dit droeg bij tot de legende van een dappere, protestantse en Duitse prins, in contrast met een bange en fragiele katholieke Stuart, gesteund door de katholieke koningen van Frankrijk en Spanje.

De Franse generaal Vendôme werd bijgestaan door zijn persoonlijke secretaris, abt Giulio Alberoni. Een man met een bijzondere carrière: hij zou in 1710 met zijn broodheer naar Spanje vertrekken, en daar na diens overlijden opklimmen tot eerste minister van Filips V. In 1717 verkreeg hij de kardinaalshoed. Alberoni verdedigde met vuur Vendôme's gedrag tijdens de slag in een brief die werd afgedrukt in de Gazette in Amsterdam. De hertog van Saint-Simon zou later in zijn Mémoires Vendôme met grote heftigheid aanvallen. De Franse elitetroepen van de Maison du Roi onderscheidden zich door woeste charges en barse onverzettelijkheid in de vlakten van Eine en Heurne. Maarschalk Puységur, later auteur van een belangrijk militair traktaat, beging een aantal blunders in de eerste uren van de dag.

De eigenlijke slag begon pas laat in de namiddag. Na getalm van Bourgondië om de voorhoede van het geallieerde leger over de Schelde terug te drijven, raakten tienduizenden soldaten verstrikt in een bloederig infanteriegevecht aan de Diepenbeek op het huidige industrieterrein "De Bruwaan". In hun rug maakten de Hollandse troepen van veldmaarschalk Ouwerkerk een omtrekkende beweging. Tegen de avond donderden ze naar beneden, in de rug van de Franse generale staf. Het vallen van de duisternis zorgde voor het einde van de gevechten. Hoewel een groot deel van het Franse leger niet in actie was gekomen, werd Vendôme overstemd in de Franse generale staf. De Fransen trokken zich terug op Gent. De geallieerden vatten in augustus het beleg aan van Lodewijk XIV's eerste en grootste verovering, Rijsel

De digitale revolutie die we de laatste jaren beleven, brengt steeds meer materiaal naar boven. Zo publiceerde Gallica (BnF) deze drie prachtige gravures (klik op de miniaturen voor omleiding):
- "Die von denen hohen Alliiren unter Commando des Prinzen Eugenij und hertzog von Marleboroug gegen die Franzosen befochtene herrliche victori..." (Recueil Hennin, 81, stukken 7114-7193): perspectief vanuit het geallieerde kamp op de heuvels van Huise en Ooike
- "Oudenarde, unter Anführung der tapfersten Helden Marleboroug und Eugenii..." (Hennin, 7186): medaillons van Marlborough, Vendôme en Eugenius van Savoye, gedrukt te Nürnberg, met beschrijving van de slag (geïdealiseerd perspectief vanop een hoogte)
- "Entwurff der erhaltenen herzlichen Victorie bey Audenarde..." (Hennin, 7182): een gelijkaardige mensenmassa als op het schilderij en de gravure van Jan van Huchtenburg, die de cover van mijn boek Op Zoek naar Glorie in Vlaanderen. De Zonnekoning en de Spaanse Successie, 1707-1708 (UGA, 2011) siert; een dorp staat in brand, een Frans tentenkamp wordt geplunderd, lelievaandels sneuvelen in een hard lijf-aan-lijfgevecht, infanterie verdwijnt in de verte (naar Gent ?)

BOEKBESPREKING: Economie zkt. Geluk (P. Van Rompuy), Samenleving en Politiek XXIII (2016), nr. 6 (juni), pp. 94-96

 (bron afbeelding: sampol)

In het juni-nummer van Samenleving en Politiek, dat morgen verschijnt, staat een boekbespreking die ik maakte van Economie zkt. Geluk (P. Van Rompuy, Lannoo, 2016).

