donderdag, februari 21, 2008

zondag, februari 17, 2008

Saint-Denis



































Château de Versailles op Youtube


Musea zijn hip. Bron voor deze link: Le Grand Versailles Numérique (hier). Voor wie prentjes zoekt: er is niet alleen de database van de Réunion des Musées Nationaux, maar ook het Louvre heeft een eigen Atlas-databank met gratis prentjes van alle geëxposeerde werken, inclusief links naar de bank met gravures en tekeningen. Groter (en logger) is de Joconde-bank van het ministerie van Cultuur. Wat je daar al niet op kan vinden...

dinsdag, februari 12, 2008

Uyttendaele (2)

Goed stuk van Rudy Aernoudt in DS vandaag.

dinsdag 12 februari 2008

De regel, niet de uitzondering

REACTIES OP STRATEGIE-UYTTENDAELE ZIJN HYPOCRIET

Marc Uyttendaele is gehuwd met een minister: dat brengt hem in een delicate positie. blg

Marc Uyttendaele is gehuwd met een minister: dat brengt hem in een delicate positie. blg

© ERIC LALMAND

Voor Rudy Aernoudt is het duidelijk. De strategie-Uyttendaele is geen uitzondering, maar de regel. 'De PS heeft helaas geen monopolie op cliëntelisme en vriendendiensten.'

Een nota lekt uit met de strategie van advocaat Marc Uyttendaele voor het ontwikkelen van zijn handelsfonds. Politici en rabiate antisocialisten zien onmiddellijk een socialistisch complot. Bevriende politieke families sluizen contracten door naar bevriende politieke, economische en juridische raadgevers. Consternatie alom in politieke kringen: hoe is zoiets mogelijk, schreeuwen ze in koor.

Uyttendaele heeft twee kenmerken die hem bijzonder kwetsbaar maken. Ten eerste, hij verspreidt zijn mening over diverse onderwerpen via opiniestukken. Politici hebben dit niet graag. Deze vrije meningsuitingen zijn een doorn in het oog voor de particratie die liever hun zaakjes onder elkaar verdelen zonder pottenkijkers die ook een mening hebben. Ten tweede is hij gehuwd met een minister, wat hem in een delicate positie brengt. Het eerste kenmerk heb ik met hem gemeen. Het tweede gelukkig niet.

Maar de consternatie om het politieke cliëntelisme is eigenlijk een versluierende hypocrisie. Want iedereen kent het systeem en iedereen doet eraan mee. Maar zoals Napoleon het al zei: collectieve criminaliteit kent geen individuele verantwoordelijken.

De hypocriete reacties zijn daarbij van verschillende natuur. Premier Verhofstadt belooft meer transparantie in de toewijzing van de contracten voor diensten. Laurette Onkelinx stelt een onafhankelijke jury voor bij de toewijzing van contracten. Met deze intentieverklaringen is het volk gepaaid tot het volgende incident. Ik begrijp er echter niets van. Transparantie en een onafhankelijke jury bij de toewijzing van publieke contracten zijn toch geen nieuwe principes. Ze staan gebeiteld in administratieve hervormingen, decreten, ordonnanties en wetten. Ze worden gewoon niet toegepast. In een land waar kabinetten de lakens uitdelen, de parlementsleden van de meerderheid aan de leiband van de partijen lopen en de oppositie niet au sérieux wordt genomen, mag je nog duizend regels en wetten uitvaardigen, de toewijzing van contracten zal altijd politiek gebeuren.

Een procedure formeel respecteren is een koud kunstje. En dossiers die formeel het best in orde zijn, hebben meestal een geurtje. De toewijzing gebeurt dus niet via wie de beste diensten tegen de beste prijs-kwaliteit verhouding aanbiedt, maar aan hij of zij die het meest de kabinetten 'platloopt'; zoals dat heet. De netwerkpolitiek maakt dat advocaten en consultants die aan de bak willen komen niet zozeer goed werk afleveren, maar goede contacten leggen op kabinetten. Een slecht contact op de kabinetten maakt dat er geen contracten meer worden aangeboden.

Zelf heb ik het meegemaakt dat een minister aan een advocaat liet weten dat indien hij de zaak van iemand bepleit, hij nooit geen contracten meer zou krijgen van zijn kabinet. Regelrechte chantage die alleen maar mogelijk is doordat het systeem dat toelaat. Ook dat is trouwens advocaat Uyttendaele te beurt gevallen, toen voormalig federaal minister van Economie Marc Verwilghen hem afdreigde dat indien hij een bepaald dossier zou bepleiten, zijn kantoor geen enkel dossier meer zou krijgen van de ministeries van Economie en Wetenschappen. Dus als je privé-dossiers behandelt, moet je toelating vragen en zo word je afhankelijk van de broodheren die op die manier hun absolute macht kunnen gebruiken en adviseurs in een afhankelijkheidspositie duwen. Le pouvoir corrompt, le pouvoir absolu corrompt absolument.

De meeste contracten worden bij Verwilghen toegekend aan advocaat Luypaert volgens tarieven die insiders allesbehalve marktconform noemen (21.000 euro voor herlezen van een kb van 12 pagina's; 27.000 euro voor een procedure hoogdringendheid Raad van State). Kan er mij iemand de toewijzingscriteria bezorgen? Diezelfde minister, die intussen opnieuw gewoon advocaat is geworden, schreef vorig week een brief naar alle ministeries om hen te zeggen dat hij als advocaat te hunner beschikking is.

In deze context hoeft het ook niet te verwonderen dat rapporten en adviezen, ook juridische, vooraleer ze definitief worden overgemaakt ook eerst grondig besproken met het kabinet om te zien of de conclusies wel de juiste zijn. De 'onafhankelijke' raadgever zal meestal zijn conclusies moeten aanpassen, tenzij hij bereid is de kwaliteit van zijn advies intact te houden, zelfs als het zijn laatste advies wordt. Niet de individuele raadgevers - juridische en andere - zijn de oorzaak, maar het systeem dat aanzet tot 'loyaal' gedrag ten aanzien van de broodheren. Het geval-Uyttendaele is een toevallig uitgelekt verhaal, maar het is de regel, niet de uitzondering.

Een andere hypocriete reactie bestaat erin te zeggen dat het niet bij ons kan. Dirk Van Mechelen, die vicepremier van de Vlaamse regering is geworden na het aftreden van Fientje Moerman op basis van gesjoemel met, jawel, consultancycontracten waarbij er geen tegenprestatie werd geleverd voor het betaalde bedrag, stelt dat dit in de Vlaamse regering niet kan voorvallen. Zeer geloofwaardig. En voor wie aan zijn statement toch nog enige geloofwaardigheid zou hechten, een voorbeeld uit de courante praktijk.

De advocaat die in 2007 meer dan 300.000 euro ontving van het kabinet-Van Mechelen, maar die dat door de maatregelen genomen op basis van mijn aanklacht niet meer mag doen als extern contractant, is nu gewoon op het kabinet in dienst genomen.

Niet de raadgevers zijn de dooddoeners, maar het systeem dat hen ertoe aanzet. Er is maar één oplossing. Schaf de kabinetten af. Geef elke minister maximaal drie à vijf directe medewerkers. Laat cabinetards niet langer zitting hebben in raden van bestuur (waar ze ook contracten toekennen) en laat kabinetten geen contracten meer beheren. Zolang niemand de moed heeft deze maatregelen, die in feite al in het eerste Burgermanifest stonden, toe te passen. Laten we stoppen met de kiezer zand in de ogen te strooien en ons verbouwereerd te tonen over bepaalde individuele feiten die enkel het topje van de ijsberg zijn, want de PS heeft helaas geen monopolie op cliëntelisme en vriendendiensten.