Eerste paragraaf:
Peter Van Rompuy, ondervoorzitter van het Vlaams Parlement en voormalig senator (CD&V), wijdt een interessant pamflet aan het thema ‘geluk’, en de band met de economie. Zonder expliciete referenties - het boek probeert zo nieuw mogelijk te voelen en te lezen - sluit dit aan bij het personalisme van de christendemocratische en uiteraard ook de bredere christelijke traditie, die het nastreven van rijkdom als hoogste goed afkeurt, of heil ziet in de matiging als maat der dingen. Van Rompuy probeert een nieuwe gemene ethische deler te vinden. Hij doet dat via op het eerste gezicht kleine praktische maatregelen, gericht op het‘werkbaar’ houden van de samenleving. Het einddoel is de ‘sociale, groene en menselijke vrije markt.
Meer informatie bij SamPol. Fulltext hier.

zondag, juni 19, 2016

BOOK DISCUSSION on H-France Book Reviews (nrs. 79-80, Jun 2016)


(image source: HNet)

HFrance published a discussion on my book Balance of Power and Norm Hierarchy. Franco-British Diplomacy after the Peace of Utrecht (Brill, 2015). Peter Schröder (UCL) wrote a review, which can be consulted here. My response is online was well. The core of our disagreement concerns the autonomy of the approach chosen for the book. The discussion generates complementary perspectives on legal and political history vis-à-vis history of political thought.

donderdag, juni 16, 2016

ARTICLE: "Recent Research in the History of International Law", Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis/Revue d'Histoire du Droit/The Legal History Review LXXXIV (2016), Nr. 2, 313-334

(image source: Brill)

The Legal History Review (Brill) published a review article I wrote on the field of international legal history.

DOI 10.1163/15718190-08412p10.

Abstract:
This review article treats the booming scholarship on the history of international law over the past decade. Works with a broader view (1), including the recent big-book syntheses and collective works, are contrasted with monographs (2), from studies of treaties and doctrine, over diplomatic practice to scholarship by historians and, finally, interdisciplinary scholarship. This texts provides a personal panorama of the wide array of scholarly perspectives on a common object: rules recognised in the community or society of states. New insights from history and social sciences, especially the turn to global history, open fresh prospects for ‘traditional’ legal historical research. Studying the encounter between ‘European’ international law and other continents rises our indispensable intercultural awareness. Yet, it should also serve to better understand the specificity of European legal thinking or diplomatic practice, and does not render research on the latter obsolete or redundant.

Fulltext here.

maandag, juni 06, 2016

NEW CORE WORKING PAPER: The Treaties of Utrecht and Norm Hierarchy [Les traités d'Utrecht et la hiérarchie des normes]


The CORE Working Paper series published a text of mine (in French) on the Treaties of Utrecht and Norm Hierarchy, examining into detail the question of Philip V of Spain's renunciation to the French throne.

Abstract:
The act of registration of the lettres patentes of Louis XIV on 15 March 1713, which renounced Philip V’s right to the throne of France and also the rights of the dukes of Berry and Orléans to the throne of Spain, is usually presented as a violation of the fundamental law of indisposability of the Crown. Even with internal implications for France and ensuing contemporary debate that was framed in those terms, it is nonetheless important to highlight its practical juristic logic with regard to international relations. Renunciations marked a vital element in the equilibrium of European state relations and they allowed to avoid excessive concentration of power. The Regency’s diplomacy sought to extend the solutions contained within the Utrecht treaties (11 April 1713) to other cases of potential war, in Italy. As a result, the mentioned registration of renunciation touched upon two conflicts of norms instead of one. On the one hand, the monarch’s lettres patentes conflicted with the lois fondamentales. On the other hand, the law of treaties was at odds with the internal laws of France. Not only the negotiations leading up to the peace treaties, but also the subsequent interpretation of those treaties demonstrate an alternative, apocryphal but coherent, juristic discourse, the understanding of which is indispensable for a proper analysis of their global implications.
The text is an earlier, extended version (written as a Visiting Fellow at the Graduate Institute in Geneva, 2014-2015) of a paper forthcoming in a collective work directed by Nicolas Laurent-Bonne (Clermont-Ferrand) and Xavier Prévost (Bordeaux), Penser l'ordre juridique médiéval et moderne (Lextenso, later on this year). The final version, which will also consider complementary sources, can thus be found there.

See also SSRN: http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=2790983.

vrijdag, april 29, 2016

BOOK REVIEW: Laurent Bourquin, Philippe Hamon, Alain Hugon & Yann Lagadec (dir.), La politique par les armes. The English Historical Review (2016)

(image source: Wikimedia Commons)

Oxford Journals published my review of the book La politique par les armes: conflits internationaux et politisation (XVe-XIXe siècle), edited by Laurent Bourquin, Philippe Hamon, Alain Hugon and Yann Lagadec, published by the Presses universitaires de Rennes in 2014. The text is forthcoming in a next issue of The English Historical Review.