Rudy Aernoudt is oud-kabinetschef op federaal, Vlaams en Waals niveau.


zondag, februari 10, 2008

Over oorlog en planeten

Goed stuk uit de NYTimes.

"Europeans Are From Venus"

At the time of the World Cup the summer before last, there was a nice cartoon in the papers by Oliphant, with two panels. One showed “Soccer as seen by Americans,” a group of dainty chaps prancing lightly across the grass with purses dangling from their limp wrists, and the other, “American football as seen by Europeans,” a heap of brutally moronic humanoids using severed limbs to batter each others’ brains out.

Skip to next paragraph

WHERE HAVE ALL THE SOLDIERS GONE?

The Transformation of Modern Europe.

By James J. Sheehan.

Illustrated. 284 pp. Houghton Mifflin Company. $26.

Yes, that sums up this reciprocal perception rather well — and it might have hinted at a contrast going beyond sports. The delicate midfield artists of Barcelona and Arsenal are vegetarian Venusians, shall we say? While the ferocious Giants and Patriots linebackers could be called Martian carnivores. The very games look like a metaphor for the gulf, growing between the two continents since World War II, that was the subject of Robert Kagan’s “Of Paradise and Power” in which he denounced sybaritic, pacifistic Europe on behalf of “Americans from Mars.”

As James J. Sheehan neatly observes in “Where Have All the Soldiers Gone?” Kagan’s philippic was published on Feb. 5, 2003, just 10 days before Europe saw the largest political demonstration in its history. More than half a million marched in Berlin to protest the imminent Iraq war, with other huge rallies in Rome, Barcelona and London (prompting Tony Blair’s bizarre comparison of the number of demonstrators with the number of Saddam Hussein’s victims). This outpouring of popular feeling against war no doubt confirmed Kagan in his view that those “Europeans from Venus” are now incapable of the use of military force that still comes naturally to Americans, and that it was “time to stop pretending that Europeans and Americans share a common view of the world, or even that they occupy the same world.”

However that may be, it’s a surely astonishing fact that no European war has been fought for more than 60 years, at least outside the ruins of Yugoslavia. Western Europe has become politically and socially demilitarized to a degree once unimaginable; after so many centuries of bloody conflict, Europeans don’t want to study war no more. In his scintillating tour d’horizon — and de force — Sheehan suggests that such obsolescence of war is specifically “the product of Europe’s distinctive history in the 20th century,” and he argues that it has created a new kind of European state along with “a dramatically new international system within Europe.”

There had been an earlier age of peace. The half-century following Waterloo was notably pacific after the violence from which it had emerged, and 1871 to 1914 saw the longest period until now without any war at all between larger European powers. There was besides a vigorous peace movement. Sheehan describes the vogue for such books as Bertha von Suttner’s “Lay Down Your Arms,” Ivan Bloch’s “Future of War,” which inspired the 1899 Hague peace conference, and Norman Angell’s “Great Illusion.” So it was that “at the beginning of the 20th century, as at the beginning of the 21st, a relatively peaceful Europe lived in a dangerously violent world.”

And yet even then there were powerful contrary forces plainly visible. In that age of ever more strident nationalism, chauvinists saw the army — and war — as the crucible forging national unity. Great powers displayed their greatness with mass conscript armies, uniforms were seen everywhere, and when a Bulgarian general said in 1910 that “we have become the most militaristic state in the world” it wasn’t a lament but a boast (not to say one of the many fascinating quotations with which Sheehan’s book is studded). An unmistakable mood was bored with the very achievements of consensual government and material improvement, while “the revolt of the masses” itself had military implications, as some saw: well before 1914 Churchill said with chilling prescience that democracy was more vindictive than oligarchy, and “the wars of peoples will be more terrible than the wars of kings.”