The fulltext can be consulted here (DOI 10.1093/ehr/cew059).

Update (29/5): full reference vol. CXXXI (2016), nr. 549 (Apr), pp. 444-447.

donderdag, april 07, 2016

Peilingen, zetelverdelingen en bandbreedtes

(bron afbeelding: Wikimedia Commons)

Het is al even geleden dat ik op deze blog nog een post wijdde aan politieke peilingen. Het behoeft weinig uitleg dat deze instrumenten in België nog moeilijker te interpreteren zijn dan in een ander land, en ook dat dit op deze blog geenszins vanuit een sociaalwetenschappelijk of statistisch onderbouwd standpunt gebeurt. Toch zijn peilingen een element in het politieke spel. Ze bepalen de perceptie in de omgeving waarin partijen opereren. Gezien de grote onzekerheid die met peilingen gepaard gaat, is het ook niet aberrant dat buitenstaanders ze proberen te lezen, of toch zich iets concreter proberen voorstellen bij de trends die erin vervat zitten.

Het lijkt wijselijk om de frequentie van de peilingen wat terug te schroeven, aangezien de volgende federale en regionale verkiezingen nog drie jaar van ons af liggen. Zoals steeds valt in de tussentijdse enquêtes nog zeer goed de uitslag van de vorige verkiezingen te lezen. Dat is namelijk de enige zekere factor waarmee enquêtebureaus kunnen werken.

Peiling 15 maart 2016
Ter herinnering, de cijfers van de peiling van 15 maart (VRT/De Standaard), met tussen haakjes het verschil met de verkiezingen voor het Vlaams Parlement uit 2014:
PVDA 4% (+1,47%)
groen 11,6% (+2,9%)
sp.a 14,7% (+0,71%)
CD&V 19,1% (-1,38%)
N-VA 27,3% (-4,58%)
openVLD 14,1% (-0,05%)
Vlaams Belang 8,1% (+2,18%)

De enige duidelijke trend lijkt een achteruitgang voor de N-VA te zijn, die in alle gevallen buiten de foutenmarge van de peilingen valt. Hoe de verhoudingen tussen de andere partijen liggen, is minder duidelijk. De peiling van De Standaard geeft een licht voordeel aan de CD&V, dat niet te bespeuren valt in de twee andere enquêtes. Ten opzichte van de verkiezingsuitslag voor het Vlaams Parlement in 2014 (waarbij Kris Peeters werd uitgespeeld als nationaal boegbeeld) gaat het evenwel niet meteen om een glorieuze remonte. De drie traditionele partijen lijken veeleer stationair te blijven. Eerder meldde de (internet)peiling van La Libre Belgique (december) dan weer een achteruitgang voor CD&V en openVLD. De (telefonische) peiling van Le Soir (eveneens december) had het over een verlies voor de N-VA, met winst voor de oppositiepartijen. Le Soir vertaalde dit in een afkeuring van de federale regering. Niets daarvan is voorlopig erg overtuigend. De VRT/De Standaard-peiling had het dan weer over een groot vertrouwen in de federale premier in vergelijking met de Vlaamse minister-president. Maar er kan niet gesteld worden dat er een duidelijke verschuiving is ten gunste van de oppositiepartijen. Dat lijkt ook logisch, in een periode zonder verkiezingen. De tendensen lijkt in alle gevallen wel positief voor Groen en  de PVDA, die geëxtrapoleerd een reële kans lijkt te behouden op de kiesdrempel in de provincie Antwerpen. In 2014 werd die nipt gemist (0,48% voor de Kamer). De peilingbureau's gokken er verder op dat het Vlaams Belang garen spint bij de communautaire status quo en vooral de door vluchtelingen en integratiespanningen gekenmerkte actualiteit.