In the end the Party of Peace did win, but only after the catastrophe between 1914 and 1945, with bloodshed surpassing anything ever seen and an utterly unparalleled murder of innocents; a regression that remains an inexplicable moral mystery. In those years one might say that the best lacked all conviction and the worst were full of passionate intensity: even after the carnage of the trenches, an important minority — Russian Communists as well as Italian Fascists — still believed in “the regenerating value of violence,” and this was brilliantly exploited by Hitler. When the next war came it was waged just as he demanded, “with the greatest brutality and without mercy.”

Although Sheehan’s title alludes to Europe since 1945, almost two-thirds of his narrative deals with the years up to then — but in a way those earlier years answer the question he poses. By the second half of the 20th century, having given a most vivid demonstration of Walter Benjamin’s saying that civilization and barbarism are far from incompatible, Europe was exhausted and ashamed. For all the exigencies of the cold war, there was an overwhelming desire never again to see real war, between France and Germany or among their neighbors.

The trente glorieuses after VE-Day saw three decades of astonishing economic growth, which coincided with another most remarkable change: “With or without a fight, Europeans abandoned their empires.” This proved pure benefit for Europe, if not for the former colonies, and its further significance was that, as Sheehan says in a typically perceptive phrase, the brute force with which empire had been won and held now seemed anachronistic, “part of a vanished world in which the ability to wage war had been centrally important to what it meant to be a state.”

From the 1970s the economy stalled while Europe faced numerous social problems. And yet as the cold war ran down the clock, it became gradually clearer that liberal democracy and a market economy mitigated by welfare had won a complete political victory over “actually existing socialism.” At the same time Europe was fully “civilianized”: conscription was abandoned, armies themselves assimilated the values of civilian society and, as the great English military historian Michael Howard has put it, “death was no longer seen as being part of the social contract.”

But life is full of surprises. Sheehan’s book is sprinkled with confident but foolish predictions, like H. N. Brailsford averring in the early summer of 1914 that “there will be no more wars among the six great powers,” or The Economist in September of that year dilating on “the economic and financial impossibility of carrying out hostilities many more months on the present scale.”Just over 70 years later, as cocksure as ever and as wrong, that magazine asserted in 1985 “that nothing much will have changed by the year 2025.” Shortly after those words were published, the Berlin Wall fell, the Soviet empire imploded and savage violence consumed the Balkans, whence so many of Europe’s woes had long stemmed.

Here Sheehan is most sagacious. He sees that the game was up for the Soviet regime the moment Gorbachev disavowed “force and the threat of force,” and he gets the break-up of Yugoslavia right. In late 1991, at the insistence of the German government (itself egged on, one might add, by Serb-bashing right-wing columnists in papers like The Frankfurter Allgemeine), the European Union recognized the sovereignty of Slovenia and Croatia, and then Bosnia, crucially and disastrously before the nationality questions in those territories had been resolved. This encouraged a competitive round of territorial acquisition and ethnic expulsion and “intensified the predatory war being fought by Serbs and Croatians against Bosnia.”

It was of course ludicrous as well as hubristic for Jacques Poos, foreign minister of Luxembourg, to say at this juncture that “the hour of Europe has dawned,” but trans-Atlantic denunciations of European weakness were also misplaced. When the tub-thumpers of Capitol Hill and the op-ed pages were asked 15 years ago what kind of military intervention in the Balkans they had in mind, it turned out to mean American air cover while the Western Europeans provided the P.B.I., as the British Army used to say, the poor bloody infantry, a division of labor that had little appeal in Europe.

What sense does “Mars and Venus” have in the light of the past century, and the price paid by different countries? In 1914-18, 1.3 million Frenchmen (those cheese-eating surrender monkeys) were killed defending their country, which is to say more than twice as many as all the Americans who have died in every foreign war from 1776 until today. There has been much anguish about American casualties in Iraq, where last year was the worst since 2003, with all of 901 deaths. Reading that, the European may reflect silently on the dates Aug. 22, 1914, when 27,000 French soldiers were killed in a day, or July 1, 1916, when 20,000 British troops died.

It isn’t necessary to agree with Evelyn Waugh writing to his friend Graham Greene — “Of course the Americans are cowards. They are almost all the descendants of wretches who deserted their legitimate monarchs for fear of military service” — to see clearly that the United States isn’t a warlike country at all. In many ways it has always been more deeply peaceable in its instincts than ever Europe was.

And is the civilianization of Europe such a bad thing? Although there has been much grumbling about the Bundeswehr’s inadequate contribution in Afghanistan, some of us cannot see it as an occasion for pure regret if the Germans have changed character so drastically. In World War II, the Wehrmacht was unquestionably the best army, man for man and unit for unit, not least against the less ferocious “citizens in uniform” of the British and American Armies. Is that really a cause for British or American shame? When German rearmament began in the 1950s, at American urging, Gustav Heinemann resigned as Adenauer’s interior minister, with the words, “God took arms out of our hands twice; we must not take hold of them a third time.” Was he so wrong?

In a bravura final chapter Sheehan explains “Why Europe Will Not Become a Superpower.” As he recognizes, the European Union is already a superstate economically, but its failure to develop a common foreign and defense policy will continue to disappoint some enthusiasts. Disingenuous and ignorant at once, Blair once said that no one had ever envisaged a United States of Europe. In fact that very phrase has been current since the mid-19th century. But it was always a false analogy, illustrating Johnson’s saying that life’s follies stem from the attempt to emulate that which we do not resemble: the European Union no more resembles the American Union than the Soviet Union, and why should it?

It is not complacent to say that “the European idea” has in many ways been a heartening success, even if it never achieved all that its early proponents hoped. Europeans may have chosen butter instead of guns, and Europe as a whole may even be what Churchill said he hoped to see Germany become after 1945 — fat but impotent. And yet, while the continents are certainly drifting apart in some ways (secular Europe looks on with bewilderment at the contest between preacher-men in this presidential campaign), Europeans aren’t quite the decadent lotus-eaters that some Americans claim.

One can talk about European soft power against American hard power, but the point is made better by Sheehan in the peroration to this excellent book. The birth of the Bolshevik regime — and then of Fascist and National Socialist regimes — was a direct consequence of the “intense violence” then poisoning Europe. The astonishingly peaceful collapse of Communism rather more than 70 years later reflected in turn “the decline of violence that, by the 1980s, had transformed international and domestic politics throughout Europe”: a change for the better if ever there was one. To put it another way, soccer is not only England’s and Europe’s gift to all mankind. It really is a better game.

Geoffrey Wheatcroft’s books include “The Controversy of Zion,” “The Strange Death of Tory England” and “Yo, Blair!” He is writing a book on Churchill’s reputation before and since his death.


Saint-Germain-en-Laye

Het favoriete kasteel van Louis XIV. Overgedragen aan de verjaagde James II van Engeland in 1689 (toen de koninklijke residentie al een tijdje in Versailles was gevestigd). Louis XIV is er geboren ! Helaas staat nu niets meer recht van zijn kasteel (te wijten aan 18de-eeuwse baldadigheden, niet van de revolutie, maar van de toenmalige eigenaar, de latere Louis XVIII). Enkel het 16de-eeuwse stuk is gerestaureerd. Maar op een dag als vandaag, met prachtig licht en een blauwe hemel, komt ook de "suikertaart" er zeer mooi uit.




















(als ik dat hier overneem, moet ik de friezen in elk geval al niet meer aanpassen)







Enkel de tuinen (aangelegd door André Le Nôtre) resten nog van het 17de- en 18de-eeuwse paleis. Helaas ligt de Grand Parterre bijvoorbeeld droog. Dat ontneemt natuurlijk niets aan het schitterende zicht op La Défense en de kronkelende Seine.