Kiesdrempel
Het lijkt enigszins banaal of één partij al dan niet een verkozene op 87 haalt of niet. Toch heeft het meetellen van deze meer dan 50.000 stemmen een duidelijke impact op de verhoudingen tussen links en rechts in de Provincie Antwerpen. sp.a (3) en groen (2) haalden samen 5 van de 24 zetels in 2014, of ongeveer 20% van het te begeven totaal. In stemmen komen de drie progressieve partijen (132.096 + 112.477 + 51.638) op 296.000 of bijna 26% van de geldig uitgebrachte stemmen. De keuze voor de kiesdrempel is democratisch en legitiem, maar bot wel een basisprincipe van de Belgische Grondwet af. Per 40.000 inwoners vaardigen de Belgische provincies een kamerlid af, onder de oude Grondwet van 1831 (art. 49; in de huidige formulering evenveel zetels als de kiesdeler geeft, wat ongeveer op hetzelfde neerkomt, maar dan in kiezers, cf. art. 63 nieuw). Bij de verkiezingen van 2003 heeft dit agalev (50.000) en de N-VA van een zetel beroofd in Antwerpen (49.000), wat uiteraard ook heeft bijgedragen aan de toenmalige vorming van een paarse meerderheid in zetels, die er in stemmen niet was. De disproportie was toen groter, maar werd niet als problematisch ervaren, in de slipstream van het ruimere kader van de kieshervorming (provinciale kieskringen vergroten de proportionaliteit, kiesdrempel houdt versnippering tegen). Met de toenemende polarisatie van het Vlaamse politieke leven rond de N-VA lijkt dit vandaag toch minder evident. Zonder kiesdrempel had de PVDA in Antwerpen een zetel gewonnen in 2014, en het Vlaams Belang er een verloren (zetel behaald met tweede quotiënt: 39.926 stemmen).

Grootte van de kiesomschrijvingen
De proportionele verhoudingen tussen de De Standaard/VRT-peiling (de meest recente) en de verkiezingsuitslag van 2014 voor het Vlaams Parlement kunnen een aanzet zijn om de evoluties in zetels te vertalen. Uitgaan van de voorgaande provinciale uitslagen laat toe om rekening te houden met twee factoren: regionale verschillen en de grootte van de kiesomschrijving. Gezien de relatieve versplintering van het politieke landschap, en het bestaan van zowel wettelijke (5%) als feitelijke kiesdrempels (8% in Limburg) is de zetelverdeling voor de Kamer vrijwel nooit een directe afspiegeling van de stemverhoudingen: er gaan altijd stemmen "verloren". Voor het Vlaams Parlement (niet behandeld in deze blogpost) levert het groter aantal zetels (118 <=> 87) een (licht) proportioneler resultaat op.

Veel onbekende factoren
Uiteraard blijven in deze simulatie een aantal specifieke factoren buiten beeld, omdat ze nu eenmaal onmogelijk kunnen worden voorspeld: het inzetten van verse, populaire kandidaten buiten de traditionele perimeter van de partij, of het schuiven met lijsttrekkers bijvoorbeeld. In Antwerpen haalde de CD&V met Kris Peeters (boegbeeld nationale campagne) in 2014 20,4% voor het Vlaams Parlement, maar voor de Kamerlijst 16,09%. Een verschil van meer dan 40.000 stemmen (1 zetel in de Kamer). Omgekeerd haalde de N-VA 39,38% voor de Kamer, en "slechts" 36% voor het Vlaams Parlement, ook al gaat het om dezelfde kiezers.

Ten slotte zijn peilingen maar momentopnames, genomen zonder rekening te houden met gebeurtenissen die de opinie momenteel beroeren, en buiten de context van een verkiezingscampagne, die hoe dan ook zorgt voor een scherper politiek bewustzijn. Desondanks blijft deze oefening interessant, omdat ze poogt om een vaag gevoel (tendensen en evoluties binnen het electoraat) te koppelen aan vaststaande en zekere structuren (de zetelverdeling).

Zetelverdeling: systeem-D'Hondt
Sinds 2003 (en voor Vlaams-Brabant sinds 2014 ingevolge de splitsing van BHV in 2012) worden zetels voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers verdeeld door het stemmentotaal van een lijst binnen een provincie samen te tellen, en vervolgens te delen door de delerreeks 1,2,3,4... tot alle te begeven zetels zijn uitgeput. De bekomen quotiënten (stemmenaantal/1, stemmenaantal/2...) worden gerangschikt en bepalen hoeveel zetels elke partij haalt. Dit systeem wordt in België al gebruikt sinds het einde van de negentiende eeuw, toen er werd overgeschakeld naar een proportioneel kiessysteem (1899). De huidige kiesomschrijvingen dateren evenwel slechts van 2003. Tot 1999 werden de zetels in twee stappen verdeeld: eerst binnen de kieskring, dan pas op provinciaal niveau. De einduitslag kwam overeen met wat we nu kennen, maar gezien de verschillen tussen de kieskringen verliep de verdeling zeer onvoorspelbaar. Dat is nu veel minder zo (cf. supra over de context waarin de kiesdrempel werd ingevoerd).

Toch spelen er nog een paar willekeurige elementen mee. In de eerste plaats het te begeven aantal zetels. Vaak ontstaat er een klein onevenwicht omdat partij X net het laatste quotiënt vast heeft voor een zetel, en partij Y daarvoor net te kort komt. Dit is natuurlijk onvermijdelijk. De Grondwet spreekt over een zetel per 40.000 kiezers, grosso modo blijft dit gerespecteerd. [Tenminste, als je naar het aantal ingeschreven kiezers kijkt. In sommige kieskringen (Brussel-Hoofdstad, Provincie Henegouwen) ligt het aantal uitgebrachte en geldige stemmen veel lager, ondanks de opkomstplicht. In de feiten zijn daar dus minder stemmen nodig om een zetel te halen (Brussel: 33.000, Henegouwen: 36.000).]


1. Kamer
Oost-Vlaanderen
PVDA 0 (=)
groen 2 (=)
sp.a 3 (=)
CD&V 3 (-1)
N-VA 6 (=)
openVLD 4 (=)
Vlaams Belang 2 (+1)


Het dichtste bij een extra zetel staat de CD&V (vierde quotiënt 4,27%), ten koste van de openVLD (4,31%). Dit betekent concreet dat de CD&V 0,04% x 4 x 988.820 = 0,16% of amper 1.582 stemmen te gaan heeft om de vierde zetel te heroveren, een zeer miniem verschil. Oranje/blauw is een klassiek antagonisme, maar sinds een paar verkiezingen niet meer om uit te maken wie de grootste in de provincie wordt.

West-Vlaanderen
PVDA 0 (=)
groen 1 (=)
sp.a 3 (=)
CD&V 4 (=)
N-VA 5 (-1)
openVLD 2 (=)
VB 1 (+1)

Het dichtste bij een extra zetel staan groen (tweede quotiënt 4,78%) en de CD&V (vijfde quotiënt 4,73%), ten koste van de N-VA (5,1% als vijfde quotiënt). Dit betekent dat groen resp. de CD&V 5.170 en 14.944 stemmen dienen te stijgen om hier aanspraak op te kunnen maken. Een relatief kleine verschuiving  kan dus CD&V terug de grootste maken in deze traditioneel oranje provincie.

Antwerpen
PVDA 1 (+1)
groen 3 (+1)
sp.a 3 (=)
CD&V 5 (+1)
N-VA 8 (-3)
openVLD 2 (=)
Vlaams Belang 2 (=)

Gezien het kleine verschil in 2014, en de duidelijke opwaartse trend in de landelijke peiling, lijkt het waarschijnlijk dat de PVDA de drempel haalt. Let wel: Antwerpen betekent hier de provincie Antwerpen. In 2014 is gebleken dat de radicaal-linkse partij moeilijk rekruteert in de niet te verwaarlozen residentiële en plattelandsgemeenten. Als we de landelijke trends toepassen op de uitslag voor het Vlaams Parlement uit 2014, zou de N-VA de zetel voor de PVDA kunnen innemen.

VB en groen zijn ongeveer even groot, de CD&V verliest licht, maar recupereert één van de drie in mindering gekomen N-VA-zetels. Bemerk uiteraard ook dat het CD&V-resultaat voor de Kamer in 2014 (waaruit de huidige zetelverdeling volgt) 40.000 stemmen lager lag dan dat voor het Vlaams Parlement, waarvan deze simulatie vertrekt. 40.000 stemmen, dat is een zetel verschil. Echte "winst" is dit dus niet meteen.

In de huidige simulatie is de laatst veroverde zetel voor CD&V (3,74%, vijfde quotiënt). Daarna komt het negende quotiënt van N-VA (3,47%). Haalt de PVDA de drempel niet, dan gaat het om groen (3,29%, vierde quotiënt). Opgepast: dit betekent niet dat groen de PVDA-zetel haalt, wel dat groen de CD&V-zetel kan bedreigen als de PVDA de drempel niet haalt. Haalt de PVDA de drempel, dan kan groen de N-VA-zetel overnemen.

De verschillen:
CD&V-NVA: 27.739 (N-VA moet zoveel stijgen om deze zetel te halen)
CD&V-groen: 20.548 (dit is lager < voor Groen gaat het om de vierde zetel, voor N-VA om de negende)


Limburg
PVDA 0 (=)
groen 1 (+1)
sp.a 2 (=)
CD&V 3 (=)
N-VA 4 (-1)
openVLD 1 (-1)
Vlaams Belang 1 (+1)

In theorie, bij toepassing van de formule uitgebrachte stemmen/kiesdeler, is er in Limburg (12 zetels) meer dan 8% nodig voor een zetel. In de praktijk kan dit lager zijn, afhankelijk van de reële verdeling tussen de partijen en hun onderlinge verhoudingen. De laatste zetel zit hier bij de N-VA (6,88% voor het vierde quotiënt). Als een partij met 6,89% aan de verkiezingen had  deelgenomen, dan was die zetel voor haar. Het eerstvolgende quotiënt (het derde van sp.a) zit 0,84% lager, het daaropvolgende quotiënt (openVLD, tweede) 0,87% lager. Dit betekent een verschil van (0,84% x 3 x 554.454) 13.972 stemmen voor sp.a en (0,87% x 2 x 554.454) 9.647 stemmen voor openVLD.

Vlaams-Brabant
PVDA 0 (=)
groen 1 (=)
sp.a 2 (=)
CD&V 3 (=)
N-VA 4 (-1)
openVLD 4 (=)
VB 1 (+1)

De laatste zetel is in handen van CD&V (5,32%, derde quotiënt), en wordt bedreigd door N-VA (5,04%, vijfde quotiënt, 9.508 stemmen verschil) en -in mindere mate- openVLD (4,79%, vierde quotiënt, 14.397 stemmen verschil). De basis voor deze cijfers is opnieuw de uitslag voor het Vlaams Parlement (waar een minder groot Maggie-effect gespeeld heeft).

Samenvatting
De naakte verdeling is als volgt:
PVDA 1 (+1)
groen 8 (+2)
sp.a 13 (=)
CD&V 18 (=)
N-VA 27 (-6)
openVLD 13 (-1)
Vlaams Belang 7 (+3)

Ten opzichte van de verkiezingen van mei 2014 zouden er dus 7 op de 87 zetels verschuiven. Dat is minder dan 10%. Ter vergelijking: tussen 2010 en 2014 verschoven 9 zetels tussen Nederlandstalige partijen.

Bandbreedte in de zetelverdeling
Maar, net als er bij een peiling een foutenmarge is voor de stemmenaantallen, kan die ook voor de zetelverdeling in kaart worden gebracht. Uit wat hierboven is opgesomd, volgen deze marges:
- Oost-Vlaanderen:  CD&V mogelijk +1, openVLD mogelijk -1
- West-Vlaanderen: N-VA mogelijk -1, groen/CD&V mogelijk +1
- Antwerpen: PVDA mogelijk -1, CD&V mogelijk -1, groen/N-VA mogelijk +1
- Limburg: N-VA mogelijk -1, sp.a mogelijk +1
- Vlaams-Brabant: CD&V mogelijk -1, openVLD/N-VA mogelijk +1

Bijkomend zouden dus nog zes extra zetels momenteel kunnen veranderen. Samen 13 op 87, of een partij ter grootte van de sp.a.

Samen:
PVDA 0-1
groen 8-10
sp.a 13-14
CD&V 16-20
N-VA 25-29
openVLD 12-14
Vlaams Belang 7


Meerwaarde ?
Een bandbreedte in de zetelverdeling geeft aan in welke richtingen versterking dan wel afzwakking van de trends in de peilingen effecten zullen hebben, uitgaande van de huidige zetelverdeling en de foutenmarge in de peilingen. Stijgt de N-VA terug (of bevindt ze zich nu eerder aan de bovenkant van de vork van de foutenmarge, dan in het midden), dan worden de CD&V-zetels in Antwerpen en Vlaams-Brabant fragiel. Stijgt de CD&V, dan leidt dit tot verlies bij openVLD in Oost-Vlaanderen en bij N-VA in West-Vlaanderen. 

De geografie van de verkiezingen van 2014 heeft in alle provincies de traditioneel dominante partijen naar de tweede plaats verwezen. Vooral het resultaat in West-Vlaanderen was een verrassing. Een eventueel dipje van de momenteel dominerende partij kan een aanzet zijn om uitgaande van de trends in de peilingen en de historisch verankerde inplanting van de andere partijen, de perspectieven voor een verschuiving te bekijken. Een verhouding 16-29 is een totaal andere wereld dan een verhouding 20-25, maar zal zich sterker manifesteren in andere provincies.

Update 8 april
De peiling van La Libre Belgique/RTBf (Dedicated Research, de vroegere peiling van Le Soir, internetpanel) geeft op het eerste gezicht extremere getallen, met een groter verlies voor N-VA en een grotere winst voor het VB. Als we de zetelverdeling berekenen, komen we evenwel hierop (tussen haakjes verschil met bovenstaande peiling):

PVDA 1 (=)
groen 8 (=)
CD&V 17 (-1 Antwerpen)
N-VA 25 (-2: Antwerpen, West-Vlaanderen)
openVLD 12 (-1 Oost-Vlaanderen)
Vlaams Belang 11 (+4: 2 Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen)

Met andere woorden: alles ligt nog binnen de hierboven getekende vork, alleen bevindt N-VA zich aan de onderkant (25), en wordt het VB gezien de actualiteit naar boven gecorrigeerd.

De Franstalige zetelverdeling zou volgens de Libre-peiling als volgt zijn:
PTB 5 (+3)
Ecolo 8 (+2)
PS 20 (-3)
cdH 9 (=)
Défi 2 (=)
MR 17 (-3)
PP 2 (+1)

Beide taalgroepen samen:
Radicaal links 6 (+4)
Groen 16 (+4)
Socialistisch 33 (-3)
Christendemocratisch 26 (-1)
Vlaamsnationalistisch 25 (-8)
Défi 2 (=)
Liberaal 29 (-5)
Extreemrechts 13 (+9)

maandag, april 04, 2016

CONFERENCE PAPER: "Bring this mad woman to reason ! Elisabeth Farnese as a female ruler in 18th century Europe": in S. VANDENBOGAERDE, B. DEBAENST, S. DHALLUIN, I. DUFFULER-VIALLE & I. LELLOUCHE (eds.), (Wo)Men in Legal History [Acta of the XIXth European Forum of Young Legal Historians]. Lille: Université Lille 2/Centre d'Histoire Judiciaire, 2016, pp. 277-292 ISBN ISBN 2-910114-33-3



(image source: CHJ Lille)

The acta of the XIXth European Forum of Young Legal Historians (Ghent University, Legal History Institute/Université Lille 2, Centre d'Histoire Judiciaire) have appeared (CHJ Éditeur). Eighteen papers address various papers presented at the conference back in 2013. Among them, an article (pp. 277-292) by your humble servant on Elisabeth Farnese, second spouse of Philip V of Spain.


Book abstract:
From May 15 to May 18, 2013 the French Centre d’Histoire Judiciaire (Université Lille 2) and the Belgian Instituut voor Rechtsgeschiedenis (Ghent University) organised the nineteenth European Forum of Young Legal Historians. During three days, more than sixty young researchers from all over Europe and beyond gathered around the theme (Wo)Men in legal history, a subject allowing them to think about women and men in legal history from various scientific angles. The gender concept has become essential in human and social sciences, providing another way of analysing and interpreting society. Masculinity and femininity can thus be seen as a social construction based on biological sex.
Two main questions needed an answer: can law, from an evolutionary and dynamic point of view, be seen as a way of reducing differences between men and women? What is the role and place of both genders in legislation and legislative bodies, in justice administration and judicial bodies, as well as in legal science and education, both as subjects and objects?
The aim of this book is not to take part in any militant ideology but to consider dispassionately the various scientific ways of the construction of femininity and masculinity. The importance for legal historians is obvious: to think about law as an instrument of subordination and/or way of social change, which can enrich studies about the juridical evolution of societies. Legal rules can be important tools of social engineering in a very explicit way, but, also implicitly every legal system mirrors the cultural role of gender. This book answers the call issued by historians to rethink the dominant narratives of law producing and reflecting cultural and social norms. It challenges legal historians and other scholars to use a gendered approach to law.
  More information on the ESCLH blog.